Unfinished
Business?
Een onderzoek naar de
postkoloniale Nederlands-Indonesische betrekkingen (1949 – heden) bezien
vanuit het perspectief van de Rationele Keuze Theorie

* Trouw,
17 augustus 2005
Maaike te Rietmole
*
Doctoraalscriptie
Internationale Organisaties
& Internationale Betrekkingen
Rijksuniversiteit Groningen

Voorwoord
Afstudeerscriptie
“unfinished business” van Maaike te Rietmole.
Op
30.5.2005 schreef ik onder de rubriek: Acties-demonstraties-petities over mijn
contact met 2 studenten, die beide een afstudeerscriptie over de Nieuw Guinea
affaire zouden schrijven.
Maaike
te Rietmole is nu dus afgestudeerd en op 21 december 2006 werd de bul aan haar
uitgereikt.
Haar
afstudeer begeleider, Dr. J.F. Meyer, was ontzettend positief en trots.
Hij
noemde de scriptie zelfs innovatief, omdat de kwestie Papoea nog nooit uit dit
oogpunt was beschreven.
In
November 2005 ontmoette ik Maaike in Den Haag bij de presentatie van het boek
van Professor P.J. Drooglever: EEN DAAD VAN VRIJE KEUZE.
Betreffende
ontmoeting en e-mail contacten resulteerden in een bezoek bij haar thuis in
Borculo, waarbij ik haar de film: “The Land of the Morning
Star”liet zien.
Betreffende
film zit boordevol emoties!
In haar
scriptie spelen emoties een wel heel belangrijke rol en de inhoud van haar
scriptie verraste mij vanwege de vele raakvlakken met mijn eigen website.
Vanaf
de start van het eerste contact had ik er al een heel goed gevoel over en was
ik heel enthousiast over het gegeven, dat jonge mensen, studenten, dit item oppakken en op hun eigen manier
dit verleden blootleggen en deze affaire uit de doofpot helpen trekken.
Maaike
bedankt!
Lees
dus de scriptie: “Unfinished business”
Gerard
Thijssen
INLEIDING
‘De gezamenlijke geschiedenis tussen Nederland en Indonesië
is bevrijd van zijn laatste vuiltje en kan te rusten worden gelegd. Met
geschiedenis ben je natuurlijk nooit helemaal klaar, maar in diplomatieke zin
zijn we dat nu wel. Het verleden drukt niet langer meer op de betrekkingen
tussen beide landen.’
Het
bovengenoemde citaat betreft een uitspraak van de huidige minister van
Buitenlandse Zaken, B.R. Bot (december 2003 – juni 2006), van augustus
2005 jongstleden. Nederland maakte bij monde van de bewindsman duidelijk dat de
wederzijdse betrekkingen tussen Nederland en Indonesië van alle
neokoloniale trekken was ontdaan door openlijk de datum 17 augustus 1945 als
moment van onafhankelijkheid van Indonesië te erkennen en door spijt te
betuigen over de Nederlandse ‘wandaden’ begaan jegens de
Indonesiërs in de dekolonisatieperiode 1945-1949. Volgens Bot had
‘deze afsluiting van een hoofdstuk geen zestig jaren hoeven duren.’
‘Op het moment dat ik minister werd, was dit één van de
eerste dingen die ik mij voornam te doen.’, aldus de minister in een
toelichting op zijn spijtbetuiging. ‘Dit was unfinished business.
Je moet een streep durven trekken. Je moet niet langer blijven zieken over
dingen uit het verleden.’ Bots openlijke bekentenis van spijt en berouw
kan dan ook worden beschouwd als het (definitieve) sluitstuk van een
onthechtingsproces dat al sinds de jaren veertig in gang is gezet. Hoewel Bot
nu zei klaar te zijn met de geschiedenis, deelden niet alle Indonesiërs
dat gevoel. In de Jakarta Post werd
gewezen op nog een unfinished business, namelijk de kwestie-Papoea.
Het
onderzoeksterrein
Gekozen is
de kwestie-Papoea als nasleep van het Nieuw-Guinea-vraagstuk (1949-1962 (1969)
als casus te nemen voor deze scriptie, omdat dit gebied als laatste deel van het
voormalige Nederlands-Indië aan Indonesië is afgestaan en de kwestie
in de hedendaagse Nederlands-Indonesische betrekkingen tot voor kort nog steeds
een rol speelde. Met de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië aan
Indonesië in december 1949 weigerde Nederland Nieuw-Guinea over te dragen
om overwegend emotionele redenen. Dit leidde tot een ernstige verstoring van de
postkoloniale verhoudingen tussen Nederland en Indonesië en het conflict
om Nieuw-Guinea leidde zelfs bijna tot een oorlog begin jaren zestig. Onder
druk van de Verenigde Staten (VS) droeg Nederland het gezag over het betwiste
gebied in augustus 1962 tenslotte over aan de Verenigde Naties (VN), die het
bestuur na een kort interimbewind op 1 januari 1963 overdroeg aan de zorg van
Indonesië. Voorwaarde bij die overdracht was wel dat de Papoea’s
zich via een referendum vrijelijk zouden kunnen uitspreken over hun
staatsrechtelijke toekomst. In de zomer van 1969 volgde deze volksraadpleging,
de zogeheten ‘Daad van Vrije Keuze’, die een door Indonesië
gereguleerde schijnvertoning werd. Hoewel Nieuw-Guinea (sinds 1962 West-Irian
geheten) middels dit referendum formeel deel ging uitmaken van Indonesië,
bleven de Papoea’s zich hiertegen verzetten wegens de frauduleuze gang
van zaken. De Papoea’s die in Indonesië als tweederangs burgers
werden beschouwd en behandeld zochten tevergeefs steun bij Nederland dat
(moreel) medeverantwoordelijk werd gehouden voor hun lot. Tijdens de
ineenstorting van het Soeharto-regime eind 1998 werd de kwestie weer actueel.
Indonesië werd geteisterd door een economische crisis en kampte met grote
politieke en sociaal-economische verdeeldheid en een dreigende afscheiding van
Atjeh en Ambon. Oost-Timor zag met hulp van de VN kans zich in mei 2002 zelf
los te maken van de Indonesische overheersing. De Indonesische staat wankelde.
Ook de Papoea’s lieten opnieuw van zich horen en de roep om een nieuw
referendum klonk. Weer werd Den Haag om hulp gevraagd. De Nederlandse regering
hield echter de boot af, maar zei bij monde van minister van Buitenlandse
Zaken, J. J. van Aartsen (Kabinet-Kok II, 1998-2002), in december 1999 wel toe
een officieel onderzoek naar de gang van zaken in te zullen stellen. Aldus kwam
Papoea, tot groot Indonesisch ongenoegen, toch weer op de Nederlandse politieke
agenda te staan. Daarmee testte deze veronderstelde ‘afgedane’
kwestie na zoveel jaren opnieuw de duurzaamheid van de bilaterale kwetsbare
vriendschappelijke relatie. In 1992, tijdens de zogenoemde ‘affaire
Pronk’ was immers al gebleken dat de relatie zeer fragiel was en
Indonesië geen enkele bemoeienis meer duldde van Nederland aangaande
intern-soevereine zaken, wat uiteindelijk leidde tot een complete breuk in de
bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Indonesië op het gebied van
ontwikkelingssamenwerking.
Door
de toezegging van Van Aartsen een onderzoek in te zullen stellen naar de
officiële gang van zaken bij de soevereiniteitsoverdracht en met name de
Daad van Vrije Keuze manoeuvreerde de Nederlandse regering zich in een
moeilijke situatie. Enerzijds wilde het kabinet de inmiddels weer herstelde,
amicale relatie met Indonesië in stand houden, anderzijds wist het zich
gebonden aan de opdracht tot het ‘Papoea’ onderzoek. Het onderzoek, dat werd uitgevoerd door
professor P.J. Drooglever verbonden aan het Instituut voor de Nederlandse
Geschiedenis, werd op 15 november 2005 openbaar gemaakt. In de Nederlandse
media werd ruim aandacht aan het onderzoek besteed. Van de zijde van de
Nederlandse regering waren de reacties echter zeer terughoudend, terwijl het in
Jakarta nagenoeg helemaal stil bleef. De Indonesische regering besloot het
achthonderd pagina tellende boek van Drooglever geheel te negeren.
Inmiddels
weten we hoe de Nederlandse regeringsopstelling luidt. Hoe Bot, de
verantwoordelijke minister, zich uit deze lastige positie heeft weten te
manoeuvreren zal in de loop van deze scriptie uiteengezet worden.
Centrale
vraagstelling
Zoals uit
het bovenstaande blijkt, speelt het verleden alsmede de daarmee verbonden emoties
in de Internationale Betrekkingen doorgaans een prominente rol in de
wederzijdse betrekkingen tussen statelijke actoren. Althans zo luidt de
hypothese die als leidraad wordt gehanteerd in deze scriptie. Deze aanname
wordt getoetst aan de hand van de postkoloniale Nederlands-Indonesische
betrekkingen. Centraal staat de vraag in hoeverre het koloniale verleden in het
algemeen nog altijd een rol speelt in de Nederlands-Indonesische betrekkingen
en in welke mate de kwestie-Papoea deze wederzijdse betrekkingen specifiek
heeft belast (en dat wellicht nog steeds doet). Deze scriptie behelst de
periode van de officiële Indonesische soevereiniteitsoverdracht op 27
december 1949 tot op heden, om aldus genoeg empirisch bewijs te kunnen leveren
om deze vraagstelling te beantwoorden.
Postkoloniale
verhoudingen en de Rationele Keuze Theorie
Sinds het
einde van de Tweede Wereldoorlog heeft de dekolonisatie het aangezicht van de
wereldorde sterk veranderd. Vrijwel alle koloniën werden in de jaren
‘50-60-70 zelfstandig. Er ontstonden daardoor niet alleen nieuwe
machtspolitieke verhoudingen op het wereldtoneel, maar ook werden oude
verhoudingen tussen ex-koloniën en hun moederland opnieuw vormgegeven. De
nieuwe postkoloniale bilaterale contacten kenmerkten zich vaak door gevoelige
betrekkingen, afhankelijk van de manier waarop de dekolonisatie zich voltrokken
had (gewelddadig dan wel vreedzaam). Het postkoloniale tijdperk toonde al snel
aan dat de in het koloniale tijdperk gegroeide machtsstructuren niet direct
verdwenen. Het kolonialisme mocht dan wel in zijn oorspronkelijke gedaante zijn
verdwenen, het imperialisme bleef voortduren, zij het op een andere wijze.
Nieuwe theorieën werden geïntroduceerd om de voortgezette economische
afhankelijkheid van een theoretisch kader te voorzien. Deze studies toonden aan
dat de bilaterale betrekkingen in tal van opzichten inderdaad niet wezenlijk
veranderden. De gebruikte termen om deze blijvende ongelijke relatie te
beschrijven (neo-kolonialisme, centrum-periferie relaties, dependencia en
structureel-imperialisme) werden echter ontleend aan het
marxistisch-leninistisch gedachtegoed, waardoor zij een al te ideologisch en
eenzijdig economisch licht werpen op het vraagstuk. Mijn persoonlijke voorkeur gaat om deze
reden dan ook uit naar een geheel ander interpretatiekader dat beter te
verenigen valt met de hypothese, namelijk dat het verleden alsmede de daarmee
verbonden emoties doorgaans een prominente rol spelen in de wederzijdse
betrekkingen tussen statelijke actoren. Gekozen is het (Neo)-Realisme als
leidende theorie in de Internationale Betrekkingen te hanteren. Een van de
belangrijkste aannames van deze theorie is dat de mens, en daarmee de staat als
belangrijkste actor op het vlak der internationale politiek, het eigenbelang
als belangrijkste leidraad hanteert. Deze aanname is gebaseerd op de Rationele
Keuze Theorie (RKT). De mens c.q. de staat als belangrijkste actor maakt
belangenafwegingen op basis van rationaliteit om zodoende eigenbelang te kunnen
verwezenlijken. Het (Neo)-Realisme kan echter moeilijk uit de voeten met
emoties, tenzij deze doelbewust gebruikt worden om het eigenbelang te dienen.
In dat geval is emotie een rationeel beleidsinstrument. De RKT zal dan ook als
leidend concept gebruikt worden om te toetsen of, en zo ja in welke mate,
emoties omtrent het koloniale verleden inderdaad gebruikt zijn door zowel de
Nederlandse als Indonesische regering als psychologisch wapen in de wederzijdse
betrekkingen tussen Nederland en zijn oud-kolonie Indonesië en in hoeverre
dat ze verstorend gewerkt hebben in het voeren van een ‘rationeel’
beleid jegens elkaar.
Het
theoretische kader waarin het onderzoek is geplaatst richt zich op het
(Neo)-Realisme en het bijbehorende concept van de rationele keuze-benadering.
Dit theoretische raamwerk verdient naar mijn mening een centrale plaats in deze
scriptie en zal daarom aan bod komen in het eerste hoofdstuk. De algemene
Nederlands-Indonesische betrekkingen worden uitvoerig uiteengezet in drie
opeenvolgende hoofdstukken die respectievelijk de perioden 1949 tot 1962
(Nieuw-Guinea-kwestie), 1962 tot 1992 (herstel van de relatie tot aan affaire
Pronk) en 1992 tot op heden (toenadering op nieuwe leest) beslaan. Het jaartal
1992 vormt een belangrijk keerpunt, omdat de bilaterale betrekkingen tussen
Nederland en Indonesië toen eenzijdig werden ‘opgeschoond’
door de Indonesische president Soeharto naar aanleiding van de algenoemde
‘affaire Pronk’. Deze datum wordt in de literatuur vaak gezien als
het punt waarop het koloniale verleden formeel geen rol meer geacht werd te
spelen in de wederzijdse betrekkingen. Of dit inderdaad het geval is zal aan
het licht komen in de uiteenzetting van de Nederlands-Indonesische betrekkingen
van 1992 tot heden en met name in het vijfde hoofdstuk, waarin de
Nederlands-Indonesische betrekkingen aangaande de kwestie-Papoea (zoals
Nieuw-Guinea sinds 2001 heet) centraal staan. De scriptie wordt tenslotte
afgesloten met een conclusie.
1: THEORETISCH
KADER
Gekozen is
het (Neo)-Realisme als leidende theorie in de Internationale Betrekkingen te
hanteren. De belangrijkste aanname van het Realisme en (het Neo-Realisme) is
dat de mens, en daarmee de staat als belangrijkste actor op het vlak der
internationale politiek, eigenbelang als belangrijkste leidraad hanteert. Deze
aanname is gebaseerd op de Rationele Keuze Theorie (RKT). Allereerst wordt de
oorsprong en de relevantie van de (Neo)-realistische theorie uiteengezet,
gevolgd door de uiteenzetting van de RKT. Vervolgens worden de belangrijkste
vooronderstellingen van de RKT-theorie en de kritiek op deze theorie
weergegeven. Tot besluit van dit hoofdstuk
wordt de manier waarop de theorie in dit onderzoek aan de hier behandelde
thematiek wordt gekoppeld belicht.
Het
(Neo)-Realisme
Het
Realisme wordt gezien als de meest invloedrijke theorie in de Internationale
Betrekkingen. De term Realisme komt voort uit het Duitse woord ‘Realpolitik’. Zoals de term
impliceert tracht het Realisme de wereld te beschrijven en verklaren zoals die
is, in plaats van hoe die wereld er uit zou dienen te zien. Een bekende
klassieke realist is Hans Morgenthau wiens boek Politics Among Nations (1948) reeds decennialang tot de
standaardliteratuur over het Realisme behoort. De term ‘realisme’
of ‘politiek realisme’ omvat een grote variatie aan theorieën
en gedachten omtrent de Internationale Betrekkingen, waarin de volgende
aannames centraal staan:
- De
staat is unitair.
- De
staat is rationeel.
- De
staat, net als de mens, hanteert eigenbelang als belangrijkste leidraad.
- Soevereine
staten zijn de voornaamste en belangrijkste actoren. De realistische
onderzoekstraditie minimaliseert het belang van individuen, internationale
organisaties, transnationale actoren, internationale ondernemingen etc.
- De
staat heeft in haar buitenlands beleid als belangrijkste taak het behartigen
van haar belangen en de verdediging van haar bevolking. De nationale veiligheid
en de overleving van de staat staan volgens het Realisme centraal. Het
nationale belang, het eigenbelang, is doorslaggevend voor de sturing en
evaluatie van het buitenlands beleid.
- De
internationale politiek is een systeem zonder overkoepelend gezag. Er zijn met
andere woorden geen overkoepelende instellingen die alle actoren in de
internationale politiek kunnen beschermen, sanctioneren of een globaal beleid
kunnen uitstippelen. Het centrale kader van de Internationale Betrekkingen is
dan ook het anarchische wereldsysteem.
- De
noodzaak tot zelfbehoud van staten, gecombineerd met het ontbreken van
overkoepelend gezag bepaalt dat conflict een altijd aanwezige realiteit is in
de Internationale Betrekkingen. Andere landen zijn immers nooit volledig te
vertrouwen, daar elke natie zijn eigen nationaal eigenbelang nastreeft.
- Er
is sprake van machtshiërarchie tussen staten. Kenner van de IB maken hierbij
traditioneel onderscheid tussen grote mogendheden en kleine machten. De schijn
van vrede en veiligheid kan alleen gegarandeerd worden door het aangaan (en
verschuiven) van bondgenootschappen tussen staten en door te voorkomen dat een
enkele staat overweldigend veel macht vergaard, zodanig dat het een bedreiging
vormt voor de vrede en veiligheid van andere staten.
- Internationale
overeenkomsten en het internationaal recht kennen slechts een voorlopig
karakter en zijn alleen effectief indien zij gesteund worden door geweld of
effectieve sancties.
Een andere
benadering is het Neo-Realisme, een moderne variant van de realistische theorie
die hierboven is uiteengezet. Het Neo-Realisme betreft een theoretisch wat
grondigere uitwerking van de klassieke realistische visie dat het in de
Internationale Betrekkingen uitsluitend om macht draait en dat staten
voortdurend bezig zijn zoveel mogelijk macht te verwerven om de kans op
overleven te vergroten. Het Neo-Realisme wordt gezien als een nuancering van het
Realisme, gezien het feit dat er tevens een rol wordt toegekend aan
transnationale economische actoren.
‘Realism
is a theory about international politics. It is an effort to explain both the
behaviour of individual states and the characteristics of the system as a
whole. The ontological given for realism is that sovereign states are the
constitutive components of the international system. Sovereignty is a political
order based on territorial control. The international system is anarchical. It
is a self-help system. There is no higher authority than can constrain or
channel the behaviour of states. Sovereign states are rational self-seeking
actors resolutely of not exclusively concerned with relative gains because they
must function in an anarchical environment in which their security and
well-being ultimately rest on their ability to mobilise their own resources
against external threats’
De
bovengenoemde samenvatting van Stephen Krasner, een van de belangrijkste
neorealisten, is een korte beschrijving van het Neo-Realisme. Deze stroming is
het eerst geformuleerd door
Kenneth. N. Waltz (Theory of
International Politics, 1979).
Waltz negeert de zogeheten ‘unit
level’ theorieën, zoals die door het Realisme wordt gehanteerd,
omdat deze trachten het globale systeem als een geheel te verklaren door de
interacties van de delen in ogenschouw te nemen. Deze reductionistische
benadering veronderstelt dat er een directe link is tussen de intenties van de
individuele actor, zoals de natiestaat, en de resultaten van zijn acties. Deze
benadering is, aldus Waltz, niet in staat de structurele condities te herkennen
die kenmerkend zijn voor het internationale wereldsysteem, die de uitkomsten
van de interacties tussen staten bepaalt. Volgens Waltz hebben alle staten in
het internationale systeem aldus een functie binnen de internationale structuur
en dient deze structuur (anarchie) altijd als bepalend kader in ogenschouw te
worden genomen.
De primaire
aanname van zowel het Realisme als het Neo-Realisme is kortom dat de mens - en
daarmee de staat als belangrijkste actor op het vlak der internationale
politiek - eigenbelang nastreeft. Dit paradigma is gebaseerd op de Rationele
Keuze Theorie (RKT). De RKT fungeert in deze scriptie dan ook als leidend
concept om te toetsen of de emoties omtrent het koloniale verleden in de
wederzijdse betrekkingen tussen Nederland en Indonesië gebruikt zijn (en
worden) als psychologisch wapen om eigenbelang te verwezenlijken of dat ze
juist verstorend gewerkt hebben (en nog altijd werken) in het voeren van een
‘rationeel’ beleid jegens elkaar.
De
Rationele Keuze Theorie
Sinds het
midden van de jaren vijftig valt in de wetenschap der politiek de opkomst van
een nieuwe benaderingswijze waar te nemen; de Rationele Keuze Theorie (RKT),
ook wel ‘economische theorie van de democratie’ genoemd. De RKT is
in de afgelopen eeuw een van de meest gebruikte theorieën in de sociale
wetenschappen geworden en wordt op vele terreinen en varianten toegepast. De
belangrijke IB-theorieën, het (Neo)-Realisme en (Neo)-Liberalisme, zijn
beide gebaseerd op de vooronderstellingen van de RKT. De RKT benadering kent drie
uitgangspunten:
1. Het
gedrag van een politieke actor is doel-rationeel (‘Zweck-rational’), in de betekenis die de socioloog Max
Weber (1864-1920) daaraan gaf:
Zweckrational
handelt, wer sein Handeln nach Zweck, Mitteln und Nebenfolgen orientiert und
dabei sowohl die Mittel gegen die Zwecke, wie die Zwecke gegen die Nebenfolgen,
wie endlich auch die verschiedenen möglichen Zwecke gegeneinander rational
abwägt.
2. Methodologisch
individualisme. Methodologisch individualisme wordt door de politiek
wetenschapper J.D. Morrow omschreven als
(…) the view that all institutions, behavioural patterns, and
social processes can in principle be explained in terms of individual actors
only: their actions, properties, and relations. It is a form of reductionism,
which is to say that it enjoins us to explain complex phenomena in terms of
their simpler components.
3. De
nadruk ligt op de logisch-deductieve redeneerwijze. Deduceren is het afleiden
van een conclusie die al logisch besloten ligt in de propositie (hypothese)
waarvan men uitgaat.
De RKT is
een sociologische theorie die specifieke aannames doet over de mens en zijn
gedrag. De eerste en belangrijkste aanname is dat de mens een rationeel, dat
wil zeggen een doelgericht wezen is, dat
eigenbelang als leidraad van handelen heeft. Rationeel gedrag betekent
het rangschikken van verschillende beleidsalternatieven om een vooraf bepaalde
uitkomst te bereiken. RKT houdt zich dus bezig met de consistentie waarmee de
rationele mens keuzes maakt. Het gedachteproces naar deze uitkomst en de morele
principes die achter het besluit schuilen worden evenwel buiten beschouwing
gelaten. Alleen de uiteindelijke keuze, het feitelijk gedrag, is voor deze
scriptie van belang.
Rationeel
gedrag betekent niet automatisch dat wat de mens doet objectief ook altijd
rationeel is. Mensen zijn immers beperkte wezens die zelden de beschikking
hebben over alle mogelijke informatie om tot het beste besluit te komen. De
veronderstelling luidt dat de mens zonder alle mogelijke informatie rationele
keuzes wil maken, probeert rationeel te zijn en doelgericht wil handelen. De
RKT veronderstelt ook dat het doel van het handelen het verkrijgen van
beloningen is. Mensen zijn op zoek naar wat zij zien als beloningen, wegen af
wat voor hen het beste resultaat is en wat de beste manier is om deze
vergoeding te verkrijgen. Tegelijkertijd wordt de mens geacht kostenposten te
willen vermijden. De aannames van de RKT gaan echter nog een stap verder. De
theorie veronderstelt dat mensen niet alleen beloningen zoeken en kosten zoveel
mogelijk mijden, maar ook dat ze zoeken naar de hoogst mogelijke beloning tegen
de laagst mogelijke kosten. Met andere woorden, de mens streeft naar een
optimale nutsmaximalisatie, een bekende premisse afkomstig uit de studie van de
micro-economie. Kortom, er wordt er van uitgegaan dat het individu de
verschillende alternatieve waarden zodanig afweegt dat de behoeftebevrediging
maximaal is. Dit vereist dat het individu de keuzes van verschillende
alternatieven kan rangschikken overeenkomstig het nut dat de combinaties
opleveren. Zo’n rangschikking
wordt ook wel voorkeursvolgorde genoemd. Deze rangschikking bezit de kenmerken
van volledigheid en ‘transitiviteit’. Volledigheid houdt in dat een
individu een vergelijking kan maken tussen twee alternatieven, A en B. Of hij
prefereert A boven B, of hij prefereert B boven A. Transitiviteit betekent dat
indien het individu te kennen geeft dat hij pakket A boven B verkiest, aan
pakket B de voorkeur geeft boven pakket C en hij dus ook pakket A prefereert
boven pakket C. Verondersteld wordt dan ook dat de preferenties van de actor
niet veranderen, om zodoende het verklarende en voorspellende karakter van de
RKT niet te ondermijnen. Wijzigingen in gedrag van de actor worden aldus
veroorzaakt door veranderingen in de situatie en verschuivingen in de
aanwezigheid van volledige informatie. Er wordt een onderscheid gemaakt in de preferenties,
de acties (strategieën) en de uitkomst. De preferenties staan vast, de
acties en strategieën zijn de gemaakte keuzes om het einddoel te bereiken
en de uitkomst is het uiteindelijke resultaat. Deze preferenties kunnen evenwel
veranderen indien de actor nieuwe informatie vergaart over de effectiviteit van
de gemaakte keuzes.
Kritiek
op de Rationele Keuze Theorie
Kritiek op
de toepassing van de RKT in de sociale wetenschappen is er legio. Het
belangrijkste punt van kritiek door sociologen is dat niet alle handelingen
doelrationeel (‘Zweck-rational’)
zijn, zoals de theorie aanneemt. In de rationele keuzebenadering is dus geen
plaats voor de drie andere typen van sociaal handelen die Max Weber
onderscheidde, namelijk:
-
‘Wert-rational’,
een handelen waarbij de mens gedreven wordt door het geloof in de
onvoorwaardelijke en intrinsieke waarde van iets religieus, esthetisch of
ethisch waarbij geen plaats is voor overwegingen in termen van kosten en baten.
(b.v.: religie)
-
‘Affektuell’,
een handelen dat door gevoelens en emoties wordt ingegeven.
-
‘Traditional’, een
handelen gebaseerd op gewoontes.
Verder
richt de RKT zich volgens critici te veel op de uiteindelijke keuze van het
individu en te weinig op de sociale omstandigheden die de keuzes kunnen
beïnvloeden. Sociale interactie wordt in de RKT namelijk als een exogene
variabele bestempeld. Met andere woorden, een variabele die van buitenaf
invloed heeft op het onderzoeksresultaat. Individuen gaan volgens de theorie
dan ook alleen sociale relaties aan om eigenbelang te maximaliseren. De socioloog Randall Collins betoogt
echter dat rationaliteit, zoals dit begrip centraal staat in deze scriptie,
altijd een niet-rationele basis heeft die in de theorieën genegeerd wordt:
‘If
this were a completely rational world, no one would ever enter into a social
contract and the world would consist of isolated individuals eternally
suspicious of each other. Society would never get formed, though not because
the presocial world is somehow savage and undeveloped, but precisely because it
is too rational.’
Collins en
zijn collega Emile Durkheim (1858-1917), kwamen beiden tot de slotsom dat de
samenleving niet alleen kan berusten op de rationaliteit van individuen die hun
eigenbelang nastreven, maar dat er sprake is van een ‘precontractuele
solidariteit’. Een samenleving kan volgens deze twee theoretici alleen
bestaan omdat mensen ervan uitgaan dat zij erop mogen vertrouwen dat afspraken
worden nagekomen. De rationele keuzebenadering is daarom niet in staat het
bestaan van een samenleving of van een politieke gemeenschap te verklaren. Dat
neemt niet weg dat de RKT in veel opzichten verhelderend en prikkelend is,
zolang het abstracte en hypothetische van haar stellingen maar in het oog wordt
gehouden.
Verder
wordt betwijfeld of met behulp van de
RKT wel historisch en vergelijkend onderzoek kan worden gedaan omdat de sociale
omstandigheden die bepaalde keuzes kunnen beïnvloeden buiten bereik van de
theorie vallen. De theorie zou daardoor ongeschikt zijn voor geschiedkundig
onderzoek, omdat het historische veranderingen niet zou kunnen verklaren en
normatieve verhalen niet kan integreren.
Link
tussen de theorie en empirie
In de
geschiedenis van de Nederlands-Indonesische betrekkingen zijn vele gebeurtenissen
aan te wijzen die rationeel gezien heel anders hadden dienen te verlopen, maar
wat niet is gebeurd. De kritiek dat de RKT niet toegepast kan worden op
historisch onderzoek lijkt dan ook steekhoudend. Het is geenszins mijn
bedoeling om de geschiedenis van de Nederlands-Indonesische betrekkingen qua
rationeel gedrag als zodanig te verklaren. Deze geschiedenis valt namelijk niet
puur verstandelijk te verklaren, aangezien emoties een zo belangrijke plaats
innemen in deze verhouding. Dit historische onderzoek, met de centrale vraag in
hoeverre het koloniale verleden, met de kwestie-Papoea als specifieke casus, de
Nederlands-Indonesische betrekkingen tot op heden belast, tracht de kloof
tussen het rationele denken en emoties juist te dichten. In de RKT is echter
geen plaats voor emoties, tenzij deze ‘doel-rationeel’ zijn, dat
wil zeggen gebruikt zijn als pragmatisch ‘instrument’ om het
eigenbelang te behartigen.
Emoties
spelen een niet onbelangrijke, zo niet cruciale rol in de postkoloniale
relaties tussen Nederland en Indonesië, althans zo luidt mijn hypothese.
Om dit te onderzoeken wordt getracht de belangrijkste gebeurtenissen in de
Nederlands-Indonesische betrekkingen te analyseren en te bezien in hoeverre
emotionele factoren een hoofdrol spelen in de wederzijdse verhoudingen en in
hoeverre deze doelbewust als politiek middel zijn gehanteerd. Is er inderdaad
sprake van een welbewuste c.q. gecalculeerde belangenafweging met een vooraf
bepaald doel, dan is er aldus de RKT rationeel gehandeld. De preferenties van
de actor en de acties die tot de uitkomst geleid hebben, zullen dan weergegeven
worden om waar te kunnen nemen of emoties omtrent het koloniale verleden
inderdaad (en nog altijd) worden gebruikt om het einddoel te bereiken en het
beoogde doel te verwezenlijken. Zo wordt getracht de kloof tussen emoties en
rationeel denken enigszins te overbruggen en duidelijk te maken dat ook
gevoelens een rol spelen in decision-making
in de politiek tussen staten in het algemeen en speciaal tussen landen met een
gevoelig moederland-koloniehistorie. Door de weergave van de opeenvolgende
gebeurtenissen wordt tevens duidelijk of de genoemde hypothese, namelijk dat
emoties een grote rol spelen in het gedrag van ex-koloniën versus het
moederland juist is of bijgesteld dient te worden. Aldus kan worden
geconcludeerd of zowel Nederland als Indonesië in staat zijn gebleken hun
uit de voormalige koloniale relatie voortvloeiende emoties achter zich hebben
kunnen laten en in staat zijn om deze gevoelens geen dominante rol meer te
laten spelen in de wederzijdse betrekkingen.
2: DE TWIST OM NIEUW-GUINEA
De algemene Nederlands-Indonesische betrekkingen
1949 - 1962
Op 27
december 1949 droeg Nederland de soevereiniteit over Nederlands-Indië over
aan de Verenigde Staten van Indonesië. Het afscheid van Indië
betekende echter bepaald niet dat met een schone lei begonnen werd in de
bilaterale relatie. De postkoloniale betrekkingen tussen het voormalig
moederland en zijn ex-kolonie werden nog diepgaand door het gemeenschappelijke
verleden beïnvloed. In hoeverre de koloniale tijd de verhoudingen tussen
Nederland en Indonesië van 1949 tot 1962 toen Nieuw-Guinea als laatste
koloniale restant aan Indonesië werd overgedragen, heeft beïnvloed
wordt in dit hoofdstuk uiteengezet.
De Indonesische Revolutie (1945 – 1949)
De eerste Nederlandse expeditie richting
Indonesië bereikte Bantam in 1596 en rond de periode 1621-1670 bereikte de
Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) vrijwel een wereldmonopolie in de
handel in specerijen. Aan het einde van de 18e eeuw nam de
internationale macht van de VOC steeds meer af. Corruptie, gebrek aan kapitaal
en de toenemende concurrentie hebben er uiteindelijk aan bijgedragen dat de VOC
in 1799 werd opgeheven. De Nederlandse regering wilde echter het grote politieke
machtsgebied dat de VOC had geschapen behouden. Nederland verklaarde op 31
december 1799 Indonesië dan ook officieel zijn kolonie. Vanaf dat moment
was de Nederlandse staat officieel verantwoordelijk voor het bestuur van de
archipel. De kolonie bracht grote winsten voor de Nederlandse schatkist, maar
om nog meer winst te vergaren werd het cultuurstelsel (1830-1870) ontwikkeld.
Doel van dit systeem was de exploitatie van Java ten behoeve van de Nederlandse
schatkist. De Javaanse adel kreeg een prominente rol bij de organisatie en een
dualistisch staatsstelsel werd ingevoerd, waarbij het Nederlandse systeem en
het inheemse bestuur naast elkaar functioneerden. In de laatste helft van de negentiende
eeuw kreeg de Max Havelaar van
oud-Indisch bestuursambtenaar E. Douwes Dekker (Alias Multatuli) grote invloed
op het denken over het koloniaal bestuur. Het inzicht dat de enorme winsten
naar Nederland vloeiden ten koste van de inheemse bevolking begon steeds meer
terrein te winnen en leidde in 1870 tot de afschaffing van het cultuurstelsel.
Nederland werd zich bewust een ‘Ereschuld’ te hebben jegens
Indonesië. Noodzakelijke hervormingen moesten in Indonesië worden
doorgevoerd om de bevolking te verheffen, zowel moreel als materieel, door
besteding van het geld dat Nederland via het cultuurstelsel uit Indonesië
had verkregen. Deze ‘ethische’ gedachte vond rond de eeuwwisseling
weerklank in de politiek en het effect ervan was terug te vinden in de
Troonrede van 1901, die wordt beschouwd als het officiële begin van de
Ethische Politiek.
Door deze nieuwe politiek werd onderwijs
toegankelijk voor de inheemse bevolking. Ook kregen zij de mogelijkheid tot een
beperkte participatie in bestuur. Hierdoor ontstond er een kleine groep
intellectuelen die het begrip ‘nationalisme’ introduceerden. De
bewustwording van de Indonesische bevolking werd gevoed door het verbeterde
onderwijs en doordat de hoger opgeleide Indonesische elite westerse ideeën
omtrent zelfbeschikking overnam.
Een andere belangrijke impuls voor de onafhankelijkheidsgedachte kwam
van de Japanse bezetting. In december 1941 brak in Azië de Tweede
Wereldoorlog uit. In maart 1942 werd Indonesië bezet door het Japanse
leger en hierdoor kwam er een abrupt einde aan het Nederlandse koloniale gezag.
Door de snelle overgave van het Nederlandse koloniale leger en bestuur en het
verdwijnen van de Nederlanders uit de belangrijke openbare functies in de
samenleving met hun internering in kampen, verdween het beeld van de
onoverwinnelijke Europeaan, wat de bevolking sterkte in het streven vrij te
willen zijn.
Op
15 augustus 1945 capituleerde het Japanse leger onverwachts en op 17 augustus
riepen de Indonesische leiders Soekarno en Hatta de onafhankelijke Republiek
Indonesië uit. Dat Nederland door deze proclamatie totaal overrompeld
werd, lag voor de hand. Voor de oorlog was het Indonesische nationalisme immers
stelselmatig door het Nederlandse koloniale bestuur genegeerd en
gebagatelliseerd. Tijdens de Tweede
Wereldoorlog was er van enig daadwerkelijk contact met het bezette
Nederlands-Indië geen sprake geweest en pas langzaam en aarzelend drong na
de 17e augustus 1945 het nieuws over de republikeinse
onafhankelijkheidsproclamatie in Nederland door.
Reeds
in de eerste weken na het uitroepen van de Indonesische Republiek was duidelijk
dat van de kant van de regering-Schemerhorn/Drees (1945-1946) geen bereidheid
bestond om de Indonesische Republiek te erkennen. De minister van Overzeese
Gebiedsdelen, J.H.A. Logemann (1945-1946), kwam in de Tweede Kamer met een
verklaring dat hij niet van onderhandelen wilde weten. Hij noemde besprekingen
met het Soekarno-regime ‘even onwaardig als onvruchtbaar’. Soekarno
werd gezien als een collaborateur omdat hij met de Japanners had samengewerkt.
Besprekingen met Soekarno werden ook zinloos gezien, aangezien hij met niets
minder dan volledige onafhankelijkheid (100%
merdeka) tevreden zou zijn.[1]
Onder Britse druk - Groot-Brittannië had na de Japanse capitulatie het
voorlopig gezag over Indonesië overgenomen - werd Nederland toch aangezet
met de nationalisten te gaan praten. Een nieuwe ronde in de onderhandelingen
leidde tot besprekingen in het Westjavaanse dorpje Linggadjati van 11 tot 13
november 1946. Het resultaat van het ontwerpakkoord dat tot stand kwam was dat
de balans meer doorsloeg naar de Indische realiteiten van het moment, namelijk
dat de Republiek Indonesië de facto
een feit was, dan naar de Nederlandse wensen.[2]
Het akkoord van Linggadjati werd vanuit Nederlandse zijde dan ook
‘aangekleed’. Extra eisen werden gesteld aan een zelfstandige
wording van Indonesië.[3]
Door de verschillende interpretaties van het akkoord liepen de spanningen
tussen de Republiek en Nederland intussen weer hoog op. De problemen rond de
‘aankleding’ van het akkoord vormden de belangrijkste reden voor
het uitbreken van geweld in juli 1947.
Op
20 juli 1947 ontketende Nederland de eerste koloniale oorlog
(‘politionele actie’). Minister-president L. Beel (1946-1948)
verklaarde ‘dat tot actie was overgegaan omdat de tegenwoordige regering
der Republiek Indonesië economische afbraak en plundering, monetaire
verwarring en wetteloosheid niet kon tegengaan en dus allerminst in staat mocht
worden geacht om in zijn gebied veiligheid en recht te verzekeren en anderzijds
weigert om samen met ons de voorwaarden hiertoe te scheppen’. De kwestie
kwam in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) aan de orde en door bemiddeling van de
VS werd een nieuwe onderhandelingsronde ingelast. Het resultaat was het
Renville-akkoord van 17 januari 1948.
Omdat
ook het Renville-verdrag niet tot een blijvende regeling van de geschillen
leidde begon Nederland zijn tweede koloniale oorlog tegen de Indonesische
Republiek aan de vooravond van Kerstmis
Wederzijds wantrouwen
De omstandigheden waaronder de nieuwe verhouding zich
moest gaan ontwikkelen, waren eind 1949 alles behalve ideaal. De wederzijdse
achterdocht bleek in de jaren 1945-1949 aan beide zijden diep geworteld. Het
Nederlandse onvermogen de Indonesische wens naar onafhankelijkheid te
accepteren stond haaks op de Indonesische onverzettelijkheid om met niets
minder genoegen te nemen dan volledige vrijheid en het onbegrip voor de
Nederlandse emoties. De onoverkoombare tegenstelling in cultuur, mentaliteit,
directe belangen en de onwil begrip op te brengen voor elkaars denk- en
handelswijze, vormden de belangrijkste redenen waarom de Nederlandse en
Indonesische regering in deze jaren maar zeer moeizaam tot overeenstemming kon
komen. De belangrijkste punten van geschil betroffen de staatsrechtelijke
betekenis van de toekomstige Nederlands-Indonesische Unie, de beoogde
toekomstige samenwerking op defensieterrein en de wijze waarop de
overgangsregeling voor de soevereiniteitsoverdracht zou moeten worden
uitgevoerd. Slechts door bemoeienis van de VS waren de beide partijen elkaar in
mei 1949 genaderd middels het Van Roijen-Rum-akkoord.
De
Ronde Tafel Conferentie (1949)
De nieuwe
verhoudingen kregen hun uiteindelijke vorm tijdens de Ronde Tafel Conferentie
(RTC) die in Den Haag werd gehouden van 23 augustus tot 2 november 1949.
Scharnierpunt in de RTC werd het in maart 1947 geratificeerd akkoord van
Linggadjati dat de basis vormde voor de uiteindelijke slotovereenkomst. Met
betrekking tot de nieuwe toekomstige verhouding vormde de Unie-samenwerking een
belangrijk agendapunt. De postkoloniale bilaterale relatie voorzag in de
vorming van een ‘Nederlands-Indonesische Unie’, waarvan de
Verenigde Staten van Indonesië (VSI) deel ging uitmaken met aan het hoofd de
Kroon. Tegenover de Indonesische aanvaarding van de Nederlandse koningin als
symbolisch hoofd van de Unie, stond de Nederlandse erkenning van de Unie als
vederlicht samenwerkingsverband in plaats van de beoogde nauwe
staatsrechtelijke coöperatie op tal van gebieden. Een ander belangrijk
militair aspect betrof het aangaan van een militaire samenwerking tussen beide
landen. Besloten werd tot het instellen van een Nederlandse Militaire Missie
die voor een periode van drie jaar Indonesië zou bijstaan in het trainen
en opbouwen van de defensie. Op
economisch gebied bleef Nederland onverminderd dominant in de postkoloniale
relatie, die daardoor met recht als neokoloniaal bestempeld kan worden.
Toen
alle problemen leken te zijn opgelost, dreigde de kwestie-Nieuw-Guinea alsnog
voor problemen te zorgen. De Nederlandse regering toonde zich niet bereid
Nieuw-Guinea bij de soevereiniteitsoverdracht te betrekken. Zij kon ook niet anders, omdat het
parlement in dat geval niet met de vereiste tweederde meerderheid zou instemmen
met het eindakkoord. Volgens de meerderheid in de Tweede Kamer mochten de
onderontwikkelde bewoners van Nieuw-Guinea, de Papoea’s, niet aan
Indonesië worden ‘overgeleverd’, omdat zij nog niet in staat
waren te beslissen over hun toekomst. Volgens de politicoloog Arend Lijphart in
zijn Trauma of Decolonization: The Dutch
and West New Guinea wogen psychologische factoren echter het zwaarst bij
het Nederlandse besluit tot behoud van Nieuw-Guinea. Voor Nederland was de
schok van het gedwongen verlies van Indonesië zo groot, dat het trauma
verzacht diende te worden met het behoud van Nieuw-Guinea dat een deel van het
vroegere Nederlands-Indië was.
Op die manier waande Nederland zich nog altijd een middelgrote koloniale
mogendheid met bezittingen in diverse delen van de wereld. Voor de Indonesische
delegaties was het behoud van Nieuw-Guinea door Nederland echter onacceptabel.
Om uit de patstelling te geraken werd besloten dat de status van Nieuw-Guinea
voorlopig onbeslist zou blijven en het gebied voorlopig onder Nederlands
bestuur bleef. Binnen een jaar na de bewindsoverdracht zou naar een definitieve
oplossing worden gezocht.
‘Indië
verloren, rampspoed geboren’
Op 27
december 1949 droeg Nederland officieel de soevereiniteit van
Nederlands-Indië over aan de Republiek der Verenigde Staten van
Indonesië. Het was voor de
meeste Nederlanders moeilijk zich een toekomst zonder de Nederlandse overzeese
bezittingen in de Oost voor te stellen. ‘Indië verloren, rampspoed
geboren’ was een uitspraak die voor velen een grote realiteitswaarde had.
Nederland had het gevoel internationaal in economisch en politiek opzicht terug
te vallen tot ‘de rang van Denemarken’. Een welhaast nog grotere
rol in het koesteren van de band met Indonesië speelden emotionele
motieven. Velen ontleende hun psychologische eigenwaarde aan het bezit van
Nederlands-Indië. Zo waren veel Nederlanders er voorts nog altijd van
overtuigd dat zij geroepen waren de kolonie te leiden en te besturen en dat zij
hun taak eenvoudig niet mochten opgeven; dat zij Indonesië niet mochten
‘abandonneren’.[4]
Het werk was nog niet volbracht. Kortom, de overtuiging heerste dat
Indonesië vooralsnog niet op eigen benen kon staan en Nederland nog altijd
nodig had.
Hoewel
menigeen in Nederland zich een toekomst zonder Indië niet kon indenken,
deerde de dekolonisatie van Indonesië Nederland achteraf economisch
nauwelijks. Tot 1957 bleef het Nederlandse bedrijfsleven even actief in
Indonesië als voorheen en veranderde er in economisch opzicht wezenlijk niet
zo veel. Sterker nog: tussen 1950 en 1970 maakte Nederland een periode van
ongekende economische bloei door. Als gevolg van het staatsrechtelijke verlies
van Indië zag Nederland zich bovendien gedwongen te heroriënteren.
Dank zij het Marshallplan, de industrialisatie en de Europese Economische
Gemeenschap, wist de Nederlandse economie zich gaandeweg los te maken van
Indonesië en zich uitstekend aan de nieuwe situatie aan te passen.
Nederland werd een actieve deelnemer aan de economische en later ook politieke
eenwording van Europa. Met Indonesië zou dit minder enthousiast zijn
gebeurd.
Met
de soevereiniteitsoverdracht verdween Indonesië ook als thema dat het
Nederlands buitenlands beleid sterk had gedomineerd. Nederland richtte zich
steeds meer op de integratie van Europa en de Noord-Atlantische
Verdragsorganisatie (NAVO). Feit was overigens dat Indonesië zich in zijn
commerciële betrekkingen ook steeds meer ging heroriënteren op
Azië en dat de economische band met Nederland navenant in belang afnam. De
hamvraag was nu of beide landen er in zouden slagen om ondanks alle conflicten
in de periode 1945-1949 een nieuwe samenwerking op vriendschappelijke leest,
alsmede die van gelijkwaardigheid zouden kunnen schoeien, of dat de oude
koloniale sentimenten en geschilpunten een rol zouden blijven spelen.
De
aanzet tot een nieuw begin
Nederland
was maar al te graag bereid bijstand te verlenen en de vooruitzichten op een
nieuwe samenwerking leken aanvankelijk positief. ‘Wij aanvaarden van
ganser harte de bijstand van andere volken, in het bijzonder het Nederlandse
volk, dat kundig en ervaren is en dat de oprechte wens koestert ons volk te
helpen’, stelde de sultan van Jogyakarta, tevens ministers van Defensie
in het kabinet-Hatta (1949-1950) van het zelfstandige Indonesië. Ook in Nederlandse
progressieve kring ging men ervan uit dat Indonesië vooralsnog niet zonder
Nederlandse deskundigen kon en bereid was de Nederlandse hulp te aanvaarden. In
het kabinet manifesteerde zich in feite het aloude moralistisch messianisme: de
gedachte dat Nederland een speciale taak had in Indonesië. In
werkelijkheid bleek Indonesië echter snel genoeg te hebben van de
Nederlandse ‘assistentie’. De uitgebreide samenwerking die
Nederland via de Unie beoogde werd door Indonesië als bemoeizuchtig
ervaren en stuitte op Indonesische weerstand. De Unie werd zodoende een
mislukking.
Enkele
hoge ambtenaren en politici zoals H.N. Boon, secretaris-generaal van het
Ministerie van Buitenlandse Zaken, en J.de Kadt, partij-ideoloog van de Partij
van de Arbeid (PvdA), waren op voorhand al bevreesd dat Nederland niet in staat
zou zijn tot een strikt zakelijke relatie met Indonesië gebaseerd op
overeenstemming van belangen, maar vanuit de oude koloniale traditie emotioneel
gefixeerd zou blijven op het land Indonesië. Zij kregen gelijk. Aan
Nederlandse kant bestond bij bepaalde groepen, onder andere bij de Indische
Nederlanders en het Nederlandse bedrijfsleven met grote belangen in
Indonesië, een diep neokoloniaal ressentiment. Men had formeel dan wel
gedekoloniseerd, maar geestelijk echter niet. Koloniale rancunes hadden de
soevereiniteitsoverdracht niet voor niets bijna verhinderd. Slechts door
Nieuw-Guinea buiten de overdracht te houden, had het kabinet de regeringspartij
Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) over de streep kunnen trekken en
zo een echec kunnen voorkomen. De aloude bemoeienis c.q. interventiezucht bleek
ook in politiek opzicht na 1949 nog springlevend. De betrekkingen met
Indonesië werden dan aanvankelijk ook niet ondergebracht bij het ministerie
van Buitenlandse Zaken, maar bij het ministerie dat in feite een voortzetting
was van het ministerie van Overzeese Gebiedsdelen, namelijk dat van Uniezaken
en Overzeese Rijksdelen. Het Hoge Commissariaat in Jakarta leek de Nederlandse regering
eveneens een geschikt instrument ter bevestiging van de ‘speciale
band’ tussen Nederland en Indonesië. Het viel althans een jonge
Nederlandse diplomaat op hoezeer Den Haag zich leek zich vast te klampen aan de oude,
bemoeizuchtige tradities en hoezeer de instructies uit Den Haag paternalistisch
van toon waren en zodoende afstaken bij de diplomatieke gang van zaken die
tussen onafhankelijke staten gebruikelijk is.
Ook
in Indonesië speelden oude, anti-Nederlandse gevoelens op. Het
revolutionaire elan was nog lang niet verdwenen. De Indonesische regering wilde
zich zo snel mogelijk ontdoen van de als knellend ervarende banden met
Nederland en geheel vrij zijn om een eigen weg te bewandelen zonder bemoeienis
van het ex-moederland. Zo wilde de Republiek als belangrijkste Indonesische
deelstaat van de federale opzet af.
Deze constructie stond haaks op de zo gekoesterde eenheidsgedachte en
werd als een instrument gezien waarmee Nederlandse invloed werd gecontinueerd.
Vrijwel direct na de soevereiniteitsoverdracht kwam dan ook een antifederale
beweging op gang, met als gevolg dat de deelstaten zich ophieven en
Indonesië op 15 augustus 1950 de eenheidsstaat alsnog proclameerde. De
liquidatie van de deelstaten viel in brede kring in Nederland uitermate slecht. Het werd als een inbreuk op de
RTC-akkoorden gezien.
De
kwestie-Nieuw-Guinea
In de
daaropvolgende jaren verslechterende de situatie voor Nederland in
Indonesië, zowel op economisch als politiek gebied. Soekarno’s
hoofddoel was het smeden en in stand houden van de eenheid van de natie en het
scheppen c.q. herstellen van een nationale eenheid (’nation building’). Hij predikte de voortdurende revolutie. Hij gebruikte zijn
revolutionaire ideologie voor het verzoenen van tegenstellingen, het bewaren
van de eenheid van het land en het vergroten van zijn leiderschapspositie. Een andere, niet onbelangrijke factor
was verder dat deze ideologie ertoe bijdroeg de aandacht af te leiden van
ongunstige binnenlandse politieke en sociaal-economische ontwikkelingen. De
Indonesische revolutionairen weigerden minder dan honderd procent ‘merdeka’
(onafhankelijkheid) voor het gehele grondgebied van het voormalige
Nederlands-Indië te accepteren. De
inzet van Soeharto’s revolutionaire ideologie werd Nieuw-Guinea, dat
Nederland zich na het mislukken van de onderhandelingen over de status van het
gebied in december 1950 blijvend had toegeëigend. Soekarno wenste dit
ontbrekende deel van Indië in de schoot van de Indonesië terug te
voeren. De controverse rondom de Nieuw-Guinea kwestie misten haar effect niet.
De anti-Indonesische gevoelens in Nederland die zich projecteerden op Soekarno
ontlaadden zich in een zich steeds krampachtiger vastklampen aan Nieuw-Guinea.
Na het verlies van Indonesië wenste men ten aanzien van Nieuw-Guinea
Soekarno niet opnieuw zijn zin te geven. In Indonesië groeide op hun beurt
de anti-Nederlandse gevoelens, die bewust door de nieuwe president werden
aangewakkerd. Voor beide partijen werd dit eens zo desolate gebied al met al
inzet, symbool en geloofsartikel van nationaal eergevoel.
Zowel
in Indonesië als in Nederland was het niet langer een koele en zakelijke
afweging van belangen en perspectieven op lange termijn die het beleid
bepaalden, maar hoog oplopende emoties, morele verontwaardiging en een
toenemende overtuiging dat men gelijk had. De jaren vijftig liepen dan ook
geleidelijk uit op een fataal escalatieproces. Toen in 1955-56 op initiatief
van Indonesië in Genève een conferentie werd belegd om de relaties
op alle fronten door te lichten en te verbeteren, weigerde Nederland de
kwestie-Nieuw-Guinea te bespreken.[5]
De Indonesische onderhandelaars die dit probleem de hoogste prioriteit
toekenden, zegden daarop de toch al doodgebloede Nederlands-Indonesische Unie,
alsook de financieel-economische onderdelen van de RTC-akkoorden, op. In
1957-58 kwam vervolgens een einde aan de Nederlandse economische dominantie. In
het kader van de Nieuw-Guinea-campagne werden de Nederlandse ondernemingen in
‘spontane’, door communistische vakbonden geleide acties bezet en
vervolgens onder beheer gesteld van het Indonesische leger en het jaar daarop
genationaliseerd. Het gebruik van de Nederlandse taal was intussen verboden.
Voorts werden alle wetenschappelijke banden verbroken. Het resultaat was een
Nederlandse exodus eind 1957, begin 1958. In
een sfeer van toenemende intimidatie en discriminatie werden de Indische
Nederlanders gedwongen naar een moederland te vertrekken dat velen van hen nog
nooit hadden gezien. Het psychologisch klimaat tussen Nederland en
Indonesië was al met al zeer vijandig geworden. In Nederland werd
Indonesië taboe en was Soekarno een scheldnaam geworden. Deze dramatische
ontwikkeling leidde in augustus 1960 vervolgens tot de verbreking van de
diplomatieke betrekkingen van Indonesische zijde en een dreigende oorlog om
Nieuw-Guinea. Duizenden Nederlandse dienstplichtigen werden in de loop van
1961-
Intussen
had de Nederlandse regering reeds te kennen gegeven van het Nieuw-Guinea
probleem af te willen door een (overigens mislukt) voorstel in te dienen bij de
VN om het gebied onder VN-supervisie te plaatsen. Het zelfbeschikkingsrecht van
de Papoea-bevolking kwam daarbij centraal te staan.[6]
De Nederlandse publieke opinie had van Indonesië, en ook van Nieuw-Guinea,
inmiddels meer dan genoeg en wilde over het algemeen niet dat Nederlandse
militairen sneuvelden omwille van de Papoea’s. Onder Amerikaanse bemiddeling, die een
nieuwe Koude Oorlog brandhaard in Azië wilde voorkomen, kwam er tussen
Nederland en Indonesië tenslotte begin 1962 toch diplomatiek overleg op
gang. Nederland ging, onder druk van de VS, op 15 augustus 1962 morrend
overstag en droeg het betwiste gebied aan de VN over, waarna de overdracht aan
Indonesië op 1 april 1963 plaats vond. De enige Indonesische concessie was
de belofte van een volksraadpleging onder de Papoea’s over hun
staatsrechtelijke toekomst. Dit plebisciet diende plaats te vinden onder
VN-toezicht.
De
periode 1949-1962 - Een
tussenbalans
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog kon Nederland
maar moeilijk afstand doen van Nederlands-Indië. Het gewelddadige
scheidingsproces gedurende de jaren 1945-49 vormt een mooi voorbeeld van de met
dekolonisatie gepaard gaande emoties. De RTC, waarin de voorwaarden voor de
soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië werd uitonderhandeld, droeg
reeds de kiem van een nieuw conflict in zich. Nederland hield op irrationele
gronden Nieuw-Guinea buiten de soevereiniteitsoverdracht, drong Indonesië
een Unieverband op en behield zijn overheersende positie op economisch gebied.
Het merendeel van de Nederlanders bleef Indonesië zien als een nog niet
volwassen kind dat nog steeds begeleid diende te worden. Deze paternalistische
houding wijzigde zich ook na de soevereiniteitsoverdracht niet. De betrekkingen
met Indonesië werden ondergebracht bij het Ministerie van Overzeese
Gebiedsdelen, zij het in een nieuw jasje, en ook de opzet van het Hoge
Commissariaat in Jakarta deed nog steeds koloniaal aan. Opvallend is hoezeer de
instructies uit Den Haag in toon en inhoud afweken bij hetgeen tussen
onafhankelijke staten gebruikelijk was. Hier lag een sterk paternalistische
visie ten aanzien van Indonesië aan ten grondslag.
De
Indonesische opvatting stond lijnrecht tegenover de Nederlandse houding. De
voormalige kolonie wenste gevrijwaard te zijn van elke Nederlandse bemoeienis
en wilde geheel op eigen benen staan zonder Nederlandse ‘adviezen’.
Het struikelblok bij uitstek vormde de federale opzet van het nieuwe
Indonesië. Deze constructie stond haaks op de al die tijd zo gekoesterde
eenheidsgedachte en werd als een instrument gezien waarmee Nederlandse invloed
werd gecontinueerd. Vrijwel direct na de soevereiniteitsoverdracht kwam een
antifederale beweging op gang, met als gevolg dat Indonesië in augustus 1950
de eenheidsstaat proclameerde. Soekarno predikte daarbij de continue revolutie;
voor hem had de Indonesische staatsvorming de hoogste prioriteit. Zijn
hoofddoel was het hechten en smeden van de eenheid van de natie middels het
versterken van het nationalisme, oftewel nation
building. Het aanwakkeren van het Indonesische revolutionaire elan en het
nationalisme was een bewuste strategie om dit doel te bereiken. Nieuw-Guinea nam in dit proces een
centrale plaats in en Soekarno wenste dit gebied koste wat het kost in de
schoot van de Republiek Indonesië terug te voeren. Nederland had zich
echter openlijk gecommitteerd aan het principe van zelfbeschikking voor de
Papoea’s en weigerde om principiële en emotionele redenen
Indonesië met betrekking tot Nieuw-Guinea tegemoet te komen. Voor beide
partijen was dit eens zo desolate gebied inzet, symbool en geloofsartikel
geworden van hun beleid.
De
Nederlandse anti-Indonesische gevoelens ontlaadden zich in een zich steeds
krampachtiger vastklampen aan Nieuw-Guinea. Voor Jakarta ging het er juist om
de Nederlandse aanwezigheid in het land tot een minimum te beperken. De
belangrijkste drijfveer was dan ook niet zozeer alleen anti-Nederlandse
sentimenten, maar vooral nationalisme. Zowel in Indonesië als in Nederland
was het niet langer een koele en zakelijke afweging van belangen en
perspectieven op lange termijn die het beleid ten opzichte van elkaar bepaalde.
Hoog oplopende emoties, morele verontwaardiging en een toenemende overtuiging
dat men gelijk had domineerden de bilaterale politiek. De patstelling inzake
Nieuw-Guinea resulteerde in een mislukking van de conferentie van Genève
in 1956. Indonesië zegde de toch al doodgebloede Nederlands-Indonesische
Unie alsook de financieel-economische onderdelen van de RTC-akkoorden. De
overname van Nederlandse bedrijven
en de nationalisatie van deze bedrijven in 1957 als gevolg van een uit de hand
gelopen Nieuw-Guinea campagne betekende de
uiteindelijke voltooiing van de economische dekolonisatie. Deze
dramatische ontwikkeling leidde in augustus 1960 tot de verbreking van de
diplomatieke betrekkingen door Soekarno en dreigde uit te lopen op een
dreigende grootscheepse oorlog om het betwiste gebied. Na de nationalisatie van
de Nederlandse bedrijven had de Indonesische regering geen ander pressiemiddel
meer om Nederland tot afstand van Nieuw-Guinea te bewegen dan geweld. Nederland
was op militair gebied te zwak en kon niet op steun van andere bondgenoten
rekenen. In augustus 1962 zag de Nederlandse politiek zich onder druk van de VS
gedwongen de kolonie af te staan. Indonesië had zijn zin gekregen en
uiteindelijk viel het Indonesisch grondgebied samen met dat van het voormalig
Nederlands-Indië. De dekolonisatiestrijd was daarmee formeel voltooid.
Slotsom
Aan beide zijden speelden psychologische en
irrationele motieven een zeer belangrijke rol in deze periode. Aan Nederlandse
zijde ontbrak het vermogen het verlies van Nederlands-Indië te verwerken.
Als troost wenste men Nieuw-Guinea te behouden. De kracht van het Indonesische
nationalisme werd daarbij bovendien onvoldoende onderkend. Nederland was niet
in staat zijn koloniale mentaliteit los te laten en Indonesië, in de
persoon van Soekarno, als gelijke
te accepteren. Meerdere keren werd door het Hogere Commissariaat weliswaar in
deze jaren benadrukt dat Nederland alleen een blijvende positie in
Indonesië kon behouden indien het meer aan de wensen van Indonesië
tegemoet zou komen en rekening diende te houden met de Indonesische
nationalistische gevoelens. Het
ontbrak de Nederlandse regering echter aan realiteitszin en het vermogen zich
emotioneel te schikken naar de nieuwe verhouding. Egocentrisch altruïsme
ten opzichte van de Papoea’s en gefrustreerd nationalisme overheersten.
De periode 1949-1962 kan dan ook in emotioneel opzicht gezien worden als een
voortzetting van het koloniale verleden. Objectieve en rationele motieven,
zoals bijvoorbeeld economische belangen, kunnen het krampachtig vasthouden aan
Nieuw-Guinea niet verklaren. Van een rationele kosten-batenanalyse was geen
sprake. Integendeel. Nieuw-Guinea kostte Nederland financieel veel meer dan het
opleverde. De geschatte verliezen door de nationalisaties bedroegen alleen al
vier miljard gulden. De werkelijke redenen tot het behoud van Nieuw-Guinea
moeten dan ook, zoals Lijphart heeft aangetoond, gezocht worden in subjectieve,
irrationele motieven.
Emoties
speelden ook aan Indonesische zijde een sterke rol. Indonesië vertoonde
eveneens symptomen die duidden op een doorwerking van koloniaal verleden in de
vorm van een minderwaardigheidsgevoel dat resulteerde in een overgevoeligheid
voor alles wat naar bemoeienis van Nederlandse zijde zweemde en de
eenheidsgedachte in de weg stond. Dit resulteerde in een overreactief en
hypersensitief beleid jegens het voormalige moederland. Gevoed vanuit het
nationalisme ging het Jakarta erom de Nederlandse aanwezigheid tot een minimum
te beperken. De behoefte aan het nemen van eigen beslissingen was zo groot, dat
vrijheid en onafhankelijkheid de hoogste prioriteit kreeg en verabsoluteerd
werden ten koste van het staatsbelang. De oplopende ruzie met Nederland
schaadde de Indonesische economie echter enorm. Elke bemoeienis die deze drang
belemmerde werd gezien als een inbreuk op de net verworven soevereiniteit. Zo
werd het vasthouden van Nederland aan Nieuw-Guinea al met al een groot
struikelblok in de bilaterale verhoudingen tussen beide landen De emoties liepen tenslotte zo hoog op
dat de VS er aan te pas diende te komen om een oorlog te voorkomen en een oplossing
af te dwingen die met name voor Nederland, en speciaal de Papoea’s,
nadelig uitpakte.
Al met al
kan de periode 1949-1962 feitelijk als een nasleep worden gezien van de
dramatische periode 1945-1949. Beide landen keerden elkaar bijna op elk terrein
de rug toe. Pas na 1962 werd de weg langzaam vrij gemaakt voor een
(ogenschijnlijke) normalisatie van de betrekkingen. In hoofdstuk drie zal nader
worden ingegaan op de Nederlands-Indonesische betrekkingen in de periode 1962 tot 1992.
3: VAN
SAMENWERKING TOT BREUK
De
algemene Nederlands-Indonesische betrekkingen 1962 - 1992
In hoeverre
de koloniale tijd de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Indonesië
van 1962 tot 1992 heeft beïnvloed, wordt in dit hoofdstuk nader
uiteengezet. De zogeheten ‘affaire Pronk’ in maart 1992 neemt
hierin een centrale plaats in, daar in de literatuur over het algemeen wordt
gesteld dat de wederzijdse betrekkingen sindsdien zijn ontdaan van alle
neokoloniale restanten en daadwerkelijk zijn genormaliseerd.
Opbouw
en samenwerking
Ten tijde
van het Akkoord van New York van 15 augustus 1962, waarbij Nieuw-Guinea aan
Indonesië werd afgestaan, verklaarde de Nederlandse hoofdonderhandelaar H.
J. van Roijen dat ‘het geschil tussen Nederland en Indonesië over
Nieuw-Guinea dat al veel te lang geduurd had eindelijk bijgelegd zou
zijn.’ Van Roijens hoop leek
bewaarheid te worden. Na alle hoog opgelopen emoties verbaasde menig
buitenlandse waarnemer zich over de gretigheid waarmee beide landen een nieuwe
start maakten. Aan Nederlandse kant was het enthousiasme groot en er was een
sterke drang aanwezig bij betrokken ambtenaren en ministers om een einde te
maken aan het wat Lijphart noemt het ‘trauma of decolonization’.[7]
Ook aan Indonesische kant was er sprake van een oprechte belangstelling de
relatie te verbeteren. ‘De Nederlanders staan ons nader dan welk volk
ook, nader zelfs dan de Aziatische volken’, verklaarde minister van
Buitenlandse Zaken, Adam Malik (1966-1977), zelfs. Een opmerkelijke uitspraak,
gezien de felheid waarmee Indonesië in de voorgaande jaren de confrontatie
met Nederland was aangegaan.
Dat de realisatie van deze goede
intenties in de praktijk weerbarstig was, werd echter al gauw duidelijk.
Ondanks dat de Nederlandse regeringsnota uit 1963 over het
Indonesië-beleid nieuw geïntensiveerde samenwerking aankondigde en
daarin een belangrijke rol voor Nederland zag weggelegd, bood de economische
situatie in Indonesië daarvoor weinig kansen. Ook bleek dat een belangrijk
deel van de Nederlandse ondernemers weinig vertrouwen had in Indonesië,
mede door de nationalisaties van 1958 en het uitblijven van een
schadevergoeding. De sceptische houding van de pers en de publieke opinie
maakten tevens duidelijk dat Nederland zich in de voorgaande periode van
Indonesië had afgewend. De pogingen van de Nederlandse regering tot hernieuwde
samenwerking met Indonesië stonden vooralsnog op een laag pitje en konden
medio 1963-64 nauwelijks op brede respons rekenen. Bij het ministerie van
Financiën en Economische Zaken bestonden tevens gemengde gevoelens. Enerzijds zag men de economische mogelijkheden die
Indonesië bood, anderzijds realiseerde men zich goed dat beide landen uit
elkaar waren gegroeid. Een brede stroming binnen
de Nederlandse regering vond dan ook dat alvorens er kon worden samengewerkt,
de oude financiële vraagstukken dienden te worden geregeld. Per slot van rekening had Nederland voor miljarden
aan verlies geleden bij de nationalisaties van 1958. ‘Voor wat hoort
wat’ (‘quid pro quo), was
het credo dat binnen de Nederlandse regering werd gehoord. Minister van
Buitenlandse Zaken, J.M.A.H. Luns (1952-1971), was een van hen.
Ook
aan Indonesische kant liepen de zaken stroever dan dat men deed voorkomen. De
Indonesische regering was zich er van bewust dat de schulden een gesprekspunt
zouden vormen en het idee dat Indonesië alsnog voor de nationalisatie
diende te betalen, veroorzaakte diepe verontwaardiging. In juli-augustus 1964
bezocht Luns Indonesië om de schuldenregeling te bespreken. De
Indonesische delegatie erkende uiteindelijk morrend dat Nederland inderdaad
recht had op een vergoeding voor de nationalisaties, al wilde ze dat liever
niet expliciet zeggen. Het in de regeling opgesloten ‘quid pro quo’ was dan ook voor
beide landen een zaak van welbegrepen eigenbelang. Een schuldenregeling was in
Indonesische ogen een mogelijkheid om economische voordelen los te krijgen, het
land schreeuwde namelijk om krediet. De financiële wereld zou immers geen
krediet verstrekken, zolang Indonesië zijn financiële verplichting
jegens Nederland niet was nagekomen. Nederland beschouwde het van zijn kant als
een hefboom om de financiële tegoeden geregeld te krijgen.[8]
Dat
het overleg toch vast liep, kwam uiteindelijk doordat de Indonesiërs van
de hoogte van de werkelijke schuldvordering (1260 miljoen gulden)
terugschrokken. Vooralsnog bleek
dat zolang Soekarno aan het bewind bleef het
politiek-diplomatieke klimaat niet erg geschikt was voor verdere ontwikkeling
en intensivering van de betrekkingen en het oplossen van het financiële
vraagstuk.
Soeharto:
een nieuwe start
Op 1
oktober 1965 luidde een mislukte coup van linkse militairen in Indonesië
echter een ‘stille burgeroorlog’ in, waarbij alles wat
‘links’ was werd uitgeschakeld en waarbij Soekarno geleidelijk het
veld ruimde voor generaal Soeharto. In 1967 werd Soeharto vice-president en in
1968 nam hij het presidentschap over. Soekarno werd alle macht ontnomen en
onder huisarrest geplaatst. Het vertrek van Soekarno werd in Nederland over het
algemeen positief ontvangen. Ondanks de herstelde diplomatieke relaties had
Soekarno in brede kring een negatief aureool: hij was het symbool van het
verlies van Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea op wie zich allerlei
Nederlandse frustraties concentreerden. Ook in Indonesië zelf werd
Soekarno synoniem met ‘bad
governance’. Hij had met zijn antiwesterse koers zijn land op de rand
van de economische afgrond gebracht. De machtsovername door Soeharto betekende
evenwel een radicale koersverandering, waarbij Indonesië zich afwendde van
linkse, revolutionaire regimes als de Sovjet-Unie en China. Het nieuwe bewind
ging samenwerken met Westerse landen en Japan teneinde uit de desastreuze
financiële en economische toestand te geraken. Het Westen - en zo ook
Nederland - stond hier zeer welwillend tegenover. In Nederland heerste de
overtuiging dat men een gouden kans had om conform de nota van 1963 weer een
rol in Indonesië te spelen en ook internationaal aan de weg te timmeren.
Soeharto werd daarbij gezien als een belangrijke partner in de strijd tegen het
oprukkend communisme in Azië. De periode 1965-1968 stond dan ook in het
teken van het herstellen van de diplomatieke betrekkingen en toenadering tussen
Nederland en Indonesië.
Voor
de wederopbouw van Indonesië was het van het grootste belang dat er
buitenlands geld beschikbaar zou komen en dat er zaken konden worden gedaan met
de Wereldbank (WB) en het Internationale Monetaire Fonds (IMF). Een regeling
van de immense schulden aan diverse Westerse landen stond daarbij voorop. De
belangrijkste stap daartoe werd gezet toen Jakarta verschillende missies naar
een aantal Westerse hoofdsteden stuurde om daarover te discussiëren. Zo
reisde een Indonesische delegatie in september 1966 met de meest betrokken
Indonesische ministers en de sultan van Jokyakarta naar Den Haag om te
onderhandelen met een soortgelijke Nederlandse delegatie aangevoerd door Luns.
Het stond bij voorbaat vast dat Indonesië tot vrijwel iedere prijs bereid
was tot een oplossing te komen omtrent de schuldenregeling, opdat de
economische plannen van Indonesië van de grond zouden komen. Andere landen
hadden Nederland toegezegd Indonesië niet financieel te steunen alvorens
er een financiële regeling getroffen was met betrekking tot de schuld van
Indonesië aan Nederland. Minister van Ontwikkelingssamenwerking, Th. H.
Bot (Kabinet-Cals, 1965-1967), zag de hele ontwikkeling in april 1966 als een
gouden kans om de positie die Nederland na de soevereiniteitsoverdracht had
willen bekleden alsnog te realiseren. Bot, de vader van de huidige minister van
Buitenlandse Zaken, wenste de nieuwe mogelijkheid volop aan te grijpen om als
gangmaker op te treden van een multilaterale club voor de schuldsanering van
Indonesië. Daartoe zou hij de ideeën van quid pro quo laten vallen en een bilaterale schuldenregeling werd
van minder groot belang geacht. Op 5 tot 7 september 1966 werden de
onderhandelingen tussen Luns cum suis en de sultan en zijn delegatie gevoerd.
De besprekingen liepen moeizaam, maar uiteindelijk bereikte men op 7 september
toch overeenstemming. Nederland deed het meeste water bij de wijn. De
miljardentegoeden werden gereduceerd tot 600 miljoen gulden. Het doel van de
overeenkomst was dat de Indonesische regering het genoemde bedrag van 600
miljoen Nederlandse gulden vermeerderd met 1% rente, in dertig jaar tijd diende
terug te betalen. Middels deze overeenkomst werden alle bestaande financiële
vraagstukken geacht volledig en definitief te zijn geregeld.
De
genoemde schuldenovereenkomst tussen Nederland en Indonesië werd de
leidraad voor twee conferenties van Indonesische crediteuren, welke plaats
vonden in Tokio en Parijs eind 1966. Daar werd besloten dat er een conferentie
van potentiële hulpverlenende landen zou worden gehouden. Op verzoek van Indonesië, en met
krachtige steun van de VS, riep Nederland in februari en juni 1967 een
internationale hulpconferentie bijeen om afspraken te maken over de Westerse
financiële hulp aan Indonesië. Resultaat van het initiatief was dat
onder voorzitterschap van Nederland de Inter
Governmental Group on Indonesia
(IGGI) werd opgericht. Het was op uitdrukkelijk Indonesisch verzoek dat
Nederland gevraagd werd als voorzitter op te treden. De IGGI was een groep van
zestien landen aan wie Indonesië grote schulden had en vier internationale
organisaties (de Wereldbank, het International Monetair Fonds, de Aziatische
Ontwikkelingsbank en het Ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties) die allen
(ontwikkelings)hulp boden aan Indonesië. De nieuwe heroriëntatie met
betrekking tot ontwikkelingssamenwerking, de zogenaamde drive naar de Derde
Wereld, kreeg Nederland onder de ministers B.J. Udink (Kabinet de Jong,
1967-1971), C. Boertien (Kabinet Biesheuvel, 1971-1973) en J.P. Pronk (Kabinet
Den Uyl, 1973-1977, Kabinet Lubbers, 1989-1998) in zijn greep. Het aloude messianisme bleek ineens weer
springlevend te zijn. Binnen de
grootscheepse ontwikkelingsinspanningen van Nederland ten opzichte van de Derde
Wereld vormde Indonesië een van de speerpunten.
De
IGGI was van groot belang bij het beleid van economische opbouw en herstel dat
Indonesië in gang zette. Het geheim van het succes was een strikt
economisch-technocratische toonzetting. De IGGI was vooral een
ontwikkelingsplatform en geen politiek instrument, hetgeen een efficiënt
functioneren ten goede kwam. De relatie tussen de IGGI en Indonesië was
bovendien geënt op overleg tussen gelijkwaardige partners. Het Nederlandse
voorzitterschap speelde hierbij een belangrijke rol. Het droeg een sterk
bemiddelend karakter, wat gezien de moeizame relaties in het verleden niet
verbazingwekkend was. Emotionele opvattingen en overwegingen van bilaterale
aard liet Nederland in de beginfase nauwelijks doorklinken. Den Haag wenste niet te bemoeizuchtig
over te komen en waakte te vervallen in oude begane fouten. Nederland had
kortom leergeld betaald. In terugblik kan men vaststellen dat de IGGI een
succes is geworden en dat Nederland met het voorzitterschap aanzien had
verworven.
Ontwikkelingssamenwerking
Tussen 1968
en 1974 werden de eerste fundamenten gelegd voor hernieuwde culturele
samenwerking. Een essentiële rol was hierin weggelegd voor het in 1970
opgerichte Nederlands cultureel centrum in Jakarta, het Erasmushuis. Nederland
ontwikkelde zich in snel tempo tot een vooraanstaand internationaal centrum in
Indonesië: een niet onbelangrijk gegeven, omdat de
Indonesië-wetenschap in de VS en Groot-Brittannië juist een periode
van verval doormaakten. Illustratief voor de sterk verbeterde relaties waren de
wederzijdse staatsbezoeken in 1970 en 1971. Van 1 tot 4 september 1970 bracht
president Soeharto een staatsbezoek aan Nederland. Ondanks de hartelijke
ontvangst door het koningshuis werd het bezoek een mislukking. Als gevolg van
de bezetting van de Indonesische ambassade in Den Haag door Zuid-Molukse
jongeren werd het bezoek voortijdig afgebroken. De uitnodiging voor een
tegenbezoek bleef echter van kracht.[9]
Het tegenbezoek vond van 23 augustus tot 5 september 1971 plaats. Koningin Juliana was de eerste regerend Oranjetelg die
Indonesië een staatsbezoek bracht. De belangstelling van de Nederlandse en
Indonesische media was tijdens het gehele tiendaagse staatsbezoek
overweldigend. Juliana’s reis werd in Nederland en Indonesië
beschouwd als de bezegeling van de nieuwe, vriendschappelijke betrekkingen
tussen beide landen. Ook de persoonlijke relatie die prins Bernard opbouwde met
president Soeharto had een stabiliserend effect op de relatie tussen beide
landen. De nieuwe betrekkingen
werden door de ambassadeur van Nederland in Indonesië, H. Scheltema
(1968-1972), als volgt verwoord: ‘Door het bezoek van de prins en nu van
het koninklijk paar ter beantwoording van het bezoek van de president en
mevrouw Soeharto aan Nederland, is niet alleen de bestaande vriendschap tussen
beide landen en hun historische verbondenheid op indrukwekkende wijze tot
uitdrukking gebracht, maar is tevens een waarborg gegeven dat dit ook in de
toekomst bepalend zal zijn voor de betrekkingen tussen Nederland en
Indonesië.’
De
intensievere samenwerking op gebied van cultuur en wetenschap, maar vooral het
toenemend aantal bezoeken van Nederlandse politici en ministers aan
Indonesië in deze jaren werkten als een eye opener op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Soeharto
had immers alle kaarten gezet op de economische opbouw met behulp van Westerse
hulp en hierdoor kreeg Nederland ruim baan.[10]
Intussen was in Nederland aandacht voor de mensenrechten een van de
belangrijkste invalshoeken geworden van waaruit het buitenlands beleid werd
bekeken. Indonesië werd een van de landen die daarvan het effect merkte.
Het kabinet-Den Uyl (1973-1977) legde als eerste dan ook nadrukkelijk een
relatie tussen ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten als criterium voor
hulpverlening aan Indonesië. De druk van minister van
Ontwikkelingssamenwerking, J. Pronk, en minister van Buitenlandse Zaken, M. van
der Stoel (Kabinet Den Uyl, 1973-1977), op Indonesië werd nog groter toen
ook andere Westerse landen van hun bezorgdheid blijk gaven over de dubieuze
gang van zaken in de archipel in dit opzicht. Vanaf 1975 besloot de
Indonesische regering regelmatig aanzienlijke groepen gevangen, gearresteerd
kort na de coup van 1965 op verdenking van linkse sympathieën, vrij te
laten en resterende gevangenen te berechten. Het was een opmerkelijke omslag,
waarbij Westerse druk essentieel bleek en waarin Nederland een voortrekkersrol
speelde. Het redelijk succesvolle beleid betekende echter niet dat de grote
belangstelling voor de Indonesische mensenrechtensituatie in Nederland weg
ebde. In de jaren tachtig zouden het de ontwikkelingen in Oost-Timor en de
executies van voormalige communistische leiders zijn die de Nederlandse
aandacht trokken en grote gevolgen zouden hebben voor de relatie met
Indonesië.
De roep om sancties
De aanzet
tot Nederlands-Indonesische confrontatie in zake de mensenrechten werd gedaan
in 1975. Eind dat jaar besloot Indonesië te interveniëren in
Oost-Timor, dat een kolonie was van Portugal. Portugal, dat zich in 1974
bevrijdde van een militaire dictatuur, had Oost-Timor overhaast verlaten en op
28 december 1975 werd de Democratische Republiek Oost-Timor uitgeroepen door
het Frente Revolucionário de
Timor Leste (Fretilin), het Socialistische Revolutionaire Front. Het
gevolg was een burgeroorlog. Op 7 december 1975 vielen Indonesische troepen het
gebied binnen, omdat de Indonesische regering het Fretilin als een
communistische organisatie beschouwde. Daarop werd in juli 1976 Oost-Timor als
27e provincie door de Republiek Indonesië ingelijfd. Het Fretilin startte
vervolgens een gewapende verzetsstrijd tegen de Indonesische overheersing. In
de daarop volgende jaren vonden volgens mensenrechtenorganisaties 200.000
Timorezen de dood door geweld van het Indonesische leger, ondervoeding en
ziekten. De publieke wereldopinie keerde zich tegen de
mensenrechtenschendingen. De Indonesische onwettige toe-eigening van Oost-Timor
werd door de internationale gemeenschap ook niet erkend. Het Nederlandse
kabinet reageerde eveneens kritisch ten opzichte van de massale
mensenrechtenschendingen. Met name het grote aantal Timorezen dat gevangen werd
genomen op verdenking van sympathieën met het Fretilin riep
verontwaardiging op. De publieke opinie oefende dan ook forse druk uit op de
Nederlandse regering en het parlement om maatregelen te nemen tegen het
generaalsregime of zelfs sancties te treffen. De regeringspartijen bleven echter
voor samenwerking met Indonesië, al vond een meerderheid in het parlement
wel dat Nederland zich kritisch diende op te stellen en een actief
mensenrechtenbeleid diende te blijven voeren. Op deze wijze ontstond een
Indonesiëbeleid dat samenwerking op allerlei terreinen combineerde met
kritiek, zij het veelal indirect geuit via de weg van de ‘stille
diplomatie’ en goede persoonlijke relaties. Deze gecombineerde aanpak
bleek regelmatig succesvol, waarvan de vrijlating van de politieke gevangenen
het meest in het oog springende wapenfeit was.
Mensenrechten
als wapen
Vrijwel
parallel aan de euforie over de Aziatische groeieconomieën in deze periode
kregen de mensenrechten in Azië veel aandacht op menig buitenlandse
politieke agenda’s, zo ook op de Nederlandse met betrekking tot
Indonesië. Het bevorderen van mensenrechten en democratisering en het
voorkomen en aanpakken van gewapende conflicten vormden voor minister Pronk
essentiële taken van ontwikkelingssamenwerking. In een tweetal nota’s
Een wereld van geschil (1991) en Een
wereld in geschil (1994), probeerde hij zijn beleidsterrein te hervormen
tot een instrument om de hierin geformuleerde doelstellingen te bereiken. Met Een wereld van geschil gaf Pronk
uitdrukking aan zijn wens om de Noord-Zuidproblematiek weer hoog op de
politieke agenda te krijgen in een tijd waarin de aandacht voor die relatie was
verslapt door het einde van de Koude Oorlog en de val van de Berlijnse muur,
maar vooral in een tijd waarin sprake was van een afnemend draagvlak voor ontwikkelingsproblematiek.
Beschreven
is hoe in de loop der jaren zeventig, mede als gevolg van de stemming in de
media, een vrij krachtige stroming ontstond om Indonesië via sancties te
straffen vanwege de schending van de mensenrechten op grote schaal. Kritiek
werd geuit op de executies van voormalige participanten aan de coup van 1965.
Sinds het midden van de jaren tachtig had hun berechting regelmatig de
verontwaardiging opgeroepen van het Nederlandse parlement. Indonesië, dat
zich als gevolg van de economische groei sterk waande en steeds zelfbewuster
werd, trok zich van deze kritiek echter weinig aan en deed het af als een
ongewenste inmenging in binnenlandse aangelegenheden. Pas toen Pronk in 1990
naar aanleiding van nieuwe executies plannen tot hernieuwde financiële
hulp opschortte, nam Jakarta gas terug. Dreigen
met sancties leek succesvol te zijn.
Pronk
legde tijdens een van zijn werkbezoeken aan Indonesië in 1991 als de
voorzitter van de IGGI een dermate activistisch-kritische houding aan de dag,
dat het hem een stortvloed aan Indonesische kritiek opleverde en de bijnaam,
‘inspecteur-generaal der Indische bezittingen‘ toebedeeld kreeg.
Bij de oudere generatie Indonesiërs riep de opgestoken vinger van de
voormalige blanke heerser irriterende herinneringen op aan de koloniale
periode. Met andere woorden, oude emoties kwamen weer aan de oppervlakte. Het
verleden bleek toch niet zo’n afgesloten hoofdstuk als werd gemeend.
Confrontatie
Dat het tot
een daadwerkelijke aanvaring kwam tussen beide landen, was echter vooral het
gevolg van Nederlandse parlementaire druk om Indonesië openlijk te
veroordelen om zijn mensenrechtenbeleid. De aanleiding hiervoor vormde het
bloedbad dat het Indonesische leger op 12 november 1991 op Oost-Timor
aanrichtte. Op die bewuste dag waren er zo’n 5.000 demonstranten op de
been op weg naar de Santa Cruz-begraafplaats, waar twee weken daarvoor de
onafhankelijkheidsstrijder S. Gomez was begraven. Indonesische militairen openden het vuur
zonder enige provocatie van Oost-Timorese kant. In september 1992 werd via een
onderzoek in Oost-Timor bekend dat er in totaal 273 mensen gedood werden bij
het incident en ook nog eens 255 Oost-Timorezen waren verdwenen.
De
verontwaardiging in de Nederlandse politiek over het optreden van de Indonesische
autoriteiten was groot. De gehele Tweede Kamer drong aan op strafmaatregelen
tegen de voormalige kolonie. Naar aanleiding van het gebeuren in Oost-Timor
besloot het kabinet de hulp aan Indonesië volledig op te schorten. Het was
geen unicum. Reeds tweemaal eerder in de Nederlands-Indonesische betrekkingen
had het Nederlandse parlement c.q. de regering hulp aan Indonesië
stopgezet. De eerste maal was in de jaren tachtig na de voorgenomen executie
van een aantal communistische leiders die sinds 1968 vast zaten, en wederom in
1990 toen Nederland 27 miljoen gulden aan ‘special assistance’ (extra hulp) opschortte na de executie
van opnieuw vier politiek gevangenen, 25 jaar na hun veroordeling.
Ondanks
het bloedbad in Oost-Timor besloten minister van Buitenlandse Zaken, H. van den
Broek (Kabinet Lubbers, I-III, 1982-1993),
en Pronk (Kabinet Kok II, 1998-2002) het overleg met Indonesië over
ontwikkelingshulp toch te heropenen. De verklaring van de Indonesische regering
om zelf een onderzoek in te zullen stellen naar de rol van het leger bij het
drama in Oost-Timor was daarvoor voldoende. Het onderzoek onder Indonesische
leiding leidde tot een kritisch rapport over het optreden van het leger en
enkele verantwoordelijke commandanten werden bestraft. Van Nederlandse zijde
werd daarop toegezegd dat nieuwe hulpprojecten weer mogelijk werden, maar ook
werd meegedeeld dat de kwestie Oost-Timor op de agenda zou komen te staan van
de eerstvolgende IGGI-conferentie.
Dit zinde Jakarta niet, die geen
openlijke schrobbering wenste. Kort daarop uitten president Soeharto en
de Indonesische minister van Buitenlandse Zaken, Ali Alatas, zich uitermate
kritisch over Nederland en lieten weten ‘technische problemen’ met
een nieuw overleg te hebben. De wens van Pronk om begin 1992 een bezoek te
brengen aan Atjeh om zich op de hoogte te stellen van schendingen van mensenrechten aldaar,
was de druppel die de emmer van ongenoegen voor Indonesië deed overlopen.
Als vertegenwoordiger van een ex-koloniale mogendheid die in deze provincie nog
veel erger tekeer was gegaan, had Pronk weinig recht van spreken vond de
Indonesische regering. ‘Als een natie die is geboren uit een
onafhankelijkheidsoorlog tegen haar koloniale heersers, welke ons honderden
jaren lang onze elementaire rechten ontnamen, hechtten wij groot belang aan
onze eer en onafhankelijkheid’, aldus Soeharto. De president noemde
‘elke poging van andere landen om hun waarden op te leggen aan
Indonesië een schending van de mensenrechten en de rechten van een soevereine
natie’. Alatas liet in een gesprek met Van den Broek en Pronk in Den Haag
weten dat Indonesië niet langer ontwikkelingshulp van Nederland zou
accepteren als daaraan voorwaarden met betrekking tot mensenrechten zouden
worden verbonden. Het Nederlandse
kabinet weigerde te wijken.
Op
25 maart 1992 (de 45ste verjaardag van het akkoord van Linggadjati)
besloot de Indonesische regering als symbolische daad de ontwikkelingsrelatie
volledig te verbreken en de IGGI, de groep van zestien landen en vier
internationale organisaties die ontwikkelingshulp boden aan Indonesië, te
vervangen door een nieuwe groepering, de Consultative
Group on Indonesia (CGI), die niet langer onder Nederlands voorzitterschap
stond.
‘Nederland
gebruikt ontwikkelingshulp als werktuig van intimidatie en als instrument om
Indonesië te bedreigen’. Met
deze mededeling begon de officiële verklaring van de Indonesische regering
op de 25e maart 1992. Jakarta zag Nederland als de
kolonisator-nieuwe-stijl die de ex-kolonie zijn eisen oplegde ten aanzien van
mensenrechten. Indonesië wilde dan ook geen cent ontwikkelingshulp meer
van Nederland, omdat Pronk dat te vaak als machtsmiddel zou hebben gebruikt om
verbeteringen ten aanzien van de mensenrechten af te dwingen.
’Indonesië heeft er genoeg van dat Nederland roekeloos gebruik maakt
van ontwikkelingshulp als een instrument van intimidatie en als gereedschap
voor dreigementen aan het adres van Indonesië’, liet de minister van
Economische Zaken, Radius Prawiro, weten.
Indonesië had duidelijk laten doorklinken geen prijs te stellen op
inmenging in binnenlandse aangelegenheden.
*
* Dagblad van het
Noorden, 28 maart 1992
De breuk in
ontwikkelingssamenwerking kwam in Nederland als een complete verrassing. Toen
dat besluit aan de orde kwam in het eerstvolgende kabinetsberaad, werd Pronk
aangewezen als zondebok door menig collega. ‘Met deze padvinderij heeft
Pronk de belangen van het bedrijfsleven geschaad’, aldus CDA-minister van
Economische Zaken J.E. Andriessen (Kabinet Lubbers III, 1989-1994). Ook
CDA-minister-president R.F.M. Lubbers (1982-1994) was geïrriteerd vanwege
de hoon die Nederland ongetwijfeld ten deel zou vallen in de internationale
gemeenschap. Een paar dagen later waarschuwde CDA- buitenlandwoordvoerder in de
Tweede Kamer, J.G. de Hoop Scheffer, tijdens een parlementair debat dat Pronk
zich in de toekomst diende te onthouden van uitlatingen jegens Indonesië
die tot irritatie zouden kunnen leiden: ‘Dit ter vermijding van een
situatie waarin de CDA-fractie zich moet beraden op de politieke positie van de
minister’. Het verwijt dat Jan Pronk werd gemaakt, was zijn gebrek aan
tact en gevoel voor stille diplomatie. Toch deed Pronk in de kritiek op de rol
van de Indonesische autoriteiten niet meer dan het formele kabinetsstandpunt
uitdragen. Voor een ‘regelrechte aanval’ van het CDA was dan ook
geen aanleiding.
Desondanks
had Pronk wel degelijk ruimte geschapen voor een dergelijke scherpe
persoonlijke aanval door zijn CDA-coalitiegenoten. Nadat Indonesië eenzijdig
de hulprelatie had beëindigd, luchtte Pronk zijn hart in het Algemeen Dagblad. Een herstel van de
hulprelatie was in zijn ogen alleen mogelijk met ‘een nieuwe politieke
generatie.’ Hij zei achteraf dat hij daarmee doelde op de Nederlandse
situatie en dus ook op zichzelf, maar zijn woorden werden in Jakarta opgevat
als zware kritiek op de zittende machthebbers, met name Soeharto. De woede van
de Indonesische autoriteiten vormden het nieuwe alibi voor het CDA om Pronk
inderdaad als hoofdschuldige aan te wijzen voor de breuk met de voormalige
kolonie. Na de breuk in de hulprelatie werd Pronk geacht over Indonesië te
zwijgen. Hij deed dat ook, althans in de nog resterende kabinetperiode (tot mei
1994). Hij was, zei hij later, ‘kaltgestelt.’ De
controverse riep heftige emoties op, zowel in Indonesië als in Nederland.
Daaruit bleek dat de bilaterale relatie alles behalve al genormaliseerd was.
Integendeel, oude gevoeligheden speelden beide partijen weer parten.
In
vrijwel alle Nederlandse kranten barstte eveneens een stroom van
geëmotioneerde beschouwingen los. In Trouw
werd het Tweede Kamerdebat over de breuk in de ontwikkelingsrelatie afgedaan
als ‘oppervlakkig en opportunistisch’. Het dagblad meldde dat PvdA-leider W.
Kok zich mateloos had geërgerd aan het optreden van de CDA-fractie.
‘De houding van het CDA was niet alleen fel en hard, maar ook van een
toon die mij niet beviel. De heer
De Hoop Scheffer had zo de mond vol over de toon en de presentatie van minister
Pronk. Nu, De Hoop Scheffers toon en presentatie zouden ook wel beter
kunnen.’, aldus Kok. In het Algemeen
Dagblad stelde Dr. P. Kooijmans,
hoogleraar volkenrecht en opsteller van rapport over Indonesië aan de
VN-mensenrechtencommissie in Genève, ten aanzien van het Indonesische
besluit tot verbreking van de ontwikkelingsrelatie: ‘Totaal
onaanvaardbaar. Indonesië valt hiermee terug op het volstrekt rigide
standpunt dat mensenrechten de buitenwereld geen bal aangaan. Het plaatst zich
daarmee op een lijn met China, dat als enige land ter wereld de mensenrechten
ook als een intern-politieke verantwoordelijkheid ziet. De internationale
gemeenschap kan en mag dat niet aanvaarden.‘ Voor Kooijmans was duidelijk
dat er sprake was van een interne politieke stammenstrijd in Indonesië die
ongetwijfeld nauw verband hield met de aanstaande presidentsverkiezingen van
juni 1992. In de HP De Tijd, werd de
‘affaire Pronk’ echter afgedaan als het zoveelste debacle in de
geschiedenis der Nederlands-Indonesische betrekkingen. Volgens het opinieblad
leek er een vast patroon te bestaan in de wederzijdse relatie die zich telkens
op ‘tragische wijze’ herhaalde: In 1945, bij de stichting van de
Indonesische Republiek, in 1949, bij de soevereiniteitsoverdracht; nadien in
het conflict over westelijk Nieuw-Guinea dat pas in 1962 werd beëindigd;
en volgens het commentaar nu weer op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.
Steeds opnieuw sloeg Nederland daarbij een te hoge morele toon aan, raakte de
Indonesische partij geïrriteerd en toonde Nederland zich vervolgens blind
en doof voor het Indonesische standpunt. Wat de Nederlandse regering niet
begreep, was de simpele waarheid dat ontwikkelingshulp, ‘psychologisch
gezien, niet minder vernederend is dan koloniale overheersing, zeker indien die
hulp gebonden wordt aan voorwaarden die met de hulp zelf niet te maken
hebben’.
Pronk
was aangeslagen, maar weigerde de Kop van Jut te zijn. Hij gaf te kennen
‘zeer geraakt te zijn dat Indonesië de relatie die Nederland legde
tussen mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking vergeleek met het Nederlandse
optreden in de koloniale tijd.’ Hij wees deze vergelijking af. ‘Dat
irriteert mij, dat wijs ik af, dat accepteer ik niet’, aldus Pronk.
‘Elk land reageert extra gevoelig op daden van de ex-kolonisator, daarom
zijn we ten aanzien van Indonesië zeer terughoudend geweest. Zonder
koloniaal verleden waren we wellicht kritischer geweest. Als we niet consequent
de mensenrechten situatie in Indonesië aan de orde hadden gesteld, zouden
we ook in andere landen niet meer geloofwaardig kunnen opereren.’ Volgens
hem was Indonesië altijd een beetje verwend geraakt, het had altijd veel
hulp tegen zeer schappelijke voorwaarden gekregen.
De
periode 1962-1992 - Een
tussenbalans
Toen
minister Pronk als voorzitter van de IGGI een activistisch-kritische houding
aannam jegens Indonesië betreffende de mensenrechtenproblematiek in Oost-Timor
en Atjeh, wekte dit bij Indonesië het gevoel als achtergestelde natie (‘Basketcase
nation’) te worden beschouwd.
Soeharto weigerde als zodanig behandeld te worden. Hij had ondertussen
namelijk veel internationaal aanzien vergaard als voorzitter van de groep van
ongebonden landen (Nonaligned Movement)
en ook aangaande zaken als economische vooruitgang en effectieve
ontwikkelingsstrategieën (met name op het gebied van landbouw). Toen
Nederland, gevolgd door de VS en andere naties, de hulp wilden opschorten na
het bloedbad in Oost-Timor reageerde de president dan ook met het verbreken van
de ontwikkelingsrelatie met Nederland als teken dat hij zich niet liet
bekoeieneren. Tevens werd Nederland als blijk van ongenoegen het
voorzitterschap van de IGGI ontnomen. Deze beslissing diende een aantal
objectieve en rationele belangen. Ten eerste lag de breuk in lijn met de
uitspraken van Soeharto in de beweging der niet-gebonden landen. De Koude Oorlog, het kolonialisme en de
toenemende ongelijkheid tussen Noord en Zuid werden door Soeharto als
voornaamste problemen gepredikt. Hij projecteerde zichzelf als de leider van de
onderontwikkelde landen in de strijd tegen de geïndustrialiseerde landen
en hoopte zodoende de ongelijkheid in de wereld op de agenda te plaatsen. Hij
wilde door de breuk duidelijk maken dat hij geen bemoeienis duldde inzake
binnenlandse aangelegenheden, vooral niet van ex-kolonisator Nederland. De
president zag dit als een inbreuk op de Indonesische soevereiniteit. Ten tweede
diende de breuk te worden gezien als een bewuste aantijging jegens de persoon
Jan Pronk die in Indonesië veel irritatie opriep en al de naam
inspecteur-generaal der Indische bezittingen had gekregen. Bewust werden het
koloniale verleden en de Nederlandse schuldgevoelens door Indonesië
gebruikt om het eigenbelang te verwezenlijken. Ten derde werd de aantijging
jegens Nederland ook gebruikt om de binnenlandse problemen te maskeren.
Internationale kritiek over corruptie, de mensenrechtenschendingen en de
toenemende ongelijkheid tussen arm en rijk vormden een bedreiging voor
Soeharto’s machtspositie, zeker met de presidentiële verkiezingen
van juni 1992 op komst. Door het psychologische motief van de ‘ander’
te gebruiken trachtte hij niet alleen daadkracht te tonen en zo electorale
winst te behalen, maar poogde hij tevens de binnenlandse problemen te maskeren
en de aandacht te vestigen op mondiale problemen.
Bovenstaande
motieven bevestigen het beeld dat de breuk vanuit Indonesische zijde, ondanks
alle emoties die eraan ten grondslag leken te liggen, een rationele keuze
betrof. Deze conclusie wordt bevestigd door het feit dat Soeharto vooraf
nauwkeurig had afgewogen wat de consequentie van het gemis van 300 miljoen
gulden Nederlandse
ontwikkelingshulp zou zijn. Hiertoe
zocht hij van te voren toenadering tot Groot-Brittannië, Japan, Duitsland,
de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank om zeker te zijn dat hun
aandeel aan Westerse hulp gecontinueerd bleef.
Slotsom
In
tegenstelling tot de periode 1949-1962, waarin Soekarno emoties ge- of
misbruikte voor zijn beleid van nation-building, stond de periode 1962-
Samenvattend
was het Soeharto die Nederland aldus dwong afscheid te nemen van wat in Den
Haag (en ook in Indonesië) tot dan toe als een ‘bijzondere
relatie’ werd gezien. Het was Indonesië dat Nederland opnieuw
eenzijdig dwong tot verdere en nu volledige ‘normalisatie’ van de
betrekkingen. In de literatuur heerst de gedachte dat de breuk in de
ontwikkelingssamenwerking inderdaad de definitieve normalisatie c.q.
gelijkstelling van de onderlinge verhoudingen betekent en aldus het slotakkoord
van het Indonesische dekolonisatieproces vormde. De daarop volgende jaren zouden
uitwijzen dat van een normalisatie van de betrekkingen waarin koloniale
ressentimenten geen rol van betekenis meer speelden, geen sprake was.
4: TOENADERING
OP NIEUWE LEEST
De algemene Nederlands-Indonesische
betrekkingen 1992 - heden
In hoeverre
de koloniale tijd de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Indonesië
vanaf 1992 heeft beïnvloed wordt in dit hoofdstuk uiteengezet. De
wederzijdse betrekkingen sinds de zogeheten ‘affaire Pronk’ in 1992
worden belicht om te bezien of deze betrekkingen nu wel geheel zijn ontdaan van
alle (neo) koloniale restanten zoals wordt beweerd en aldus volledig zijn
genormaliseerd.
Samenwerking
na de breuk in de ontwikkelingsrelatie
Tot grote
opluchting van zowel politiek Den Haag als de Nederlandse ondernemers die
vreesden voor winstverlies in hun handel met Indonesië bleek de
Indonesische beëindiging van de ontwikkelingssamenwerkingsrelatie in 1992
zich slechts te beperken tot de hulprelatie. Van de Indonesische regeringszijde was bij
monde van de coördinerend minister van Economische Zaken, Radius Prawiro,
te kennen gegeven dat de aanvaring op het terrein van ontwikkelingshulp geen
gevolgen zou hebben voor de overige samenwerkingsverbanden en dat men de
betrekkingen op alle andere terreinen dan hulp -handel, investeringen,
wetenschap, cultuur- graag actief ingevuld wenste te zien. Dat Indonesië er niet op uit was
Nederland in economisch opzicht te passeren, bleek ook uit het feit dat ruim
een maand nadat de ontwikkelingsrelatie was verbroken, een grote Indonesische
handelsdelegatie onder leiding van minister van Handel, Siregar, een bezoek aan
Nederland bracht om het Indonesische Handels- en Distributiecentrum in
Rotterdam te openen. Tegenover minister van Onderwijs, J.M.M. Ritzen (Kabinet
Lubbers III, 1989-1994) die als eerste bewindsman na de breuk een bezoek bracht
aan Indonesië in januari 1993, sprak Soeharto eveneens expliciet van
‘voortzetting en verdieping’ van de coöperatie op alle
terreinen buiten de ontwikkelingshulp om. Nu de hulprelatie was verbroken, was
het volgens de president pas echt mogelijk om als twee gelijkwaardige landen
een normale werkrelatie aan te gaan.
Ondanks
de wens van de Indonesische minister van Economische Zaken de overige
samenwerkingsverbanden tussen Nederland en Indonesië actief ingevuld te
willen zien, viel de samenwerking op terreinen als onderwijs en wetenschappen,
justitie en verkeer en waterstaat vooralsnog nagenoeg stil na de breuk in de
ontwikkelingsrelatie. Zo ongeschonden kwam Nederland er toch ook weer niet van
af. Bewust liet Jakarta Den Haag een tijdje ‘bungelen’. De
officiële betrekkingen tussen Nederland en Indonesië werden tevens
overschaduwd door de discrepantie tussen de onafhankelijkheidsdatum die in Indonesië
en Nederland werd aangehouden. Enerzijds 17 augustus 1945, de dag van de
feitelijke Indonesische onafhankelijkheidsverklaring die in Indonesië
jaarlijks wordt herdacht op ‘hari
kemerdekaan’ (dag van de vrijheid), en anderzijds 27 december 1949,
het moment waarop Nederland uiteindelijk de soevereiniteit over het grondgebied
formeel overdroeg aan Indonesië. Uitgerekend minister Pronk stelde op 27
december 1994 voor de 17e augustus 1945 te erkennen als de
werkelijke dag van de Indonesische onafhankelijkheid. Volgens hem ‘zou de
erkenning van de datum waarop Indonesië al vijftig jaar onafhankelijkheid
vierde een belangrijke politieke stap zijn. Hiermee zou Nederland toegeven dat
het indertijd een foute oorlog had gevoerd.’ Volgens de Amerikaanse
historicus Carol Gluck zou de Nederlandse regering inderdaad pas echt blijk
geven het Nederlandse verleden te hebben verwerkt als het voortaan op 17
augustus ook de vlag zou uithangen.
Tot een officieel nationaal debat, zoals W.J. Deetman (voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, 1989-1996) in januari 1995 naar aanleiding van Pronk’s voorstel voorstelde, kwam het niet. De Nederlandse samenleving, en met name zij die een directe band hadden met Indonesië (Indische Nederlanders en Indië-veteranen), en zo ook de regering bleek (nog) niet in staat in het reine te komen met de koloniale erfenis. Voor Indonesië vormde de hantering van de twee historische data echter nooit een groot probleem, daar het vanaf 1945 immers altijd zijn onafhankelijkheid op 17 augustus had gevierd. Dat Nederland 27 december hanteerde, daarover hief men de schouders op. De scheiding tussen de twee historische data ging de relatie pas echt parten spelen tijdens het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië in het augustus 1995.
Het
staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië (1995)
Indonesië
wilde in 1995 vijftig jaar onafhankelijkheid feestelijk gedenken en Soeharto
nodigde koningin Beatrix als teken van goede wil uit om daarbij aanwezig te
zijn. Niet ondenkbaar is dat president Soeharto met de invitatie een
definitieve bevestiging van de normalisatie van de betrekkingen voor ogen
stond. De koningin en het Nederlandse kabinet dat voor haar optreden
staatsrechtelijk verantwoordelijk is, bevonden zich echter in een moeilijke
positie. Als men gehoor zou geven aan de uitnodiging, zou immers impliciet
worden toegegeven dat Indonesië al in 1945 officieel onafhankelijk was
geworden. Veel Indië-veteranen verzetten zich hiertegen fel, omdat ze
immers dan een foute oorlog zouden hebben gestreden. Erkenning van 1945 zou
voorts betekenen dat al hun offers voor niets waren geweest. Dat kon men niet
aanvaarden. Premier W. Kok (1994 – 2002) besloot om die reden dat Beatrix
niet aanwezig mocht zijn op de bewuste 17 augustus (de Indonesische onafhankelijkheidsdag),
maar dat zij pas vier dagen na de feestelijkheden naar het land zou gaan. Soeharto reageerde verbolgen op dit
nieuws en liet voor Indonesische begrippen ongebruikelijk open merken niet blij
te zijn met de Nederlandse opstelling. Hij
was dan ook niet aanwezig op het vliegveld om Beatrix te verwelkomen en zegde
meer dan de helft van de geplande feestelijkheden ter ere van het Koninklijke
bezoek af.
De
Nederlandse media legden het bericht dat het
bezoek van de koningin pas de 20ste augustus in plaats van de 17e
plaatsvond, uit als het bewijs dat Nederland nog altijd niet de Indonesische
onafhankelijkheidsproclamatie erkende. Ook de weigering om de Indonesische
mensenrechtenactivist Poncke Prinsen tot Nederland toe te laten, werd als
bewijs gezien dat Nederland nog altijd niet emotioneel met het verleden in het
reine was gekomen. Poncke Prinsen was erg controversieel. Hij was in 1948 als
Nederlands militair overgelopen naar de Indonesische vrijheidsstrijders en werd
door de oud-strijders van de politionele acties beschouwd als een landverrader.
Gezien al deze emotionele hectiek vond het kabinet-Kok 1995 al met al geen
geschikt moment om het oude taboe rond de 17e augustus te
doorbreken. Tien jaar later opende de Volkskrant
met het nieuws dat koningin Beatrix tijdens het staatsbezoek weldegelijk
excuses aan had willen bieden voor de misdragingen van de Nederlandse
militairen tijdens de politionele acties, maar dat Kok die wens had tegen
gehouden. Jan Pronk (minister van
Ontwikkelingssamenwerking in het eerste Kabinet Kok) stelde daarover in april
2005: ‘Minister-president Kok wilde niet dat koningin Beatrix er tijdens
de herdenking was. Een behoorlijk verhaal over de dekolonisatie mocht ze niet
houden. Beatrix wilde haar excuses aanbieden voor de Nederlandse schendingen
van de mensenrechten. Maar Kok wilde dat niet en zei gewoon nee, zonder dat
inhoudelijk te beargumenteren. Hij was bang voor de interne Nederlandse
oppositie zoals de veteranen. ‘Kortzichtig, flauwekul, dat is achter de
geschiedenis aanlopen.’ De voormalige hoofddirecteur van de
Rijksvoorlichtingsdienst, H. van der Voet, voegde daaraan toe: 'Ik zal niet
zeggen dat het een rampzalig bezoek was, maar het had pijnlijke trekken.’
Volgens hem had het hele staatsbezoek toen niet door moeten gaan.
Ondanks
de vele negatieve berichtgevingen werd het staatsbezoek door het ministerie van
Economische Zaken toch succesvol genoemd. De Nederlandse handelsdelegatie die
Nederland vergezelde, bestaande uit een groot aantal vertegenwoordigers van het
Nederlandse bedrijfsleven, vertrok zelfs met een goedgevulde portefeuille. Qua
handel was het staatsbezoek van 1995 dus zeer bevredigend. Ondanks dat dit in
de literatuur vaak wordt gesteld, was er
echter nog geenszins sprake van een volledige normalisatie van de
Nederlands-Indonesische betrekkingen na de breuk in 1992. Het koloniale
verleden bleef de wederzijdse betrekkingen belasten. Vooral in Nederland
laaiden de emoties omtrent het erkennen van de Indonesische
onafhankelijkheidsproclamatie op 17 augustus 1945 telkens hoog op. Ook het
Indonesische ongenoegen over de latere komst van Beatrix toont aan dat in
Indonesië de gevoeligheden nog dicht aan de oppervlakte zaten. In hoeverre
de bilaterale betrekkingen ná 1995 beïnvloed werden door het
koloniale verleden zal nu aan de orde worden gesteld.
De
economische crisis en het aftreden van Soeharto
Aan het
eind van de jaren tachtig maakte de Indonesische overheid een overstap van een
importvervangend naar een exportgeoriënteerd industrialisatiebeleid. Het resultaat
was een indrukwekkende economische groei die Indonesië deed toetreden tot
de Aziatische Newly Industrializing
Countries (NIC) (Singapore, Zuid-Korea, Hong Kong en Taiwan). Het land was
nu een van de Aziatische ‘tijgers’. Als gevolg van de snelle groei
in welvaart nam het zelfbewustzijn onder de Aziatische NIC’s snel toe en
dus ook in Indonesië. De uitdaging om ook politieke hervormingen door te
voeren werd door de regering-Soeharto echter niet of nauwelijks genomen. Er
bleef een rigide, feodale structuur bestaan met de president aan de top van het
bestuur. Tegen de economische crisis in Zuidoost-Azië die Indonesië
en andere Aziatische landen sinds de zomer van 1997 teisterde, bleek de
regering-Soeharto dan ook niet opgewassen.
De
monetaire crisis trof Indonesië van die landen het zwaarst. Het vertrouwen
bij de bevolking in het economisch bestel verdween en diverse banken stonden op
instorten als gevolg van een forse kapitaalvlucht. In ruil voor kredieten
stelde het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zware eisen aan economische
hervormingen. In het hele land gingen studenten de straat op uit onvrede over
de sociaal-economische en politieke stagnatie en namen uiteindelijk het
parlementsgebouw in bezit. Zij kregen steun van de ‘gewone’ Indonesiër
die nauwelijks financieel nog rond kon komen. Het Soeharto-bewind kwam onder
zware druk te staan. Soeharto maakte in 1998 vervolgens een cruciale fout door
een kabinet samen te stellen waarin zijn dochter Tutut en zijn zakenvriend B.
Hassan werden opgenomen en niemand uit de gematigde oppositie werd benoemd.
Doordat Soeharto geen oppositieleiders had kunnen verleiden om in zijn kabinet
zitting te nemen, begon de oppositie eensgezind zijn aftreden te eisen. Toen na
enkele forse prijsverhogingen van rijst, bakolie en benzine in mei 1998 op
grote schaal rellen en plunderingen uitbraken en Soeharto tenslotte ook de
steun van de legerleiding verloor, trad hij op 21 mei 1998 af.
Het
aftreden van Soeharto betekende een einde aan tweeëndertig jaar ‘Orde Baru’ (Nieuwe Orde), een bewind dat lange tijd werd
gezien als redelijk stabiel en economisch voortvarend. Veel van deze
vooruitgang bleek in de praktijk echter buitengewoon kwetsbaar. Na de val van Soeharto kwam Indonesië
er dan ook achter dat de rijkdom voor een groot deel was verdwenen in de
duistere wereld van corruptie en nepotisme.
De
nieuwe uitdaging
De
ontwikkelingsrelatie tussen Nederland en Indonesië lag na de breuk in 1992
jarenlang stil en onder Soeharto bleek het politieke klimaat niet geschikt tot herstel
van de bilaterale betrekkingen. Ook op andere gebieden (handel en investeringen
uitgezonderd) vielen de wederzijdse betrekkingen nagenoeg stil. In juli 1998
ontving Pronk, in zijn laatste dagen als minister van
Ontwikkelingssamenwerking, een bezoek van de nieuw aangetreden president B.J
Habibie tot herstel van de ontwikkelingsrelatie op nieuwe leest. Dit was een
rechtstreeks gevolg van de onmisbaarheid van Nederland bij de onderhandelingen
rond de schuldenverlichting aan Indonesië binnen het kader van de Club van
Parijs. Nederlandse leningen aan Indonesië van voor 1992
liepen immers nog steeds door of zouden binnenkort aflopen. Het verzoek tot
schuldenverlichting werd ruimhartig ingewilligd door het kabinet-Kok II
(1998-2002), maar verder nam de Nederlandse regering een afwachtende houding
aan. Habibie werd gezien als een overgangsfiguur, in lijn met de
regering-Soeharto, wier bewind geen grote steun leek te rechtvaardigen. De
Nederlandse houding bleef aldus afwachtend. Ook nadat Habibie zich meer en meer
als een serieuze hervormer ontpopte, hij vergaande politieke hervormingen
aankondigde en internationale steun aan het zielstogende Indonesië van
levensbelang was, continueerde het tweede kabinet-Kok zijn passieve houding.
Deze opstelling contrasteerde sterk met de interventiedrang van voor 1992 en
zeker met de gedrevenheid waarmee Den Haag zich na de ontwikkelingsbreuk had
ingespannen om de samenwerking weer op te bouwen. Het wachten was op de eerste democratische
parlementsverkiezingen in Indonesië sinds 1955.
De
verkiezingen in Indonesië van juni 1999 en het daaropvolgend aantreden van
de gematigde president A. Wahid (beter bekend als Gus Dur) bracht de relatie
tussen Nederland en Indonesië met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking
in een stroomversnelling. De inmiddels aangetreden PvdA minister van
Ontwikkelingssamenwerking, E.L. Herfkens (1998-2002), voorheen werkzaam bij de
Wereldbank, bracht een bliksembezoek aan Jakarta in december 1999 en
concludeerde dat de plannen van de regering-Wahid vertrouwen wekten. Haar
bezoek aan Jakarta trok het kabinet over de streep om de helpende hand te
bieden. Na uitvoerige gesprekken met de Indonesische leiders besloot Herfkens
de ontwikkelingssamenwerkingsrelatie te herstellen. Dit werd door haar als een ‘nieuwe
mijlpaal’ in de wederzijdse
relaties betiteld.
Herfkens
sprak duidelijk de wens uit stevig in te zetten op de ontwikkelingsrelatie met
Indonesië. In juni 2000 werd Indonesië toegevoegd aan de lijst van
negentien concentratielanden van Nederlandse hulp. Indonesië kreeg zelfs
een speciale status door de historische band en kreeg een bedrag van 150
miljoen gulden per jaar toegezegd. Zo behoorde Nederland binnen acht jaar na de
breuk opnieuw tot de grootste bilaterale donoren van Indonesië, als nummer
drie na Japan en de VS.
In
lijn met de door Herfkens in bredere zin doorgevoerde beleidswijzigingen
bepaalde niet Nederland meer eenzijdig als donor waar het geld aan besteed
diende te worden, maar geschiedde dit in overleg met Indonesië. Kortom,
het Nederlandse geld werd toebedeeld aan slechts door de Indonesische overheid
aangedragen sectoren en de Nederlandse financiering werd gekanaliseerd via
multilaterale instellingen via het zogenaamde ‘Partnerschap voor Goed
Bestuur.’ Gekozen werd voor een multilaterale aanpak, zodat door
bundeling van krachten en samenwerking meer kansen konden worden geschapen om
veranderingen tot stand te brengen. De multilaterale samenwerking in de vorm
van de IGGI, zoals die bestond tijdens het Soeharto-tijdperk, werd dus vervangen
door een benadering, waarin tevens samen met Non-gouvernementele Organisaties
(NGO’s), de Indonesische overheid en de samenleving werd getracht
oplossingen te vinden voor problemen die een barrière vormden voor de
ontwikkeling van het land en in het bijzonder voor de armoedebestrijding. In de
opvolger van de IGGI, de Consultative
Group on Indonesia (CGI), werd begin 2000 de grondslag gelegd voor het
Partnerschap voor Goed Bestuur. Dit partnerschap wordt behandeld in de volgende
paragraaf.
Het Partnerschap voor
Goed Bestuur
Zoals beschreven werd het Nederlands-Indonesië beleid onder Pronk
gekenmerkt door de nadruk op de mensenrechtensituatie, wat enkele kleine
successen met zich meebracht zoals vrijlating van een aantal politieke
gevangenen. Dit beleid leidde in 1992 echter ook tot de breuk in de relatie
tussen beide landen. Na de val van Soeharto werd door president Wahid de weg
vrijgemaakt voor daadwerkelijke reformasi
en daarmee voor hervatting van de ontwikkelingsrelatie. Hij opende de deuren
voor internationale donoren en minister Herfkens ging maar al te graag in op
het steunen van zijn hervormingsbeleid. De ontwikkelingsrelatie werd na zeven
jaar hervat, waarbij ditmaal de nadruk werd gelegd op ‘goed
bestuur’ in plaats van op mensenrechten. Herfkens baseerde de ‘goed
bestuur’ benadering op de bestaande internationale consensus[11]
over het begrip.
In het jaar 2000 werd vervolgens voor een nieuwe
aanpak gekozen. In plaats van bilaterale samenwerking werd gekozen voor een
gezamenlijke internationale benadering. Meerdere donoren kwamen tot de
conclusie dat bilaterale samenwerking met een zodanig corrupt land moeilijk te
bewerkstelligen was. Door middel van een multilaterale aanpak via het
‘Partnerschap voor Goed Bestuur’ kon meer druk worden uitgeoefend,
zonder dat de relatie tussen Indonesië en afzonderlijke donoren eenzijdig
kon worden opgezegd. Immers, zonder gezamenlijke steun, geen enkele steun.[12]
Nederland koos dus voor de veilige weg door op de trein van reeds bestaande
projecten mee te liften in de vorm van het partnerschap en zodoende werd de
ontwikkelingsrelatie ontdaan van neokoloniale trekken. Door ‘goed
bestuur’ te verkiezen boven mensenrechten werd al met al gekozen voor een
bredere aanpak die meer ruimte overliet voor de Indonesische regering en zich
primair richtte op sectorhulp in plaats van projecthulp. Op deze manier was
Nederland verzekerd van een duurzame relatie met Indonesië. De les die was
geleerd uit de breuk in de ontwikkelingsrelatie in 1992 was, dat het beter was
in landen met een heftig en emotioneel verleden in multilateraal verband op te
treden. De ontwikkelingssamenwerking werd kortom weer hernieuwd. Desondanks
bleven de emoties over het koloniale verleden tussen 1945 en 1949 de
Nederlands-Indonesische betrekkingen beïnvloeden.
Spijtbetuiging aan
Indonesië
Eind
twintigste eeuw was de tijd rijp voor een algehele emotionele afdoening c.q.
afrekening met de Tweede Wereldoorlog en de gevolgen daarvan. Zo betuigde de
Japanse keizer, Akihito, op 8 mei 2000 tijdens een staatsbezoek zijn spijt over
het leed dat Japan de Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog in
Indonesië had aangedaan. Letterlijk zei de Japanse keizer: ‘Mijn
hart doet pijn als ik denk aan de vele slachtoffers die de oorlog hebben
meegemaakt en dat zelfs nu nog mensen lijden door de pijn van de ervaringen van
toen. Na ons historisch verleden hebben wij tijdens de Tweede wereldoorlog
tegen elkaar gevochten. Dat is zeer te betreuren.’ Het doel van de keizer
was de 400-jarige relatie met Nederland als geheel te beschouwen en op basis
daarvan te werken aan een verdere verbetering van de vriendschappelijke
relatie. Al eerder, in februari
2000, had toenmalig premier Obuchi ook al zijn excuses aan premier W. Kok en minister
van Buitenlandse Zaken, J.J. van Aartsen aangeboden. Nadat de Japanse regering
en keizer gevoelens van diepe spijt en oprechte excuses hadden geuit voor de
enorme schade en het lijden dat door Japan aan velen, waaronder de Nederlandse
oorlogsslachtoffers, was berokkend, gaf minister-president Kok te kennen
hetzelfde te willen doen in Indonesië.[13]
Deze aankondiging raakte een gevoelige plek bij de Indië-veteranen die
opnieuw luidkeels protesteerden. Een oud-Indiëstrijder wees erop dat de
klachten van de Indië-veteranen vooral betrekking hadden op het gebrek aan
waardering. ‘Wij kregen nooit de nazorg zoals de veteranen van de huidige
vredesmissies en we werden bij thuiskomst aan ons lot overgelaten.’ Het
oplaaiende publieke debat was aanleiding voor Kok ‘om zijn excuusdrift
vooralsnog wat af te zwakken.’
Eerst diende binnenlands de behoefte aan erkenning en waardering door
bepaalde groepen in de Nederlandse samenleving bevredigd te worden. Dit geschiedde
door tal van historische onderzoeken te laten plegen omtrent de manier waarop
de oorlogsslachtoffers in Nederland behandeld werden. Hen werd in 2000 door de
Nederlandse regering uiteindelijk een financiële compensatie gegeven.
Het
duurde nog vijf jaar voordat de Nederlandse regering, bij monde van minister
B.R. Bot van Buitenlandse Zaken, de tijd rijp achtte een tweede poging te doen.
Bots missie naar Jakarta in augustus 2005 was dan ook een subtiele missie. Hij
was gekomen om de Indonesische bevrijdingsdag mee te vieren en 17 augustus 1945
te erkennen als ware datum van de Indonesische onafhankelijkheid. Tevens
betuigde hij zijn spijt over wat er tijdens de koloniale jaren 1945-1949 was
gebeurd. Volgens Bot was hij bij de viering aanwezig ‘om de relatie
tussen Indonesië en Nederland verder te intensiveren. Daarvoor was het
behulpzaam om nog wat restanten oud zeer weg te nemen.’
Niet
eerder had Nederland een bewindsman afgevaardigd naar dit feest, niet eerder
had Nederland 17 augustus als de dag van onafhankelijkheid openlijk aanvaard.
Nederland had formeel altijd vastgehouden aan 27 december 1949, de dag van de
soevereiniteitsoverdracht, als datum waarop Indonesië juridisch
onafhankelijk werd. Dat Nederland 17 augustus nu accepteerde was zowel politiek
als symbolisch een daad van grote betekenis.
Bot
zei op 17 augustus
Volgens
de historicus H. Blom, directeur van het Nederlands
Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), ‘was Bot de aangewezen persoon
om namens Nederland spijt te betuigen.’ ‘Bot sprak als een kind van
Indië, omdat hij een Indische jongen is met een eigen
jappenkampervaring’. Uit de mond van Bot kwam de erkenning van de
onafhankelijkheidsdatum en de uiting van spijt dan ook geloofwaardiger over en
die was ook meer acceptabel voor de Indische oorlogsslachtoffers en
oud-veteranen.
De
in oktober 2004 nieuw aangetreden en voor het eerst direct democratisch
verkozen Indonesische president, Susilo Bambang Yudhoyono, noemde het
Nederlandse standpunt een ‘goed gebaar’ en ook de Indonesische
minister van Buitenlandse Zaken, Hassan Wirajuda, toonde zich dankbaar voor
deze geste. ‘Wij zien het als een erkenning dat wij Indonesiërs
onafhankelijk zijn geworden, omdat wij dat besloten hadden. Dat is gebeurd toen
wijzelf onze soevereine Republiek uitriepen en niet toen de voormalige
koloniale bestuurders de formaliteiten regelden die de macht in onze handen
overdroeg.’ Echt nodig was de erkenning voor hen evenwel niet. Voor
Indonesië is het immers nooit een punt geweest. Zestig jaar lang vierde
het zijn onafhankelijkheid op 17 augustus en dat zou dat tot in de lengte van jaren
blijven doen. Maar geapprecieerd werd het wel. Het getuigde van een groots
gebaar om dit uit eigen beweging te doen. In tegenstelling tot de Nederlandse
media, heeft deze ‘kwestie’ in de Indonesische media weinig teweeg
gebracht. Voor Bambang Harymurti, hoofdredacteur van het toonaangevende
Indonesische weekblad Tempo, was de
Nederlandse erkenning van 17 augustus echter een verrassing. ‘Ik wist
niet eens dat Nederland nooit op bevrijdingsdag vertegenwoordigd was’, aldus Harymurti.
Een
apologie sprak Bot echter niet uit. Hij sprak weliswaar over een ‘harde
en bittere realiteit, speciaal voor het Indonesische volk, dat er militaire
actie was ondernomen’, maar
het beladen woord ‘excuses’ werd niet door hem gebezigd, omdat
aldus Bot, ‘rekening moest worden gehouden met gevoeligheden aan de kant
van de Nederlanders.’ Hij doelde daarbij op de Indische gemeenschap in
Nederland en de Indië-veteranen. Toen door Indonesische journalisten de
vraag werd gesteld waarom hij niet gewoon zei dat Nederland zijn excuses
aanbood, antwoordde de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken: ‘Ik
heb gezegd wat ik heb gezegd. Het is de toon van de dialoog die telt. Wij
begrijpen elkaar. Daar gaat het om.’ In de hoek gedrongen door
vragenstellers erkende hij dan tenslotte ook dat er in deze kwestie rekening
moest worden gehouden met gevoelens aan Nederlandse kant. Bambang Harymurti kon er alleen maar om
lachen: spijtbetuigen, maar het niet expliciet zeggen: ‘Dat is net zoiets
als zeggen: ik heb wel gerookt, maar ik heb niet geïnhaleerd’.
De
kwestie was volgens de Nederlandse Tweede Kamer echter nog niet afgerond. De
VVD-Tweede Kamerleden H. van Baalen en T. Veenendaal hadden zich
wel degelijk gestoord aan de spijtbetuigingen van Bot. Mede door de enorme druk
die door de Indië-veteranen op de regering was uitgeoefend, eisten zij van
het kabinet ’uitdrukkelijke erkenning’ van de inzet van de
militairen in de roerige periode tussen 1945 en 1949. Het was aan premier P.
Balkenende om deze spijt te betuigen aan de Indië-veteranen tijdens de
jaarlijkse Nationale Indië Herdenking van gevallen Indië-gangers op
13 september in Roermond. Ten overstaan van veteranen uit de oorlogen in het
voormalige Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea zei Balkenende ‘dat de
scheiding der wegen tussen Indonesië en Nederland gewelddadiger en
pijnlijker waren verlopen dan nodig was geweest. Minister Bot heeft daarover
spijt betuigd. Ik wil dat hier nog eens onderstrepen. Maar ik wil ook
beklemtonen dat die spijtbetuiging het diepe respect dat u als Indië-veteranen
toekomt onverkort laat’, aldus de premier.
Bot
verklaarde natijds ‘klaar te zijn met de geschiedenis na spijt te hebben
betuigd aan Indonesië en de Indië-veteranen’. Volgens hem was
daarmee ‘een zware missie volbracht’. ‘De gezamenlijke
geschiedenis van Indonesië en Nederland is wat mij betreft bevrijd van
zijn laatste vuiltje en kan te rusten worden gelegd’. Hijzelf was er als
minister in ieder geval klaar mee: ‘Met de geschiedenis ben je natuurlijk
nooit helemaal klaar, maar in diplomatieke zin zijn we dat wel. Het verleden
drukt niet langer meer op de betrekkingen tussen beide landen’.
‘Dit was unfinished business.
Je moet een streep durven trekken. Je moet niet te lang blijven zieken over
dingen uit het verleden’, aldus Bot in een interview in de Volkskrant in augustus 2005. Maar niet alle
Indonesiërs hadden het gevoel dat alle onafgedane zaken nu geklaard waren.
Een Indonesisch diplomaat, Retno Marsudi, wees in augustus
De periode 1992 tot op
heden – Een tussenbalans
De
officiële betrekkingen tussen Nederland en Indonesië liepen na de
breuk in de ontwikkelingssamenwerking gedurende enkele jaren stroef. De
diplomatiek betrekkingen liepen mede moeizaam door de doorwerking van de zo
moeilijke dekolonisatie in de periode 1945-1949. De emoties over dat koloniale
verleden liepen met name aan Nederlandse zijde hoog op. Nederland kon niet in
het reine komen met de zwarte bladzijden uit het koloniale verleden. Zo voerde
Indonesië al sinds 1945 zijn onafhankelijkheid op 17 augustus, maar
Nederland bleef echter vast houden aan de datum van 27 december 1949, de dag
waarop de soevereiniteitsoverdracht formeel plaats vond. Tijdens het
staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië in augustus 1995 werd
duidelijk hoezeer dit verschil in opvatting de bilaterale betrekkingen nog
steeds beïnvloedde. Aan Nederlandse regeringszijde werd besloten om het
bezoek pas vier dagen na 17 augustus plaats te laten vinden om zo met name de
Indië-veteranen niet voor het hoofd te stoten. Dit viel niet goed aan
Indonesische zijde, maar anderzijds deed Jakarta ook niet al te moeilijk. Het
vierde immers al vanaf het begin zijn onafhankelijkheid op 17 augustus. Ondanks
alle strubbelingen werd het koninklijk bezoek economisch gezien zeer succesvol.
Van
een normalisatie van de bilaterale betrekkingen was echter nog geen sprake. De onderhuidse
emoties omtrent het koloniale verleden bleven een stempel drukken op de
fragiele samenwerking. De val van Soeharto in 1998 markeerde evenwel een nieuw
begin in de betrekkingen. Aldus kreeg Pronk gelijk toen hij zei dat eerst de
oude generatie het veld diende te ruimen alvorens het echt mogelijk was de
relatie te normaliseren. Nederland bleef zich in eerste instantie afwachtend
opstellen. Het aantreden van Wahid in oktober 1999 bracht echter verbetering
van de relatie tussen Nederland en Indonesië. Het bliksembezoek dat
minister Herfkens in december 1999 aan Wahid bracht, die met zijn reformasi opnieuw de deuren opende voor
internationale donoren, trok het kabinet over de streep om zich
toeschietelijker op te stellen. Besloten werd de ontwikkelingssamenwerking op
een nieuwe leest te herstellen. Indonesië kreeg een speciale status, mede
door de historische band. Na acht jaar behoorde Nederland weer tot de groep van
grootste bilaterale donoren. Den Haag bleef zich echter nog steeds voorzichtig
gedragen. Men had leergeld betaald. Gekozen werd voor een geheel andere
benadering als tijdens de periode-Pronk. Bilaterale ontwikkelingssamenwerking
maakte plaats voor een multilaterale benadering in de vorm van het Partnerschap
voor Goed Bestuur. Nederland koos daarmee voor
de veilige weg door in reeds bestaande projecten te participeren in de vorm van
het partnerschap. Continuïteit werd het motto en de vorm werd een
multilaterale aanpak, zodat Indonesië niet weer de kans kreeg de
betrekkingen eenzijdig op te zeggen.
Dat
de emoties omtrent het koloniale verleden, althans in Nederland, de
betrekkingen desondanks nog belastten, bleek opnieuw op 17 augustus 2005, toen
minister Bot na zestig jaar spijt aan Indonesië betuigde over de daden
begaan door de Nederlanders in de periode 1945-1949; dit ondanks het feit dat
Indonesië nooit om dergelijke excuses had gevraagd. Door Bot werd
gesuggereerd dat Nederland nu dan eindelijk klaar was met de koloniale
geschiedenis en met deze spijtbetuigenis de weg in emotioneel opzicht was
vrijgemaakt voor een definitieve normalisatie van de betrekkingen. Minister Bot
wilde dan ook niet geconfronteerd worden met wat nog door sommigen gezien wordt
als het laatste restant onverwerkte koloniale geschiedenis, de afwikkeling van
de kwestie-Papoea.
Slotsom
Resumerend
toont de periode 1992-2005 aan dat rationele keuzes niet zuiver gegrond hoeven
te zijn op objectieve motieven, maar dat ook emoties hier nauw mee samen kunnen
hangen. Juist de gevoelens omtrent
het koloniale verleden werden in 1992 door Soeharto gebruikt als psychologisch
wapen om mondiaal en binnenlands aanzien te verwerven. Nederland ging zich
hierdoor sindsdien zeer voorzichtig opstellen, en kroop als het ware in zijn
schulp en meed elke confrontatie die de gemoederen zouden doen verhitten aan
Indonesische zijde. Even was het staatsbezoek een emotionele oprisping, maar
daar bleef het bij. Om niet opnieuw neokoloniaal gedrag verweten te worden,
koos Nederland bij het herstel van de ontwikkelingsrelatie voor een gezamenlijke
aanpak boven een bilaterale aanpak. Een ongelijke bilaterale verhouding diende
per se te worden vermeden om het risico op een nieuwe aanvaring in de
betrekkingen te voorkomen. Uit de periode 1992-2005
komt steeds duidelijker naar voren dat deze voorzichtige opstelling direct
verband hield met de nog altijd aanwezige emoties over het koloniale verleden.
Nederland bleek eindelijk in staat de gevoelens omtrent de koloniale erfenis
van 1945-1949 een plaats te geven door jegens Indonesië spijt te betuigen
en 17 augustus officieel als onafhankelijkheidsdatum te accepteren. Het laatste
restant van het koloniale trauma, de kwestie-Nieuw-Guinea, zoals onderzocht in
het Drooglever-onderzoek, diende daartoe te worden geneutraliseerd. Deze
kwestie wordt in het volgende hoofdstuk aan de orde gesteld.
5: DE
KWESTIE–NIEUW–GUINEA EN HAAR NASLEEP (1949 – 2006)
Zoals
gesteld, bleef Nieuw-Guinea van de soevereiniteitsoverdracht op 27 december
1949 uitgezonderd. Na een lange politieke twist tussen Nederland en
Indonesië werd het bestuur over Nieuw-Guinea in 1963 uiteindelijk
overgedragen aan Indonesië, zonder dat de Papoea’s hierover
vrijelijk konden meebeslissen. Zij werden geacht zich in een referendum in 1969
hierover te kunnen uitspreken, de zogeheten ‘Daad van Vrije Keuze.’
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal in hoeverre de kwestie-Papoea de
Nederlands-Indonesische betrekkingen tot voor kort nog heeft altijd belast, en
wellicht momenteel nog altijd doet. Daartoe is de kwestie onderverdeeld in een
viertal delen. De koloniale periode 1949-1962, de periode 1962-1969, de jaren
1969-1998 en de periode 1998 - heden.
De koloniale periode 1949 - 1962
De Ronde Tafel Conferentie
Op 27
december 1949 werd tijdens de Ronde Tafel Conferentie (RTC) te Den Haag de
soevereiniteit officieel door Nederland aan Indonesië overgedragen, met
uitzondering van Nieuw-Guinea. Het idee dat Nieuw-Guinea uitgezonderd moest
worden van de soevereiniteitsoverdracht stond in eerste instantie in verband
met de toekomst van de Indo-Europese bevolking van de kolonie. De regering in
Den Haag toonde zich ontvankelijk voor de suggestie dat Nieuw-Guinea een
geschikt gebied was voor een volksplanting van de Indo-Europeanen. Het was niet het enige
gelegenheidsargument voor behoud van Nieuw-Guinea. Ook gold het verlangen, met
name minister J.M.A.H. Luns van Buitenlandse Zaken (1952-1971) heeft het
dikwijls verwoord, om een steunpunt voor de Nederlandse marine te behouden in
de Aziatische wateren. Een ander, meer houtsnijdend argument, was van
binnenlands-politieke aard. Overdracht van dit gebied aan Indonesië was in
Nederland politiek onhaalbaar. Om instemming met de Indonesische overdracht van
de liberale (Volkspartij voor Vrijheid en Democratie) en confessionele
coalitiepartners (Anti-Revolutionaire Partij / Christen Unie en de Katholieke
Volkspartij) te krijgen, diende Nieuw-Guinea per se binnen het Koninkrijk te
blijven. Hierin school een sterk element van koloniale rancune. Dat sentiment
werd versterkt doordat Soekarno werd gezien als een handlanger van de
Japanners. Ook economische redenen werden aangevoerd. Zo zou Nieuw-Guinea
verborgen bodemschatten bezitten en wilde Nederland het gebied behouden ten
behoeve van economische welvaart. Nieuw-Guinea bleek echter economisch veel
meer te kosten dan het opbracht voor Nederland. Rationeel valt het behoud van
Nieuw-Guinea dan ook moeilijk te verklaren. Volgens Arend Lijphart, in zijn
boek the Trauma of Decolonization, wogen
psychologische factoren het zwaarst bij het Nederlandse behoud van
Nieuw-Guinea. Voor Nederland was de schok van het gedwongen verlies van
Nederlands-Indië zo groot dat het trauma verzacht diende te worden met het
behoud van Nieuw-Guinea.[14]
Op die manier bleef Nederland nog een imperiale mogendheid en bleef het
gezichtsverlies beperkt.
Voor
Indonesië aan de andere kant was de strijd om Nieuw-Guinea primair de
consequentie van sterke nationalistische, revolutionaire en anti-Nederlandse
sentimenten. Voor Soekarno en de gehele Indonesische bevolking was Nieuw-Guinea
van principiële aard. Nieuw-Guinea maakte onlosmakelijk een deel uit van
Nederlands-Indië en het was onacceptabel dat in een deel van het vaderland
het kolonialisme bleef voortduren. Een belangrijk argument voor Indonesië
vormde dan ook het uti possidetis juris beginsel.
Michael Freeman van de Universiteit van Essex formuleerde de doctrine als
volgt: ‘territoriale grensbepalingen van postkoloniale staten dienen
hetzelfde te zijn als het koloniale territorium dat zij vervangen.’ Onder dit beginsel zou Nieuw-Guinea
ontbetwist tot Indonesië behoren.
Nieuw-Guinea gaat in de ‘ijskast’
Als
compromis tussen de Nederlandse en Indonesische onderhandelaars was besloten
dat binnen een jaar na de RTC de status van het gebied geregeld diende te zijn.
Daartoe kwamen beide regeringen bijeen in de Indonesische hoofdstad Jakarta.
Tijdens de conferentie kwamen de partijen echter niet nader tot elkaar.
Indonesië eiste Nieuw-Guinea op. Op 17 augustus 1950 had Soekarno de Indonesische
stemming aldus verwoord: ‘Wat er ook gebeurt, wij zullen de strijd niet
staken eer Nieuw-Guinea in onze kudde is teruggebracht.’ Het Nederlandse
kabinet wilde als uiterste concessie de soevereiniteit over Nieuw-Guinea alleen
overdragen aan de Nederlands-Indonesische Unie, mits het feitelijke bestuur bij
Nederland bleef. Daarbij kwam voor het eerst het zelfbeschikkingsargument voor
de Papoea’s naar voren dat nadien voor Nederland de belangrijkste
legitimatie werd om het gebied niet aan Indonesië over te dragen. Gesteld
werd dat de Papoea’s etnisch gezien geen deel uitmaakten van de
Indonesische natie. Omdat zij nog grotendeels in het stenen tijdperk leefden,
dienden zij eerst door Nederland opgevoed te worden tot een stadium van
ontwikkeling waarin zij zelfstandig konden beslissen of ze bij Indonesië
wilden horen. Arend Lijphart noemt
deze houding treffend ‘egocentrisch altruïsme’: Nederland
verklaarde goed te willen doen aan de Papoea’s, maar deed dat meer
omwille van de eigen emotionele bevrediging. De Nederlandse regering verschafte zich daarmee een moreel alibi
om het gebied uit de handen van Indonesië te houden.
Jakarta
sprak echter van een algehele (100%) soevereiniteitsoverdracht, waarop de
Nieuw-Guinea-conferentie in december 1950 mislukte. De kwestie werd een
principiële aangelegenheid en kreeg zo een funeste uitwerking op de
Nederlands-Indonesische relatie. Kort daarop verharde zich ook de Nederlandse
houding. Geen enkele politieke partij in Nederland durfde het aan met een
gematigder standpunt voor de dag te komen. Elk partijvoorstel tot verandering
van de status van Nieuw-Guinea zou stuiten op fel verzet en tot grote politieke
problemen. Deze ‘deadlock’
leidde tot de zogenaamde ‘ijskast politiek.’ ‘Voor het ogenblik kan geen weg
worden aangegeven langs welke het geschil voor beide partijen kan worden
opgelost’, verklaarde het Nederlandse kabinet-Drees II (1951-1952) in
1952. Beide partijen groeven zich steeds verder in en kwamen gaandeweg steeds
grimmiger tegenover elkaar te staan, zoals in hoofdstuk twee is geschetst.
Soekarno zette zijn aanspraken op Nieuw-Guinea alvast kracht bij door
mondjesmaat Indonesische militairen op het eiland te laten infiltreren. Den
Haag maakte intussen aanstalten om het gebied tot ontwikkeling te brengen ten onheil
van de Papoea’s.
Conflict
De
periode-Soekarno (1945-1965) stond vooral in het teken van nationalisme, nation-building
en voltooiing van de dekolonisatie. Vanaf de aanvang van zijn presidentschap
was hij er op uit Indonesië te vrijwaren van elke Nederlandse invloed en
bemoeienis. De Indonesische federatie werd gezien als een creatie van Nederland
en stond zijn leiderschap over het
Indonesische volk in de weg. Hij predikte de eenheid van zijn volk en zijn nationalistische
opvatting lag in de leuze: ‘een volk, een staat, een taal’. Het
volk was het Indonesische volk (inclusief de Papoea’s op Nieuw-Guinea),
de staat behelsde Indonesië, dat het territorium van geheel
Nederlands-Indië omvatte en de taal werd het Bahasa Indonesia. De eenheid van het volk stond kortom centraal en
mocht niet worden ondermijnd door de Nederlandse bewering dat Indonesië
feitelijk een conglomeraat van verschillende volken was. ‘Eenheid in
verscheidenheid’ werd aldus het motto van leider Soekarno. Hij greep dan
ook voortdurend in wanneer het probleem Nieuw-Guinea met Nederland besproken
werd om zodoende duidelijk te maken dat Indonesië alleen genoegen nam met
volledige overdracht van Nieuw-Guinea.
De
stemming in Nederland keerde zich in de jaren vijftig ondertussen steeds meer
tegen Soekarno. De publieke opinie liet zich negatief uit over de Indonesische
president en de Tweede Kamer weigerde elke oplossing rondom Nieuw-Guinea die
hem tegemoet kwam. Harde beloftes werden gedaan tegenover de Papoea’s dat
Nederland hen niet in de steek zou laten.
Tegelijkertijd echter groeide het internationale aanzien van Soekarno
die als initiatiefnemer gold van de Beweging van niet-gebonden landen die
ontstond tijdens een conferentie van de meeste ex-koloniën in Bandung in
1955. Zijn regering had dan ook weinig moeite om de Nieuw-Guinea kwestie op de
agenda van de Algemene Vergadering van de VN geplaatst te krijgen. De Nederlands-Indonesische conferentie,
gehouden te Genève van 16 december 1955 tot 11 februari 1956 om in een
laatste wanhopige poging van gematigde Indonesische politici de bilaterale
problemen op te lossen, inclusief de kwestie-Nieuw-Guinea, was opnieuw op niets
uitgelopen. Nadat ook de VN
onmachtig bleek Nederland er toe te zetten Nieuw-Guinea te bespreken met
Indonesië, bezette Indonesië alle Nederlandse bedrijven in december
1957 en werden de Nederlanders het land uitgewezen. Nadat zelfs deze
maatregelen Nederland er niet toe brachten de status van Nieuw-Guinea alsnog
bespreekbaar te maken om zo de nationalisaties ongedaan te maken werd op 17
augustus 1960 door Soekarno besloten volledig met Nederland te breken. De
diplomatieke betrekkingen werden verbroken.
De
toegenomen scherpte van het Nieuw-Guinea conflict kwam in 1958 voor het eerst
tot uiting in grootscheepse militair optreden van Indonesische zijde. De wapens
werden door de Sovjet-Unie verschaft.
De groeiende militaire kracht van Indonesië baarde de regering in
Den Haag zorgen. Omdat Nederland besefte dat een militaire confrontatie met
Indonesië aanstaande was, begon het haast te maken met de
verzelfstandiging van Nieuw-Guinea, met als uiteindelijke doel zelfbeschikking
van de Papoea’s rond 1970. Er werden verkiezingen gepland voor een
pseudo-parlement; de Nieuw-Guinea Raad, welke op 6 april 1961 werd
geïnstalleerd. Tevens werd er een tienjarenplan ontwikkeld voor
‘Papoeanisering’ van het Nederlandse ambtenarenapparaat ter plekke.
Op 30 oktober 1961 koos de Nieuw-Guinea Raad een nieuw Papoea volkslied: ‘Hai Tanahku Papua’ en een
nationale vlag, die voor het eerst werd gehesen op 1 december 1961. 1 december
wordt door de Papoea’s sindsdien gevierd als de dag waarop de
Nederlanders hen de onafhankelijkheid in het vooruitzicht stelde.
Internationalisering van het conflict
In november
1960 werd de democraat John F. Kennedy tot president van de VS gekozen. Bij
zijn aantreden noemde hij vijf ernstige brandhaarden ter wereld, waaronder
Nieuw-Guinea. In april 1961 ontving
Kennedy minister Luns. Deze was bereid ten opzichte van Nieuw-Guinea een
VN-trustschap te aanvaarden, mits het zelfbeschikkingsrecht van de
Papoea’s zou worden gegarandeerd. Dit voorstel staat bekend als het
‘plan-Luns’. Enige dagen na hem verscheen ook Soekarno op het Witte
Huis, waar hij een gloedvol betoog hield voor de Indonesische soevereiniteit
over Nieuw-Guinea. In Nederland klonken ondertussen steeds meer stemmen die
pleitten voor een vergelijk onder andere van de groep-Rijkens, een groep
zakenlieden die aanstuurden op herstel van de economische banden met
Indonesië door het afstaan van Nieuw-Guinea.
Soekarno
verklaarde ondertussen in een volksrede, gehouden op 19 december 1961, dat
Indonesië Irian Barat gewapenderhand zou bevrijden, wat het startsein
betekende voor grootscheepse militaire voorbereidingen van Indonesië.
Volgens Soekarno diende de Papoea-staat te worden verijdeld, de roodwitte
(Indonesische) vlag te worden gehesen en het hele volk te worden gemobiliseerd
om het gebied spoedig te bevrijden uit de klauwen van het Nederlandse
imperialisme’.[15]
Ondertussen had de VS zich actief gemengd in de kwestie. Kennedy zag in het
conflict een bedreiging voor de internationale vrede en een verscherping van de
Koude Oorlog en stuurde aan op een vreedzame oplossing. Gevreesd werd dat
Indonesië in geval van een oorlog in het communistische kamp gedreven zou
worden. Nadat de VS te kennen had gegeven Nederland niet bij te zullen staan in
een oorlog zag Nederland zich wel gedwongen onderhandelingen met Indonesië
aan te gaan, zonder daaraan voorafgaand voorwaarden te kunnen stellen die een
daad van zelfbeschikking voor de Papoea’s veilig zouden stellen.
De
Amerikaanse diplomaat Ellsworth Bunker trad onder auspiciën van de VN op
als bemiddelaar bij de onderhandelingen tussen Nederland en Indonesië.
Zijn ontworpen formule voor de overdracht van Nieuw-Guinea, het
‘plan-Bunker’, bevatte de volgende punten: Nederland diende het
bestuur over Nieuw-Guinea over te dragen aan een tijdelijk bestuursorgaan van
de VN; na een jaar zou dit bestuursorgaan het bestuur overdragen aan
Indonesië; Indonesië zou binnen vijf jaar de bevolking van
Nieuw-Guinea in staat stellen zijn recht van zelfbeschikking uit te oefenen.
Luns
reactie op het ‘plan-Bunker’ was in eerste instantie verbitterd en
vol van beschuldigingen tegenover de VS. Desondanks besloot het Nederlandse
kabinet het plan te accepteren en te gebruiken als een kader om politieke
afspraken met de Papoea’s te garanderen. In werkelijkheid hadden de
Nederlanders kunnen weten dat het plan niet in de mogelijkheid voorzag om de
Papoea’s een aandeel in de zeggenschap over hun toekomst te bieden. Zoals
John Saltford stelt in zijn boek: The
anatomy of betrayal was de
gelegen in het feit dat Nederland niet bereid was een oorlog te beginnen die ze
toch niet kon winnen. Geen enkele bondgenoot was bereid de Nederlanders
militair bij te staan. Nederland
was aldus in een te zwakke positie om blijvend en succesvol weerstand te kunnen
bieden tegen Indonesische agressie.
Zowel
Nederland, als Indonesië interpreteerden het plan-Bunker uiteindelijk
geheel anders. Luns probeerde, tevergeefs, politieke vrijheden voor de
Papoea’s gegarandeerd te krijgen. De Indonesische regering op zijn beurt
eiste directe overdracht van het gebied aan Indonesië. Ondanks dreigingen
van Indonesische zijde dat geweld niet zou worden geschuwd, werd uiteindelijk
toch een overeenkomst gesloten die voorzag in een overgangsperiode door de VN
van minimaal zeven maanden (veel korter dan genoemd in het plan-Bunker).
De periode 1962 - 1969
Het Akkoord van New York (1962)
Op 15
augustus 1962 bereikten Nederland en Indonesië overeenstemming over de
overdracht van Papoea in de Overeenkomst van New York. Het verdrag bepaalde dat
Nederland het bestuur aan de United
Nations Temporary Executive Authority (UNTEA) per 1 oktober zou overdragen
en dat dit bestuursorgaan van de VN op 1 mei 1963 vervolgens het bestuur aan
Indonesië zou overdragen voor een periode van zeven jaar.
Hoewel
Soekarno in de onderhandelingen nagenoeg volledig zijn zin had gekregen, had
hij op een cruciaal punt een belangrijke concessie moeten doen. Het Akkoord van
New York garandeerde de Papoea’s het recht om voor 1970 middels een
volksraadpleging zelf over hun staatkundige toekomst te beslissen. De term
‘referendum’ of ‘plebisciet’ werd echter niet genoemd
en de benaming bleef vaag. John Saltford concludeerde hieruit dat het niet
zozeer de intentie was de Papoea’s vrijelijk over hun lot te laten
beslissen, maar om het gezichtsverlies van de Nederlanders te beperken.
Hoewel
het akkoord van New York in een volksraadpleging voor de Papoea’s
voorzag, wisten veel Nederlandse
ingewijden wel beter. ‘Iedereen begreep dat de overgangsregeling en het
referendum een wassen neus waren’, zo stelde P.J.S. de Jong, de
toenmalige staatssecretaris van Oorlog en latere premier (1967-1971), in 2001.[16]
De aanspraak op zelfbeschikking was niet meer dan een theoretische.
Indonesië zou nooit een afscheiding van Nieuw-Guinea accepteren en de
adviserende en toezichthoudende rol van de VN was slechts bedoeld om de schijn
van een eerlijke en democratische voltrekking van de Daad van Vrije Keuze op te
houden. Dit bleek ook uit een
verklaring die een Nederlandse regeringsbeambte gaf aan de Australiërs:
‘
Ondanks dat
velen zich hiervan bewust waren, onderstreepte onderhandelaar Van Roijen
tijdens de ondertekening van het Akkoord in New York echter dat de Nederlandse
regering ‘diep begaan’ bleef met het welzijn van de Papoea’s
en nauwlettend zou toezien op de uitvoering van het verdrag. Hiertoe werd 108
miljoen gulden toegezegd voor verdere ontwikkeling van Nieuw-Guinea.[17]
Ogenschijnlijk positief voor de Papoea’s was dat het akkoord toch in een
aantal overeenkomsten voorzag die Indonesië verplicht diende na te komen
en die in hun wensen op vrije verkiezingen tegemoet kwam. Hieronder vielen
meerdere artikelen van het Akkoord van New York. In artikel 16 werd bepaald dat
een aantal VN waarnemers in het gebied dienden te blijven, nadat de
bestuurlijke controle op 1 mei 1963 was overgeheveld aan Indonesië.
Artikel 18 voorzag in het recht van de Papoea’s om te voorzien in een
‘Daad van Vrije Keuze’, ondanks dat de termen
‘referendum’ of ‘plebisciet’ niet in het akkoord werd
genoemd. Deze volksstemming diende uitgeoefend te worden onder internationale
standaarden waarmee, maar ook dit werd niet expliciet verwoord, het one man,
one vote systeem werd bedoeld. Tot slot bepaalde artikel 22 dat de VN en
Indonesië de rechten van de Papoea’s diende te waarborgen, waaronder
de vrijheid van meningsuiting, bewegingsvrijheid en vrijheid van oprichting van
een Papoea-Raad.
Voor
Jakarta was de instemming met de volksraadpleging slechts onder de zwaarst
mogelijke Amerikaanse druk tot stand gekomen en vanaf de start probeerde de Indonesiërs
het werk en de autoriteit van UNTEA te ondermijnen. Jakarta maakte duidelijk
dat verzet vanuit de Papoea-bevolking niet werd getolereerd en Indonesische
tegenacties in de vorm van geweld niet zouden worden geschuwd. De UNTEA-periode (1 oktober 1962 –
1 mei 1963) werd dan ook gedomineerd door constante druk vanuit Jakarta en
weinig support vanuit de VN in New
York, temeer vanwege de Cuba-crisis (november 1962) waarop alle aandacht was
gericht. Vanaf de start was het duidelijk dat het volbrengen van de
UNTEA-missie volledig afhankelijk was van de medewerking van Indonesië.[18]
Hierdoor slaagde UNTEA er niet in de rechten en vrijheden van de Papoea’s
te waarborgen en de Papoea’s voor te lichten over de inhoud van het
akkoord. Daarnaast deed UNTEA er weinig aan de intimidatie van Indonesië
jegens de Papoea’s te voorkomen.
De
eerste periode onder Indonesische heerschappij
Het Akkoord
van New York gaf Indonesië ‘volledige bestuurlijke controle’
over het gebied per 1 mei 1963. Tot de in 1969 te voltrekken Daad van Vrije
Keuze behield Nieuw-Guinea dan ook een bijzondere status. Drie dagen na de
aanvang van de Indonesische heerschappij (4 april 1962), bracht president
Soekarno zijn eerste (en tevens laatste) bezoek aan het gebied. Hij liet zich
onthalen als overwinnaar en drukte meteen een stempel op de kaart door de
hoofdstad Hollandia te herdopen in ‘Soekarnopura’ (Soekarno stad)
en de naam Nieuw-Guinea officieel te veranderen in West-Irian (Irian
Barat). Kort na het bezoek werden
alle bestaande Papoease politieke partijen verboden, wat een fundamentele
inbreuk betekende op artikel 22 van het Akkoord van New York. Tevens werd het
gebied door Indonesië tot gesloten gebied verklaard voor VN-deskundigen.
Ook dit betekende een breuk op het overeengekomene. Artikel 16 van het Akkoord
van New York verklaarde immers dat na de overdracht van het bestuur aan
Indonesië een aantal VN-experts in het gebied zouden blijven om
assistentie te verlenen bij de voorbereidingen van de volksraadpleging.
De
Indonesische houding jegens Papoea werd al snel duidelijk in 1964 toen, na 12
maanden uitstel, verschillende ambassadeurs eindelijk het gebied betraden om de
situatie daar in ogenschouw te nemen. De Amerikaanse ambassadeur observeerde
dat de Indonesiërs de Papoea’s uit de hoogte behandelde op een
‘klassieke koloniale manier’.
De Indonesische bezettingsmacht gedroeg zich als precieze kopieën
van hun vroegere koloniale bazen en vernederden de Papoea’s op exact
dezelfde wijze als vroeger de Nederlanders bij de ‘inlanders’ hadden
gedaan. De vrijheidsdrang van de
Papoea’s was toen al aangewakkerd en al vanaf 1962 ontstonden de eerste
kleine plaatselijke protesten tegen de Indonesische onderdrukking. Op 15 juli
1963 waren politieke activiteiten in Irian zonder voorafgaande toestemming van
de gouverneur verboden bij presidentieel besluit. Als reactie hierop ontstond de ‘Operasi Papua Merdeka’ (OPM),
oftewel de Papoea Vrijheids-Organisatie.
Het Maleise woord ‘Merdeka’
(vrijheid), dat door de Indonesiërs luidkeels werd geschreeuwd toen ze
de Nederlanders hun land uitjoegen, werd voor de Papoea’s echter
verboden. Indonesië bombardeerde en beschoot de bevolking van zijn eigen
26e provincie alsof het een gevaarlijke vijand was. Sinds 1964
werden de Papoea’s geïntimideerd. Dit, plus het feit dat al sinds
dat jaar massale immigratie van Indonesiërs naar Papoea werd
gepropagandeerd en uitgevoerd, tezamen met de bodemschattenroof die plaats vond
(met name koper) maakt dat Nieuw-Guinea een uitgebuite neo-kolonie werd. Alleen
al in de aanloop naar de Daad van Vrije Keuze in 1969 kwamen duizenden
Papoea’s om het leven.
De
aanloop naar de Daad van Vrije Keuze
Psychologisch
gezien was het afstaan van Nieuw-Guinea voor Nederland een emotionele
amputatie. Toch bleek van een trauma, zoals na het verlies van
Nederlands-Indië, geen sprake. Integendeel. Het aantreden van Soeharto in
oktober 1965 als nieuwe sterke man en zijn meer op het Westen gerichte ‘Orde Baru’ bracht Nederland ertoe
al het mogelijke te doen om Indonesië er economisch weer bovenop te helpen
en in de Westerse sfeer te trekken.
De betrekkingen tussen Nederland en Indonesië die al meteen
vriendelijker werden nadat Nieuw-Guinea aan Indonesië was overgedragen,
verbeterden zeker na het herstel
der diplomatieke betrekkingen in 1965. Alles wat de snel beter wordende
verhouding in gevaar kon brengen, diende angstvallig te worden vermeden. Den
Haag zag zich daarbij voor de keus gesteld: of strikte toezicht op de
uitvoering van het Akkoord van New York en daarmee de relatie met Indonesië
opnieuw belasten, of de kans het failliete en door grote politieke onrust en
economische malaise geteisterde Indonesië weer op de been te helpen, maar
dan een oog toeknijpen ten opzichte van Nieuw-Guinea. De Nederlandse voorkeur
ging uit naar de tweede optie, te meer daar Nederland door een goede relatie te
onderhouden met Indonesië in staat zou zijn iets voor de Papoea’s te
kunnen doen. Zakelijk en politiek gezien moest de relatie met Indonesië
zwaarder wegen en ditmaal kreeg het eigenbelang prioriteit boven morele
overwegingen.[19]
Irrationele motieven maakten langzaam plaats voor een rationele beschouwing van
de kwestie. Nederland trok zijn handen af van de Papoea’s en verschool
zich in zijn ‘hulpeloosheid’ hen te helpen achter het argument dat
men geen formele bemoeienis meer had met de Daad van Vrije Keuze. Den Haag koos
voor het te vriend houden van Indonesië. Steevast werd de
verantwoordelijkheid voor de feitelijke gang van zaken afgewenteld op
Indonesië en de VN. ‘Het enige wat Nederland kan doen’,
betoogde Luns in de ministerraad van februari 1969, ‘is trachten
Indonesië te bewegen een min of meer aanvaardbare schijn van een echte
volksraadpleging op te bouwen’.
De
commotie in de media en publieke opinie omtrent de Daad van Vrije Keuze nam
steeds verder toe naarmate de volksraadpleging in juli-augustus 1969 naderde. Ook de
ministerraad plaatste vraagtekens bij het Indonesische optreden dat niet
conform de afspraken in het Akkoord van New York was. Indonesië was er,
kortom, op uit de volksraadpleging zo te regisseren dat succes verzekerd was.
Dit betekende dat het one man one vote systeem,
de veronderstelde internationale standaard,
niet gehanteerd zou worden, maar het systeem van ‘Musyawarah’, de Indonesische
standaard waarbij aangewezen kiesmannen net zolang zouden praten totdat
consensus was bereikt, zou worden gebruikt. Dat dit niet conform de intentie
van het Akkoord was, werd door de internationale gemeenschap niet bezwaarlijk
en onoverkomelijk geacht. Nederland was niet gelukkig met deze opstelling, maar
het wilde geen ophef maken over deze ‘netelige zaak’ omwille van de
goede relatie met Indonesië. De secretaris-generaal van de VN, U Thant,
huldigde een zelfde pragmatische opvatting nadat hij stilzwijgende verzekering
van de VS en Australië had gekregen dat ook zij zich koest zouden houden
jegens Indonesië omwille van de goede betrekkingen. Zo kreeg Jakarta vrij
baan om de volksraadpleging naar eigen inzichten vorm te geven.
De
Daad van Vrije Keuze (1969)
In 1969
werden overeenkomstig artikel 18 van de New York Overeenkomst de Papoea’s
in staat gesteld gebruik te maken van hun recht op zelfbeschikking, via de
zogenaamde ‘Daad van Vrije Keuze’. De beslissing over de toekomst
van Nieuw-Guinea zou worden genomen door een achttal volksvergaderingen,
één per regentschap. De grootte van deze volksraden was
afhankelijk van het bevolkingsaantal per regentschap en diende ten minste 75 en
ten hoogste 175 leden te tellen. Dit kwam neer op een aantal van 1025
kiesmannen op een bevolking die destijds op een aantal van 800.000 werd
geschat. Zij vormden geen enkele
afspiegeling van de bestaande, traditionele en functionele groepen in Papoea,
laat staan dat er sprake was van een democratische procedure.
Van
14 juli tot 2 augustus 1969 vond de volksstemming plaats. De uitslag was dat
alle geratificeerde 1025 kiesmannen unaniem voor aansluiting bij Indonesië
kozen.[20]
De internationale gemeenschap, inclusief Den Haag was zich bewust van de weinig
frisse gang van zaken, maar deed alsof haar neus bloedde, hetgeen ook de
opstelling was van de secretaris-generaal van de VN, U Thant. Toen de uitslag
van het referendum ter beoordeling aan de Algemene vergadering van de VN werd
voorgelegd, voelde Luns zich niet geroepen kritische vragen te stellen. Nu
zelfs Nederland niet aan de bel trok, voelde ook de rest van de wereld zich
niet geroepen hier ophef over te maken. Niemand had er immers baat bij
Indonesië tegen zich in het harnas te jagen en van deze kwestie nog een
halszaak te maken. Luns prees het optreden van Ortiz Sanz, het hoofd van de
waarnemersmissie van de VN die moest toezien op een eerlijk verloop van de
zelfbeschikkingsprocedure voor de Papoea's. Om de schone schijn op te houden,
alsmede het eigen geweten, tastte de regering in Den Haag diep in de
geldbuidel. Nederland doneerde hiervoor nog eens 17 miljoen gulden extra.
Indonesië werd zo het belangrijkste donorland van Nederland. De Algemene Vergadering van de VN
sanctioneerde vervolgens het besluit. Nederland had daarvoor achter de schermen
reeds actief gelobbyd om deze als geruisloos afgehandeld te krijgen. Nieuw-Guinea werd aldus eind 1969 een
provincie van de Indonesische Republiek.
Dat
deze afwikkeling in flagrante strijd was met de afspraken, werd nadien ook
erkend door tal van betrokkenen. Zo hebben enkele VN-waarnemers die in
‘The mood at the United Nations was to get rid of this problem as
quickly as possible… Nobody gave a thought to the fact that there was a
million people who had their fundamental rights trampled… How could
anyone have seriously believed that all voters unanimously decided to join
Soeharto’s regime?’
Papoea’s
noemen de volksraadpleging cynisch de ‘Act of No Choice’ en
de ‘Act of Free
killing’. De Amerikaanse
historicus, John Saltford,
noemt de volksstemming in zijn boek ‘een
beschamende episode’, een oordeel dat zijn Nederlandse collega, Hans
Meijer, deelt. Die spreekt met een understatement van een ‘weinig
verheffend schouwspel’ Hij toont aan dat ook het Nederlandse kabinet goed
besefte dat Nederland in het geheel een weinig verheffende rol had gespeeld, zo
nam het kabinet niet eens meer de moeite de kwestie nog te evalueren. De
aandacht werd snel op nieuwe zaken gericht. De volksraadpleging was aldus een
schertsvertoning geworden, iets wat Luns eerder dat jaar zelf al had voorspeld.
* De Groene
Amsterdammer, 22 november 1969
De jaren 1969 - 1998
De situatie van de
Papoea’s tot de val van Soeharto
Van het
begin af aan werd door de Papoea’s fel tegen de Indonesische controle
over het gebied geprotesteerd. De Papoea-bevolking deed dat aanvankelijk op een
vreedzame manier, maar de reeds genoemde OPM, Papua Vrijheids-Organisatie, nam
tenslotte de wapens op tegen Indonesië. Het verzet tegen de onrechtmatige
verdeling van de welvaart werd mede gevoed door massale transmigratie van
Indonesiërs naar het gebied. In het kader van officiële transmigratieprogramma’s
zijn naar schatting zevenhonderdduizend boeren en arbeiders uit overbevolkte
gebieden vanuit Indonesië naar West-Irian (sinds 1973 Irian Jaya geheten)
getrokken. Langzamerhand begonnen de Papoea’s een minderheid in eigen
land te vormen. De OPM bleef zich
verzetten tegen het Indonesische bewind. De ongelijkheid in de verdeling van de
welvaart en de mensenrechtenschendingen voedden mede de Papoease
onafhankelijkheidsstrijd. Een strijd die tot op de dag van vandaag wordt
gestreden.
Het
valt moeilijk te ontkennen dat er sinds de volksraadpleging in 1969 aan
Nederlandse kant een ‘schuldig zwijgen’ heerste, de gevolgen voor
de Papoea’s dramatisch waren en de internationale rechtsorde was
geschaad.[21]
Nederland hield zich doof. In de aanloop naar de breuk in 1992 werd door
minister Pronk de mensenrechtensituatie in Atjeh en Oost-Timor echter wel aan
de kaak gesteld, maar over Papoea werd geen woord gerept. Wellicht besefte
Pronk dat ook Nederland in deze zaak ‘vuile handen’ had. Ook
tijdens het staatsbezoek van koningin Beatrix in 1995 werd over de
mensenrechtenschendingen in Papoea niet gesproken. Weliswaar was Den Haag zich
terdege bewust van haar morele medeaansprakelijkheid inzake deze trieste
kwestie, maar wilde het kabinet de broze relatie tussen Nederland en
Indonesië niet nog verder verzwakken. Soeharto had in 1992, inzake de
kwestie Atjeh als ook ten opzichte van Oost-Timor, immers al duidelijk laten
blijken dat hij geen enkele bemoeienis aangaande interne zaken duldde. Zolang
Soeharto aan het bewind bleef, was de tijd kortom niet rijp voor het aan de
kaak stellen van de kwestie-Papoea.
De periode 1998 – heden
De
val van Soeharto (1998)
De
onverwacht snelle val van Soeharto in 1998 opende echter nieuwe mogelijkheden. De
roep om afscheiding begon te klinken vanuit al de Indonesische volken die van
oudsher problemen hadden met hun ondergeschikte positie binnen de Republiek
Indonesië. Onder Soeharto was elke vorm van autonomie laat staan
onafhankelijkheid onbespreekbaar, maar de in mei 1998 nieuw aangetreden Habibie
ging in het kader van reformasi en
door de noodgedwongen zaak het land bijeen te houden de discussie met Atjeh, de
Molukken en ook Papoea aan over verregaande autonomie. De hoop van de Papoea’s was
gevestigd op een nieuw en eerlijk referendum. De roep om gerechtigheid begon
steeds duidelijker te klinken. De toezeggingen van president Habibie aangaande
autonomie hadden echter een averechts effect, want het leger als hoeder van de
idealen van de Indonesische revolutie en bewaarder van de Indonesische
eenheidsstaat was tegen zijn toegevend beleid. De militairen voorzagen
desintegratie van Indonesië. De militaire repressie vanuit Jakarta op de
‘rebellen’ nam zodoende toe. Demonstraties tegen de regering werden
door de militairen met bruut geweld uiteengeslagen en er werd een verbod
uitgevaardigd op het houden van politieke bijeenkomsten.
Habibie moest als overgangspresident in
oktober 1999 wijken voor Abdurrahman Wahid. Deze gematigde politicus en
religieus leider probeerde de zaak zoveel mogelijk bijeen te houden door ook
concessies te doen. Na het referendum op Oost-Timor op 30 augustus 1999 en de
daaruit voortvloeiende belofte van
onafhankelijkheid in mei 2002, poogden ook Atjeh, de Zuid-Molukken en Irian
Jaya hun onafhankelijkheid op de daarop volgende agenda geplaatst te zien.
Onder druk van de beweging voor een onafhankelijk West-Papoea (zoals
Nieuw-Guinea sinds 1973 heette), besloot Wahid tot een naamsverandering. Zo
werd Irian Jaya op 1 januari 2000 officieel omgedoopt in ‘Papoea’,
een naam die al tientallen jaren gebruikt werd door ijveraars van
onafhankelijkheid voor het gebied. Wahid noemde het ‘een grondwettig
recht om zich uit te spreken voor een onafhankelijk Papoea’, maar zei ook
‘dat het zijn constitutionele plicht als president was om vast te houden
aan de onschendbaarheid van het Indonesische grondgebied’. Van
afscheiding kon volgens de president geen sprake zijn. Wel bood hij zijn
verontschuldigingen aan voor de wandaden van de Indonesische troepen in het
gebied. Intussen was het hijsen van de Papoea-vlag op 1 december 1999 al
officieel gedoogd door het leger en politie, kennelijk op bevel van Wahid. Deze
welwillendheid stond in scherp contrast tot het voorgaande beleid, want een
jaar daarvoor was het hijsen van de Papoea-vlag nog op gewelddadige door het
leger verhinderd.
Het
aantreden van Wahid voedde het vertrouwen van de Papoea’s en hun eis om
onafhankelijkheid klonk steeds sterker. Een groep van vierhonderd onderwijzers,
studenten, dominees, lagere ambtenaren en politiek gevangenen kwamen bijeen en
constitueerden zichzelf tot de Papoea-Raad. De Papoea-Raad werd het parlement
van de beweging, het Papoea-Presidium werd het uitvoerende lichaam en de
voorzitters werden Tom Beanal en Theys Eluays. Besloten werd vijfduizend
Papoeavertegenwoordigers bijeen te roepen en het thema van het congres in
mei-juni 2000 was het ‘rechtzetten van de geschiedenis’. De
bijeenkomst nam een politieke motie aan, waarin stond dat de uitslag van het
referendum van 1969 het product was van intimidatie, dat de gang van zaken niet
strookte met het Akkoord van New York en dat deze volksraadpleging geen geldige
rechtsgrond vormde voor integratie in Indonesië. Ze verklaarden de strijd
om onafhankelijkheid vreedzaam te willen voeren langs de weg der
onderhandelingen met democratische en diplomatieke middelen.
Wahid
was bereid de opstandige gebieden vergaande autonomie te verschaffen, maar trad
eveneens hard op tegen afscheidingsbewegingen. Echter, ook hij wist temidden
van de chaos in Indonesië geen stand te houden.[22]
Zijn opvolgster, Megawati Soekarnoputri, kwam in juli 2001 aan het bewind. Zij
zag de ‘integratie’ van deze opstandige provincie als het sluitstuk
van het nationale éénheidsstreven van haar vader.[23]
Jakarta trok de teugels weer strak aan en Megawati verbood het hijsen van de
Papoea-vlag, terwijl ook de naam Papoea (tijdelijk) weer geschrapt werd. Tevens
werd de omvang van het Indonesische garnizoen en politiemacht opnieuw sterk
uitgebreid.[24] De
minister van Sociale, Politieke en Veiligheidszaken, Bambang Susilo Yudhoyono,
liet echter wel weten Papoea en Atjeh verregaande autonomie te willen blijven
verlenen, maar dat tegen ‘separatistische activiteiten’ hard zou
worden opgetreden.[25]
Onafhankelijkheid was geen optie.
Sinds
de val van Soeharto in 1998 had de Operasi
Papoea Merdeka (OPM) geen acties van betekenis meer ondernomen, maar
doordat het Papoea-Presidium de OPM strijders deelname ontnam, zette dit kwaad
bloed en werd de OPM sindsdien weer actief.[26]
De integratiepolitiek van Megawati deed de gemoederen eveneens hoog oplaaien.
Speciale
Autonomie
Op 22
oktober 2001 werd het blijvende verzet van de Papoea’s beloond door
aanname van de Speciale Autonomiewet in Jakarta. Twee jaar nadat Wahid de naam Irian Jaya
in Papoea had veranderd, accepteerde de regering-Megawati een intern
zelfbeschikkingsrecht voor de bevolking van Papoea (dat toch zo mocht heten).
Het budget voor de Papoea provincie werd bijna verdubbeld. Bovenal zou een deel
van de inkomsten van Papoea nu niet langer naar Jakarta, maar ten goede komen
aan de regio zelf. Ook werd bepaald dat Papoea recht had op eigen
‘culturele symbolen’, zoals een vlag en een volkslied. In de
Speciale Autonomiewet werd concreet bepaald dat de provincie voortaan zeventig
procent van de olie, gas en mijnbouw terug zou krijgen en uit de minder
lucratieve sectoren zoals visserij en bosbouw tachtig procent.
Hoewel
de eis van onafhankelijkheid door de Indonesische regering opnieuw werd
afgewezen, was een deel van de Papoea’s tot medewerking bereid als het
lukte zo de ‘geschiedenis te herschrijven’. Dat betekende erkenning
van het onrecht dat hen was aangedaan sinds de overdracht van het gebied in
1963. De Papoea-leider Theys Eluays kwam
met een ‘manifest’ samen met vijfentwintig vertegenwoordigers
uit alle delen van de regio. Zij kwamen begin november 2001 tot de overtuiging
dat hun rampzalige lot mede was veroorzaakt door Nederland, dat nooit had
geprotesteerd tegen de wijze waarop de volksraadpleging in 1969 werd gevoerd.
Een
maand na de aanname van de Speciale Autonomiewet werd Eluays in november 2001
echter door militairen vermoord. Wie opdracht had gegeven tot de moord is nog
altijd niet duidelijk en zal wellicht ook nooit bekend worden. Uiteindelijk
bleek dat Eluays door de soldaten was gewurgd. Papoea’s gingen uit
protest massaal de straat op. Viktor Kaisiepo, een vooraanstaand Papoea
mensenrechtenactivist woonachtig in Nederland, noemde de moord een
‘politieke moord’. Het Papoea-Presidium, Presidium
Dewan Papoea (PDP), wenste dan ook een onderzoek naar de moord op Eluays
onder internationaal toezicht, maar Megawati weigerde hierover te praten.
Mensenrechtenorganisaties werden consequent niet toegelaten tot Papoea
grondgebied, wederom een bewijs dat Indonesië geen inmenging in ‘soevereine
zaken’ duldt. Hoezeer de mensenrechtensituatie was verslechterd, bleek
aan de vooravond van 1 december 2001, de dag waarop veel Papoea’s hun
vlag hijsen ter herdenking aan 1 december 1961. De wapperende Papoea-vlag werd
naar beneden gehaald en meer dan veertig sympathisanten verdwenen achter de
tralies.
Ondertussen
werd de Wet op Bijzondere Autonomie in maart 2003 door Megawati weer op losse
schroeven gezet, door te bepalen dat Papoea moest worden opgedeeld. Hiermee gaf
de Indonesische regering opdracht tot ‘versnelde uitvoering’ van
een oud wetsvoorstel uit 1999. Dit wetsontwerp behelsde de opdeling van de
provincie in drie kleinere provincies, wat op massaal verzet stuitte van de
Papoea-bevolking. Dat dit ‘afgeschreven’ plan weer opnieuw ter tafel
kwam, hield verband met het verzet tegen de wet op Bijzonder Autonomie voor
Papoea die in oktober 2001 was aangenomen door het Indonesische parlement.[27]
Dit besluit heeft de uitvoering van de Speciale Autonomiewet hoogst onzeker
gemaakt. De autonomiewet vereiste namelijk dat een besluit tot bestuurlijke
herindeling de goedkeuring behoefde van het streekparlement en de
Papoea-Volksraad. Echter, het streekparlement is nooit op de hoogte gesteld van
het voornemen tot bestuurlijke herindeling terwijl een Papoea-Volksraad op het
moment van het besluit nog niet was ingesteld. De herindeling zorgt tot op de
dag van vandaag dan ook voor grote problemen tussen Indonesië en Papoea.
In de praktijk blijkt de Speciale Autonomie tot op heden nooit volledig te zijn
uitgevoerd en dat er nog meer militairen naar het gebied zijn gezonden dan ooit
voorheen.
Bevindingen
van mensenrechtenorganisaties
Pas eind
2004 stelde de Indonesische commissie voor de mensenrechten (KomnasHAM) een onderzoek
in naar de terreur van het Indonesische leger. Conclusie van het rapport was
dat er sprake was geweest van ‘genocide’ in Papoea.[28]
Het Indonesische leger werd bovendien verantwoordelijk gesteld voor illegale
houtkap en andere verstorende economische activiteiten, het destabiliseren van
Papoea door het orkestreren van aanvallen waarbij de schuld bij de OPM werd
gelegd, illegale wapenhandel, het trainen van anti-Papoea-milities, prostitutie
en de verspreiding van HIV/AIDS.[29]
Een onderzoek van de Amerikaanse universiteit Yale naar de
mensenrechtensituatie in Papoea bood eveneens een treurige opsomming van wat
Indonesië de Papoea’s had aangedaan sinds het in 1963 het beheer
overnam van Nederland. Volgens de Amerikaanse onderzoekers
dienden die handelswijzen maar één doel: ‘de vernietiging
van de Papoea’s’. Het Amerikaanse congres sprak in 2003 tevens zijn
bezorgdheid uit over dit rapport en vroeg de VN de Papoea’s in staat te
stellen een referendum te houden over eventuele afscheiding van
Indonesië. De in oktober 2004
aangetreden president, Bambang Yudhoyono, wees dat resoluut van de hand en zei
dat Papoea een binnenlandse kwestie betrof en Jakarta inmenging van buitenaf
niet zou dulden. Onafhankelijkheid
was voor Yudhoyono uitgesloten. Wel bleef hij wijzen op de speciale autonomie
voor de regio. De Indonesische regering beloofde op korte termijn een inheemse
Papoea-volksvergadering te zullen instellen, waarvan uitsluitend leden van de
Papoea-bevolking deel uit zouden maken. De ‘Majelis Rakyat Papua’, Papoea-Raad
(MRP), werd inderdaad in november 2005 geïnstalleerd, na vier jaar
vertraging. Deze ‘Raad van het volk van Papoea’ heeft een machtige
stem toebedeeld gekregen ten aanzien van elke belangrijke beslissing die over
Papoea wordt genomen. Zowel in de MRP als het provinciebestuur zitten veel
Papoea's die op zijn minst sympathiseren met het idee van een onafhankelijk
Papoea. Tom Beanal, de opvolger van de Papoea-leider Eluays, is echter minder
optimistisch: 'Indonesië stuurt de laatste tijd veel militairen naar
Papoea. Waarom? Waarom hebben ze vier jaar gewacht met het instellen van
de MRP? En waarom willen zij Papoea in stukken snijden?’ Volgens Beanal
was de beslissing tot opdeling van Papoea een duidelijke actie om de speciale
autonomie van de provincie te frustreren, omdat de Indonesische regering
helemaal geen autonoom Papoea wil.
De
Nederlandse houding inzake de kwestie Papoea
De roep van
de Papoea’s om onafhankelijkheid klonk steeds sterker door in
Indonesië, maar ook bij het kleine duizendtal Papoea’s in Nederland. Van de toezegging van Nederland in 1962 om alert te
blijven op het wel en wee van de Papoea’s kwam niets terecht. De
gebeurtenissen in het voormalig Nieuw-Guinea werden in de Nederlandse politiek
genegeerd. Morele overwegingen maakten plaats voor een strikt realistische
benadering en gekozen werd voor een goede verhouding met Indonesië.
Indonesië toonde zich uiterst gevoelig voor elke bemoeienis van buitenaf
en bestempelde de kwestie steevast als een strikt binnenlandse aangelegenheid
en beriep zich op het soevereiniteitsprincipe. De Nederlandse politiek liet
Indonesië zijn gang gaan om een goede verstandhouding te waarborgen, dit
ondanks het feit dat er ondertussen massale mensenrechtenschendingen plaats
vonden jegens de Papoea’s. De Papoea’s werden kortom aan hun lot
overgelaten. Onder de opvolger van minister van Buitenlandse Zaken Luns, N.
Schmelzer (1971-1973) werd bijvoorbeeld geen enkele aandacht aan het gebied en
zijn inwoners besteed. Zo werd door de minister van ontwikkelingssamenwerking,
J. Pronk, de mensenrechtensituatie in Oost-Timor en Atjeh wel herhaaldelijk aan
de orde gesteld, maar werd er geen woord vuil gemaakt aan de situatie van de
Papoea’s. Tijdens het staatsbezoek van koningin Beatrix aan
Indonesië in 1995 werden de mensenrechtenschendingen in Papoea eveneens
niet besproken. Aan Nederlandse zijde werd geconstateerd dat de
periode-Soekarno niet rijp was voor het aan de orde stellen van de situatie in
het omstreden gebied.
De
val van Soeharto deed de politieke desinteresse voor de Papoea’s echter
verdwijnen. De ontwikkelingen in Indonesië kregen ruimschoots de aandacht
in de Nederlandse en internationale media. Het aantreden van Habibie in 1998 en
zijn opvolger Wahid in 1999 brachten hoop op verbeteringen op het gebied van
democratie en mensenrechten. Zo ging laatstgenoemde president, door de
opgevoerde druk als gevolg van de gekozen onafhankelijkheid van Oost-Timor in
september
De
Nederlandse regering kon volgens menigeen de morele medeplichtigheid niet
blijven ontkennen. Tweede Kamerlid, E. van Middelkoop (Gereformeerd Politiek
Verbond, GPV), gaf in december 1999 te kennen ‘dat hij het niets vond dat
de Kamer na tientallen jaren zijn verantwoordelijkheden nog steeds niet erkende.’
Hij diende daartoe het volgende voorstel in:
‘De Act
of Free Choice van 1969 is met medewerking van Nederland een
schetsvertoning geweest. Toen is er geen recht gedaan aan het recht van de
Papoea’s. Onlangs bereikten ons berichten uit Australië die een
nieuw licht werpen op de gebeurtenissen die hebben geleid tot inlijving in de
Indonesische Republiek. Ik meen dat de toekomst van de Papoea’s gediend
is met een eerlijk onderzoek naar het verleden. Ik wil daarom de regering
uitnodigen, te bevorderen dat een dergelijk onderzoek wordt gehouden. Dat kan
met medewerking van personen, voor zover nog in leven, die betrokken waren bij
de besluitvorming destijds met Indonesië, Australië en vooral ook de
VN. Een dergelijk onderzoek gaat, om misverstanden te vermijden, niet over de
staatkundige toekomst van Nieuw-Guinea. Wel kan het een bijdrage leveren aan
een verstandige discussie daarover, een discussie die overigens nu reeds in de
straten van Jayapoera is gestart.’
Minister
van Buitenlandse Zaken destijds,
J.J. van Aartsen (1998-2002), reageerde echter niet op deze oproep. Om
deze reden werd door Van Middelkoop, tezamen met de parlementariër J.T.
van den Berg (Staatkundig Gereformeerde Partij, SGP), op 9 december 1999 een
motie met dezelfde strekking ingediend. De verrassende reactie van Van Aartsen
hierop luidde als volgt:
‘Ik moet eerlijk zeggen dat ik enige
aarzelingen had bij de ideeën van de heer Van Middelkoop op dit punt.
Overigens meen ik dat ik hierover in de schriftelijke beantwoording eerlijk was,
maar misschien is er iets misgegaan bij de verwerking van mijn antwoord. Ik ga
ervan uit dat het de heer van Middelkoop er niet om gaat het statenverband van
Indonesië verder ter discussie te stellen. Daar wil ik namelijk een dikke
streep onder zetten. Die discussie moeten wij niet voeren met de Indonesische
regering. Dat wil ik vooraf met enige klem gezegd hebben, zeker in de richting
van de Indonesische regering. Het lijkt mij goed voor de geschiedschrijving om
te doen wat de heer Van Middelkoop in dit kader vraagt. Mijn reactie op de
motie is dus positief, waarmee deze in zekere zin overbodig is geworden.’
De reden
dat Van Aartsen zoveel jaar na dato alsnog een onderzoek instelde naar de gang
van zaken rond de bestuursoverdracht in 1962 en de Daad van Vrije Keuze is
volgens Van Middelkoop achteraf bezien tweeledig.
‘Ten eerste heeft Van Aartsen via zijn vader,
Jan van Aartsen die ook minister is geweest, vermoedelijk het besef meegekregen
dat de Papoea’s destijds onrecht is aangedaan. Dat besef leefde breed en
vooral in de wereld van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en andere
protestantse groeperingen, zoals het GPV, waartoe ook ik behoorde.’
Dit had er,
aldus Van Middelkoop, toe geleid dat Van Aartsen intuïtief van de
redelijkheid van het verzoek tot het instellen van een Papoea-onderzoek
overtuigd was.’ In een persoonlijk interview, gehouden in september 2006,
beaamde Van Aartsen dit:
‘Mijn vader is in 1958 minister van Verkeer en
Waterstaat geworden in het vierde Kabinet-Drees, van 1959 tot 1963 minister van
Volkshuisvesting en Bouwnijverheid, zoals dat toen heette, in het kabinet de
Quay en van 1963 tot 1965 werd hij weer minister van Verkeer en Waterstaat in
het kabinet-Marijnen. De hele episode uit 1962 heeft zich in zekere zin dus ook
in discussies bij ons aan de keukentafel vertaald. Aangezien ik al van jongs af
aan politiek zeer geïnteresseerd was herinner ik mij heel sterk de
gevoelens die leefden in de boezem van het kabinet-de Quay over deze affaire.
Ik geloof dat mijn vader behoorde tot diegenen die de ‘Luns-visie’
ondersteunde. Met andere woorden, een visie waarin naar een hoge mate van
zelfbeschikking voor de Papoea’s werd toegewerkt en niet de koers werd
gevolgd van het uitleveren van de Papoea’s aan Indonesië. Dat was
dan ook het wrange van het besluit in 1962, dat werd door velen zo gevoeld en
ook door mijn vader, dat ze de Papoea’s in Nieuw-Guinea min of meer aan
hun lot over lieten.’
Ten tweede
lag het besluit van Van Aartsen, aldus van Middelkoop, in lijn met de situatie
in Indonesië op dat moment: ‘In Indonesië had de toenmalige
president Wahid een dialoog met alle volkeren in Indonesië in het
vooruitzicht gesteld, inclusief de Papoea’s. Dit betekende dat
Indonesië niet onmiddellijk zou protesteren als in Nederland een dergelijk
onderzoek zou worden ingesteld.’ Ook dit wordt bevestigd door Van
Aartsen. De oud-minister van Buitenlandse Zaken voegt er in het genoemde
interview aan toe:
‘Toen Van Middelkoop om een historisch
onderzoek vroeg was mijn overweging heel simpel; laten we in een
wetenschappelijk onderzoek nou eens bekijken wat er precies is gebeurd, zonder
daarbij het statenverband van Indonesië aan de orde te stellen. Wat heeft
de Act of Free Choice voorgesteld en
hoe komt het dat de Wiedergang van de
geschiedenis geweest is zoals die was? De kwestie-Nieuw-Guinea behoort immers tot een belangrijk deel
van onze geschiedenis. Met name omdat er ook veel Papoea’s in Nederland
wonen en een groep in de Nederlandse samenleving zich altijd druk is blijven
maken over het lot van de Papoea’s in de periode ’63 tot ’69
en de periode daarna. Het ging Van
Middelkoop, althans zo heb ik hem begrepen en zo heb ik het dacht ik ook in de
Tweede Kamer verwoord, om het uitzoeken van de gegevens, de feiten, de
ontwikkelingen ten aanzien van de verhouding tussen Nederland en Nieuw-Guinea
en de rol van Nieuw-Guinea in de Nederlandse politiek ten opzichte van
Indonesië. Ik vond het niet meer dan logisch dat je dat gewoon doet. Ik
vond de vraag van Van Middelkoop dus redelijk, begrijpelijk en eigenlijk
noodzakelijk. Ik kon natuurlijk wel bevroeden dat er enige wenkbrauwen zouden
worden gefronst in Jakarta, ofschoon ze in een nieuwe fase zaten met Wahid die
net was aangetreden. Maar dat was natuurlijk ook de reden waarom Van Middelkoop
juist toen met dat verzoek kwam.’
Besloten
werd het historische onderzoek naar de Daad van Vrije Keuze door het Instituut
voor Nederlandse Geschiedenis (ING) te laten uitvoeren, onder leiding van
professor P.J. Drooglever. Van Middelkoop hoopte dat het historisch onderzoek
tientallen jaren van stilzwijgen van de internationale gemeenschap, en
voormalig kolonisator Nederland voorop, eindelijk eens zou doorbreken.
V.
Kaisiepo, vertegenwoordiger van de Papoea-Raad in Nederland, toonde zich
‘zeer gelukkig’ met het onderzoek, omdat Nederland nu voor het
eerst de feiten van de periode 1962-1969 op een rij liet zetten. De stichting
Pro-Papoea was echter minder positief, omdat vooraf werd vastgesteld dat het
onderzoek de ‘territoriale integriteit van Indonesië niet mocht schaden’. De Papoea’s hoopten op Nederlandse
steun in hun onafhankelijkheidsstreven en zij verwachtten dat Den Haag er bij
de VN op zou aandringen de volksraadpleging van 1969 ongeldig te verklaren.
Voor
de regering kon van onafhankelijkheid evenwel geen sprake zijn, ook al kreeg de
mensenrechtensituatie en de Speciale Autonomiewet meer aandacht in de
Nederlandse politiek sinds de instemming met het
‘Drooglever-onderzoek’. Voor haar, en in grote verband de Europese
Unie (EU), is de enige duurzame oplossing voor de problemen in Indonesië
het effectief implementeren van de speciale autonomiestatus binnen de
territoriale eenheidsstaat. Dat geldt voor de problemen in Atjeh en de
Zuid-Molukken, maar eveneens voor Papoea.[30]
Minister Bot van Buitenlandse Zaken bevestigde in augustus 2004 dat Nederland
geen enkele aanspraak van de Papoea’s op onafhankelijkheid steunde. Hij
deed er een schepje bovenop door te melden dat hij het Drooglever-onderzoek
liever achterwege had gelaten. In het Algemeen
Dagblad verklaarde hij: ‘Ik heb me altijd van het onderzoek
gedistantieerd.’ Toen in de
Tweede Kamer in oktober 2004 door M.C. Haverkamp (CDA) vragen werden gesteld
over deze uitspraak, was de reactie van Bot:
‘De Indonesische regering
is van meet af aan ongelukkig geweest met het onderzoek. De Indonesische
autoriteiten beschouwen het onderzoek als een obstakel in de bilaterale
relatie. Bij de Indonesische autoriteiten bestaat grote zorg dat het onderzoek
voor politieke doelen voor voorstanders van de onafhankelijkheid van Papoea
misbruikt zal worden en tot veel onrust onder de bevolking in de provincie zal
leiden. Om de zorgen aan Indonesische zijde weg te nemen is bij ieder contact
onderstreept dat het onderzoek een academische studie is, waaraan de
Nederlandse regering niet gebonden is. Bovendien is nogmaals benadrukt dat
respect voor territoriale integriteit van de Republiek Indonesië het vaste
uitgangspunt vormt van het Nederlandse beleid met betrekking tot Indonesië.
Tevens is erop gewezen dat reeds veel onderzoek naar deze aangelegenheid is
gedaan. De Nederlandse regering is van mening dat de Speciale Autonomiewet, die
per 2002 van kracht werd, een goede basis biedt om te werken aan verdere
ontwikkeling van Papoea en de Papoea-bevolking binnen de Indonesische
eenheidsstaat. Overigens heeft de Nederlandse regering reeds toegezegd om in de
ontwikkelingssamenwerkingsrelatie met Indonesië meer aandacht te geven aan
Papoea.’
Bot maakte
er kortom geen geheim van dat het Drooglever-onderzoek onder zijn
verantwoordelijkheid niet zou zijn ingesteld, omdat de Indonesische regering
het onderzoek als een obstakel in de wederzijdse betrekkingen beschouwde. Bot
distantieerde zich dus bij voorbaat al van een door Buitenlandse Zaken ingesteld
en gefinancierd onderzoek dat nog niet was afgerond en waarvan hij het
eindresultaat derhalve nog niet kende. De mening van Van Aartsen hierover is:
‘Voor de historie is het juist van belang dat
je zoiets uitzoekt. In Nederland houden we er heel erg van dergelijke gevoelige
kwesties onder het tapijt te stoppen. Dat is uiteindelijk voor een gezonde
discussie en soms ook voor een normale verwerking van episodes niet goed. Bot
heeft daar kennelijk met een andere invalshoek naar gekeken. Ik vermoed dat zijn
Indonesische gesprekspartners dat intuïtief gevoeld hebben, het onderzoek
naar de Daad van Vrije Keuze was immers een vast onderdeel bij de besprekingen
tussen de Nederlandse en Indonesische regering. Dat is waarschijnlijk ook de
reden dat de gevoeligheden aan de Indonesische kant juist toen aan de
oppervlakte kwamen. Ik denk, en dan moet ik voorzichtig zijn, dat het ongeveer
zo is gegaan.’
Dat de
Indonesische regering niet gelukkig was met het onderzoek bleek in 2004
aangaande het Indonesische visumbeleid. Toeristen en andere reizigers uit de
Schengen-landen hoefden voortaan niet meer eerst naar de Indonesische ambassade
om een visum aan te vragen, zij konden dat bij aankomst op het vliegveld in
Indonesië regelen. Alleen voor Nederlanders gold een visumplicht.
’Jullie Nederlanders zijn zo kleinzerig’, zei de Indonesische
regeringsvertegenwoordiger Roeslan Abdulgani ondiplomatiek. ‘Doordat
jullie zo kleinzerig zijn, worden wij dat ook‘.Impliciet erkende hij
hiermee dat de visummaatregel genomen was uit onvrede met het
Drooglever-onderzoek, maar formeel ontkende Indonesië dat. De Indonesische
minister van Buitenlandse Zaken, H. Wirayuda, wees er begin 2004 op dat
Indonesiërs zelf ook een visum moesten aanvragen voor een bezoek aan
Nederland.
Op
de achtergrond speelden andere problemen eveneens een rol. Volgens de
oud-politicus en diplomaat, R. Abdulgani, bemoeien de Nederlanders zich nog
teveel met Indonesië. ‘Wij weten wel dat we zwak zijn op het gebied
van mensenrechten, maar we tonen onze goede wil. Indonesische diplomaten hebben
het gevoel dat de Nederlanders ons in hun vuistje uitlachen, vanwege het
separatisme in Atjeh, Molukken en Papoea.’ Desgevraagd noemde Abdulgani
de hardste klap in het Indonesische gezicht, het onderzoek van Drooglever. ‘Ik
begrijp die Nederlanders niet’, zei de Indonesische oud-minister van
Buitenlandse Zaken onder Soekarno. ‘Ze halen niet alleen oude koeien uit
de sloot, maar maken ook oude wonden open. Wij hebben er geen enkel bezwaar
tegen als Nederland de koloniale geschiedenis opnieuw wil beleven om het
verleden te kunnen verwerken, maar betrek ons daar niet bij. Wij hebben onze
eigen problemen, zoals het pijnlijke verlies van de provincie
Oost-Timor.’
Gezien
de houding van de Indonesische regering is het dan ook niet verwonderlijk dat
minister Bot zich distantieerde van het Drooglever-onderzoek, ook al vond dit
plaats in opdracht van zijn voorganger. Nederland heeft altijd voorrang gegeven
aan een vriendschappelijke relatie met Indonesië boven het welzijn van de
Papoea’s en deed dat nu opnieuw. Met spanning werd door
geïnteresseerden en belanghebbenden in de kwestie-Papoea dan ook
uitgekeken naar de openbaarmaking van het Drooglever-onderzoek dat langer op
zich had laten wachten dan voorzien. De reden daarvoor was, aldus Drooglever,
gelegen in het feit dat ‘mondiaal archiefonderzoek nu eenmaal zeer
tijdrovend is’. Hij ontkende te zijn tegengewerkt door het Ministerie van
Buitenlandse Zaken en stelde zich door niemand te hebben laten manipuleren;
niet door de Nederlandse politiek en ook niet door West-Papoea lobbyisten.
Daarentegen beaamde Drooglever wel dat het spijtig was dat de Indonesische
autoriteiten hem weigerden toe te laten tot Papoea. ‘Dat was’,
volgens hem, ‘een ernstige tekortkoming van zijn onderzoek.’
De openbaarmaking van
het Drooglever onderzoek
Op het
Instituut voor de Nederlandse Geschiedenis presenteerde Drooglever op 15
november
In
de toelichting op zijn boek benadrukte Drooglever dat zijn studie een
historisch onderzoek betrof en geenszins als een doelgerichte aanbeveling voor
de Nederlandse regering mocht worden beschouwd. De term rapport werd dan ook
consequent door hem gemeden. In de vervolgpresentatie zette hij het verloop van
zijn onderzoek uiteen en concludeerde dat de volksraadpleging van 1969 plaats
had gevonden onder ‘twijfelachtige omstandigheden’. De term
‘doorgestoken kaart’ werd hiermee in verband gebracht. Dat de
volksraadpleging een farce was, was reeds bekend. Velen, zoals de journalist
Dirk Vlasblom en wetenschappelijk onderzoekers als Hans Meijer, John Saltford
en Kees Lagerberg kwamen reeds tot deze slotsom.
Het
formele regeringsonderzoek was voor vele Papoea’s een zege. Voor hen
waren de bevindingen van Drooglever de formele erkenning van een jarenlange
onderdrukking, zo bleek ook uit de emotionele redevoeringen vanuit het Papoea
publiek op die 15de november. Volgens de secretaris-generaal van het PDP
(Papoea-Presidium) waren de Papoea’s met het Nederlandse onderzoek in de
hand nu in staat om een sterkere lobby te gaan voeren voor de Papoea-zaak.
Papoea-leider, T. Alhamid, stelde ‘dat dit rapport niet alleen voor
Nederlandse consumptie is, maar dat de hele wereld erover zal lezen’. Dat
er veel internationale interesse was, bleek ook uit de vele buitenlandse
aanwezigen op 15 november. Met name mensenrechtenorganisaties uit
Australië, de VS, Groot-Brittanië en de EU waren aanwezig en hun
vertegenwoordigers lieten weten internationaal te zullen blijven lobbyen voor
het welzijn van de Papoea’s. Een dergelijke internationalisatie van het
Papoea-probleem werd door de Indonesische regering juist gevreesd. Dit was ook
de hoofdreden voor Indonesië om de visumplicht voor Nederlanders in te
stellen, om zodoende te voorkomen dat Nederlanders de befaamde provincie Papoea
zouden betreden voor onderzoek zonder Indonesische controle. In een interview
met Drooglever in de pers werd dit nogmaals bevestigd. ‘Aan
archiefmateriaal was in Nederland geen gebrek, in tegenstelling tot Jakarta,
waar de archieven angstvallig dicht werden gehouden. Om problemen te voorkomen
ben ik maar niet afgereisd naar Jakarta’, aldus Drooglever. ‘Ik
wilde geen partij worden en heb me daarom opgesloten in mijn ivoren
toren.’
Gezien
de opstelling van Bot was het dan ook niet verrassend dat hij niet aanwezig was
toen Drooglever zijn onderzoek openbaar maakte, en met hem vele andere
politici. Vanwege Bots ‘diplomatieke verkoudheid’ werd de studie nu
in ontvangst genomen door Van Aartsen (toen inmiddels fractieleider van de
VVD). Hij zag het boek als een ‘indrukwekkende wetenschappelijke analyse’
die beantwoordde aan het doel de Nederlandse geschiedenis inzake Nieuw-Guinea
te documenteren. Wat Van Aartsen betreft was ‘het onderzoek geen
aanleiding voor een wijziging van het Nederlandse kabinetsbeleid over
Nieuw-Guinea en de Indonesische territoriale grenzen.’ ‘De winst van
het Drooglever-rapport is dat de Nederlandse geschiedenis uitgezocht is. Het
boek is waanzinnig goed geschreven, magnifiek. Dat is dan ook de waarde van het
rapport.’ Van Aartsen benadrukte verder ‘dat de Papoea’s geen
valse hoop moet worden gegeven.’ Het moge duidelijk zijn dat minister Bot
niet aanwezig wilde zijn om zo de diplomatieke betrekkingen met Indonesië
veilig te stellen. Indonesië zag de studie van Drooglever immers
‘als het belangrijkste obstakel in de relatie tussen Nederland en
Indonesië’, aldus Bot in het parlement in oktober 2004.
In
een poging Jakarta gerust te stellen dat Den Haag geen politieke consequenties
zou verbinden aan het Drooglever-boek, verkondigde Bot meteen nadat Drooglever
zijn boek had gepresenteerd in een reactie ‘zich niet gebonden te achten
aan de uitkomst van wat hij een academische studie noemt’. Ook zei de
minister ‘geen enkele verplichting, moreel of anders, te voelen’
ten aanzien van Papoea. Hij betitelde het rapport-Drooglever louter als ‘het
resultaat van een academisch onderzoek, bedoeld voor de
geschiedschrijving’. Hoewel de studie werd geschreven in opdracht van
zijn departement, wilde de bewindsman koste wat het kost de indruk vermijden
dat hij zich bemoeide met de Indonesische politiek. Bot stelde expliciet dat
het rapport niet in opdracht van de regering was vervaardigd. Volgens Bot
‘heeft de regering slechts een wens van de Tweede Kamer
uitbesteedt’ Van Aartsen liet bij monde van een VVD-woordvoerder weten
dat onzin te vinden: ‘Van Aartsen heeft als minister opdracht gegeven tot
de studie, dan gaat het niet aan dat als een soort persoonlijk initiatief voor
te stellen. Dat valt tegen, juist van een bewindsman die eerder dit jaar wel de
moed had om enige zaken aangaande de Indonesische onafhankelijkheid recht te
zetten’. Hij noemde de redenering
van Bot dan ook ‘potsierlijk’. In een recent gehouden persoonlijk
vraaggesprek voegde hij eraan toe: ‘Het was een uiterste ongelukkige
opmerking van Bot. De manier waarop Van Middelkoop het destijds bracht en ik
erop ben ingegaan leidde ertoe dat er een zeer positieve houding was in de
Tweede Kamer. Het was dus weldegelijk een verzoek uit de Tweede Kamer waar door
de regering tevens positief op is gereageerd.’
Van
Aartsen is ook van mening dat Bot zich niet echt heeft ingespannen om op
enigerlei wijze duidelijk te maken dat het een serieus onderzoek betrof
gesteund door de Nederlandse regering. ‘Hij heeft naar buiten toe zeer
veel afstand genomen van het onderzoek. De reden dat hij het niet in ontvangst
wilde nemen had waarschijnlijk te maken met zijn bezorgdheid dat het beeld zou
ontstaan dat de Nederlandse regering het allemaal zo graag wilde.’ Van
Aartsen verklaarde verder dat het
geschiedkundige onderzoek naar de Act
of Free Choice in de periode die hij kon overzien, tot zomer 2002, echter
nooit een wrijfpunt was geweest in de wederzijdse betrekkingen tussen Nederland
en Indonesië.
‘Dat er wenkbrauwen zouden worden gefronst in
Jakarta kon ik uiteraard wel bevroeden. Ze hadden er wel een unheimlich gevoel over, maar ik vond dat
het onderzoek verdedigbaar was ten opzichte van de Indonesische regering. Dat
heb ik ook meerdere malen gedaan door te zeggen: het gaat niet om jullie
geschiedenis, maar om onze geschiedenis. Het is heel vervelend misschien, maar
daar gaan jullie niet over. Natuurlijk was het onderzoek altijd een onderwerp
van gesprek. Maar ik heb ten opzichte van mijn collega’s van de
Indonesische regering en in het bijzonder mijn collega’s van Buitenlandse
Zaken altijd de houding aangenomen van: A) Wij gaan de geschiedenis niet
overdoen en B) Wij hebben geen enkele behoefte om de territoriale integriteit
van het Indonesische staatsverband aan de orde te stellen. Het enige wat wij
willen is onze kant van de geschiedenis nog een keer opschrijven en het zou
heel plezierig zijn als jullie daar ook aan mee willen helpen door bijvoorbeeld
archieven open te stellen. Mijn uitleg is dan ook telken male door de
Indonesische regering geaccepteerd. Dat dit niet opgevolgd is met volledige
medewerking aan het onderzoek is jammer. Maar het heeft dus ook niet, en dat
vind ik belangrijk, tot een verkilling in de relatie tussen Nederland en
Indonesië geleid. Dat beeld is later wel een beetje opgroepen. Dat was
naar mijn oordeel niet nodig. Nogmaals, het is nooit een punt van wrijving
geweest tussen Nederland en Indonesië. Als minister Bot vanaf het eerste
moment dat hij aantrad had gezegd: Ik vecht dit aan. Ik ben van mening dat dit
zodanig reden des aanstoots is in de samenwerking met Indonesië en ik kan
daar als minister geen verantwoordelijkheid voor dragen, dan had hij de
subsidiekraan voor Drooglever kunnen sluiten. Dat heeft hij echter niet gedaan
en dat heeft hij ook niet hoeven doen omdat hij überhaupt niet zo met dit
vraagstuk is geconfronteerd toen hij aantrad.’
Volgens Van
Middelkoop heeft het vergelijken van het Indonesië-beleid van Van Aartsen
met Bot echter slechts ten dele zin. ‘Toen Bot minister werd was de zaak
van het rapport inmiddels fors gepolitiseerd en vormde het een hindernis in de
bilaterale relaties tussen beide landen. Dat neemt niet weg dat ik de houding
van Bot kwalijk vond en onder de maat. Soms starten zaken in de politiek zonder
veel bijzondere aandacht en betekenis en komt dat pas later.’ De wens van
Van Aartsen dat de studie ‘niet in de politieke sfeer zou moeten worden
getrokken’, was aldus van Middelkoop ‘goed bedoeld, maar deze
bezwering kwam uiteindelijk te laat.’ Het NRC Handelsblad kwam tot dezelfde conclusie:
‘De liberale voorman was niet geheel
geloofwaardig met zijn stelling dat het rapport van Drooglever slechts een studie is ter documentatie van de
Nederlandse geschiedenis die niet in de politieke
sfeer getrokken zou moeten worden. Niet-politieke geschiedschrijving
moet namelijk nog worden uitgevonden. Bovendien is Nieuw-Guinea mogelijk voor
Nederland geschiedenis, maar voor Indonesië is Papoea actualiteit. Al
decennialang zijn in die meest oostelijke provincie van de archipel
afscheidingsbewegingen actief.’
Dat Papoea
voor Indonesië actualiteit is, bleek ook uit de emotionele en quasi bagatelliserende
reacties van Indonesische regeringszijde. De Indonesische regering vond het
voorts onbegrijpelijk dat uitgerekend Nederland als oud-kolonisator ‘aan
de eenheid van Indonesië zit te porren’. Volgens de Jakarta Post deed voor
de regering de conclusie van het Drooglever-rapport er ondertussen niet langer
meer toe. ‘De status van Papoea
als een integraal onderdeel van Indonesië is eerder door de wereld erkend,
inclusief door Nederland zelf’, aldus een woordvoerder van het
Indonesische Ministerie van Buitenlandse Zaken. De studie had ook volgens
Indonesië alleen maar ‘academische waarde’. Het
standpunt van Indonesië dat het puur om een historische studie diende te
gaan en niet om een politieke, was in dezelfde woorden uitgedragen door Bot.
Met andere woorden, de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken had goed
naar Indonesië geluisterd.
De politieke nasleep
Al met al
had het jaar 2005 een turbulent Papoea-einde. In november werd er door de
Nederlandse media uitgebreid aandacht besteed aan de situatie van de
Papoea’s en de twee boekpublicaties: Een
Daad van vrije keuze van Drooglever en Schuldig Zwijgen van de Papoea
sympathisant en oud Nieuw-Guinea bestuursambtenaar K. Lagerberg. Ook in de
Tweede Kamer werd aandacht besteed
aan het gebied. Meerder malen werden er Kamervragen gesteld aan de minister van
Buitenlandse Zaken met betrekking tot de situatie in Papoea. Tijdens de
begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking op 23
en 24 november 2005 werd door nagenoeg iedere politiek woordvoerder van elke
politieke partij Indonesië in het algemeen en Papoea in het bijzonder -
zij het vaak kort - gememoreerd. De woordvoerder van het CDA, K. Ferrier,
bepleitte ruime aandacht voor Papoea en kwam met een amendement om jaarlijks
1,5 miljoen in te zetten voor capaciteitsopbouw in Papoea. Daarbij beklemtoonde
zij tot vijf maal toe dat de eenheid van het Indonesische Republiek bij de het
CDA voorop stond. VVD-woordvoerder, H. van Baalen, herhaalde zijn al in de Volkskrant geuite standpunt
voorafgaande aan de Drooglever-publicatie. Hij gaf duidelijk te kennen:
‘Mijn fractie komt niet tot politieke conclusies op basis van
rapport-Drooglever. Ik neem niet de verantwoordelijkheid voor het politiseren
van dit probleem of deze geschiedschrijving. Wij zeggen niet dat we de
geschiedenis willen afsluiten, nee, wij willen de discussie niet heropenen. Dit
betekent dat Nederland de relatie met Indonesië dient te koesteren. Laat
het kabinet met Indonesië overleggen, want de route naar Papoea loopt nog
altijd via Jakarta.’ Groen Links bij monde van F. Karimi sprak niet
zozeer over het lot van de Papoea’s, maar over het optreden van minister
Bot. ‘Hij is de grootste deceptie van het kabinet gebleken. Het verstek
laten gaan bij de presentatie van de Daad van Vrije Keuze was niet alleen laf,
maar ook kwetsend voor de Papoea’s. Het gaat immers om de erkenning van
het leed dat hen is aangedaan’. H. van Bommel (Socialistische Partij, SP)
constateerde: ‘de minister weigert het politieke gedrag van de Nederlandse
regering uit de jaren zestig inzake Papoea onder ogen te zien. Blijkbaar past
dat niet bij het actuele belang dat Nederland aan Indonesië hecht. De
minister wil de huidige president
van Indonesië hoe dan ook te vriend houden. Het komt dan beter uit om de
fouten van het verleden onder ogen te zien.’ C.G. van der Staaij, lid van
de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP), wilde erkenning dat er een fout
gemaakt was door Nederland naar aanleiding van het Drooglever-rapport.
Christen-Unie Kamerlid, J.C. Huizinga-Heringa, vroeg expliciet ‘of de
regering uitspraak zou doen dat het de rol van Nederland ten opzichte van de
Papoea’s betreurt.’ Bot antwoordde daarop steevast met een
duidelijke ‘Nee’.
‘Nee, ik denk dat dit soort termen ons niet
verder helpt. Wij moeten naar de toekomst kijken. Ik wil graag toekomstgericht
werken. Ik stel voorop dat ik meer dan ook begaan ben met de Papoea’s,
ook omdat ik daar meer dan anderen in mijn verleden mee te maken heb gehad. Hun
lot heb ik iedere keer dat ik bij president Yudhoyono op bezoek ben geweest aan
de orde gesteld. Ik blijf daar op terugkomen. Ik vind dat de Papoea’s een
maximale autonomie moeten krijgen. Ik vind dat de levensomstandigheden van de
bevolking moeten verbeteren. Ik heb met Yudhoyono besproken dat verregaande
autonomie het enige geschikte politieke raamwerk is. Het is van belang van
goede implementatie dat ook de relaties tussen Nederland en Indonesië goed
zijn en blijven. Ook in het EU-kader heb ik herhaaldelijk de aandacht gevraagd
voor dit onderwerp. De sleutel ligt bij de Indonesische regering. Het is niet
zo dat de relatie met Indonesië vooropstaat. Nee, een goede relatie met
Indonesië is nodig om ervoor te zorgen dat ook de Papoea´s een
optimale behandeling krijgen en dat wij, samen met internationale organisaties,
ervoor kunnen zorgen dat die Speciale Autonomiewet ook wordt toegepast. Wij
zullen de territoriale integriteit van Indonesië respecteren, maar de
Speciale Autonomiewet is en blijft een belangrijk instrument. Opdeling van de
regio in drie delen is niet goed en de Autonomiewet moet worden uitgevoerd naar
letter en geest; daarvoor is voortdurende druk nodig vanuit Nederland, de EU en
de VN.’
Begrijpelijk
is dat Nederland al met al prioriteit hecht aan het veilig stellen van de
bilaterale betrekkingen met Indonesië. Dit bleek ook duidelijk uit het
bezoek van minister-president, J.P. Balkenende (2002-heden) aan Indonesië
in april 2006. Eind maart jongstleden dreigde Nederland nog betrokken te raken
bij een ruzie tussen Indonesië en buurland Australië inzake Papoea.
Aanleiding was het feit dat de Australië politiek asiel verleende aan 42
Papoea’s die Indonesië van volkerenmoord in Papoea beschuldigden.
Dit betekende gezichtsverlies voor de Indonesische regering, die vreesde dat
Nederland Australië in deze wellicht zou steunen. Balkenende was voor zijn
bezoek aan Indonesië te gast in Australië. Met de verzekering dat
Nederland de eenheid en territoriale integriteit van Indonesië respecteert
en Yudhoyono steunt in zijn sociaal-economische programma in Papoea, wist
Balkenende buiten deze gevoelige kwestie te blijven. Tijdens zijn bezoek aan
Jakarta stelde hij de Indonesische regering nogmaals gerust door de
territoriale integriteit van Indonesië te benadrukken. Daarop kondigde de
Indonesische president Yudhoyono aan dat Nederlanders voortaan geen visum meer
hoefden te hebben als zij naar Indonesië wilden vertrekken. In plaats
daarvan kunnen zij een ‘visa on arrival’ kopen. Daarmee
waren alle plooien weer glad gestreken en was alles weer pais en vree.
De
echte doorbraak in de verbetering van de betrekkingen tussen Nederland en de
voormalige kolonie was echter te danken aan de erkenning door Bot in augustus
2005 van de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945. Die
opstelling had Nederland goodwill opgeleverd. Niet ondenkbaar is dat Bot
een vooruitziende blik had en met de tegemoetkoming jegens de Indonesische
regering de gemoederen in Indonesië alvast mild wilde stemmen met het oog
op de publicatie van het Drooglever-rapport in november 2005. Van Aartsen
verklaarde naderhand:
‘Ik vind Bots spijtbetuigenis zelf in hoge
mate overdreven, omdat hij het beeld heeft opgeroepen dat dit de eerste keer
was dat de Nederlandse regering aanwezig was bij de viering van de Indonesische
onafhankelijkheidsdag. Het beeld werd opgeroepen dat dit de eerste keer was dat
Nederland zich con amore neerlegde
bij die dag. Dat beeld is niet juist, want de Nederlandse ambassadeur is altijd
aanwezig geweest als vertegenwoordiger van de Nederlandse regering.’
Hoe dan
ook, Balkenende profiteerde tijdens zijn bezoek aan Jakarta van de goodwill die door Bot was gekweekt bij
de Indonesische regering. Beide landen besloten hun betrekkingen te
intensiveren op een groot aantal terreinen: van handel tot wetenschap, van
veiligheid tot politieke samenwerking. De relatie tussen Nederland en
Indonesië werden door Yudhoyono en Balkenende in april 2006 dan ook als
‘uitstekend’ gekenschetst.
Een
belangrijke plaats wordt dus toegekend aan het ontzien van de gevoelens in
Jakarta. Vooralsnog is het regeringsstandpunt, dat het kabinet alleen via de
Nederlands-Indonesische relatie iets voor de Papoea’s kan betekenen. Uit
de beleidsnotitie Indonesië 2006-2010, die in juni 2006 aan de Tweede
Kamer werd aangeboden, rijst eveneens het beeld dat de betrekkingen met
Indonesië van primair belang zijn. In de notitie werd gewezen op het
voeren van een intensieve dialoog met Indonesië die een belangrijke
bijdrage kan leveren aan het verder uitdiepen en uitbreiden van de bilaterale betrekkingen.
De politieke en morele aanvaarding van de ‘Proklamasi’ na zestig jaar en de aanwezigheid van de
Nederlandse regering bij de viering ervan op 17 augustus 2005 werd hierbij
bestempeld als een ‘mijlpaal’ in de normalisering van de
wederzijdse betrekkingen. Aangaande Papoea werd het beleid van de huidige
Indonesische president Yudhoyono - gericht op het komen tot een vreedzame
oplossing middels politieke dialoog, verbetering van de rechtszekerheid en
eerbiediging van de mensenrechten en meer welzijn voor de Papoea’s -
betiteld als een voldoende basis om het Nederlandse beleid ter zake in goed
overleg met Indonesië te ontwikkelen. Daartoe werd, naar aanleiding van
het genoemde amendement van de CDA-fractie, een bedrag van twee miljoen euro
uitgetrokken.
De
kwestie-Nieuw-Guinea 1949-2006 – Een tussenbalans
Tijdens de
Ronde Tafel Conferentie op 27 december 1949 werd het gehele gebied van
Nederlands-Indië overgedragen aan Indonesië, met uitzondering van
Nieuw-Guinea. Het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s was voor
Nederland de belangrijkste reden om het gebied niet aan Indonesië te
willen overdragen. Voor de Indonesische president Soekarno, aan de andere kant,
maakte Nieuw-Guinea een onlosmakelijk deel uit van Nederlands-Indië en diende
daarom in de schoot van de Republiek terug gevoerd te worden. De
Nederlands-Indonesische relatie verslechterde aanzienlijk door deze patstelling
en een grootscheepse oorlog om Nieuw-Guinea was op handen. Ondertussen mengde
ook de VS zich actief in het conflict. Gevreesd werd vanuit Amerikaanse zijde
dat Indonesië in geval van een oorlog in het communistische kamp gedreven
zou worden. Op 15 augustus 1962 bereikten Nederland en Indonesië
uiteindelijk overeenstemming over de overdracht van het betwiste gebied in de
Overeenkomst van New York. Bepaald werd dat Nederland het bestuur over
Nieuw-Guinea tijdelijk diende over te dragen aan de UNTEA, waarna dit VN-orgaan
het bestuur vervolgens voor een overgangsperiode van zeven jaar zou overdragen
aan Indonesië. Hoewel het akkoord van New York voorzag in een
volksraadpleging voor de Papoea’s bleek de aanspraak op zelfbeschikking
niet meer dan een theoretisch concept. Indonesië zou immers nooit een
afscheiding van Nieuw-Guinea accepteren. De toezichthoudende rol van de VN was
dan ook slecht bedoeld om de schijn van een democratische voltrekking van de
volksraadpleging, de zogenaamde ‘Daad van Vrije Keuze’, op te
houden. Ondanks dat vele Nederlandse ingewijden voorzagen dat de
overgangsregeling en het referendum een ‘wassen neus’ waren
onderstreepte de Nederlandse regering dat het ‘diep begaan’ bleef
met het welzijn van de Papoea’s en nauwlettend zou toezien op een keurige
afwikkeling van de volksraadpleging. Dit bleek niet het geval. Integendeel.
Jakarta was er op uit om het referendum zo te regisseren dat succes verzekerd
was en het gebied zodoende weer in de schoot der Republiek zou worden terug
gevoerd. Nederland was niet gelukkig met deze opstelling, maar wilde geen ophef
maken omwille van een goede relatie met Indonesië. Zo kreeg Indonesië
vrij baan om de volksraadpleging in 1969 naar eigen inzichten vorm te geven. De
‘verrassende’ uitslag was dat de 1025 kiesmannen unaniem voor
aansluiting bij Indonesië kozen. De volksraadpleging was aldus een
schertsvertoning geworden.
Het
Nederlandse kabinet besefte een weinig verheffende rol te hebben gespeeld, maar
nam niets eens meer de moeite de kwestie nog te evalueren. Sindsdien heerste
een ‘schuldig zwijgen’ van Nederlandse kant. De
mensenrechtensituatie in Indonesië werd meerdere malen aan de orde gesteld
maar over Papoea werd geen woord gerept. Het Nederlandse kabinet achtte de
periode-Soeharto dan ook niet rijp voor het aan de kaart stellen van de
kwestie-Papoea (Nieuw-Guinea kreeg in januari 2000 de naam Papoea toebedeeld).
De val van Soeharto in 1998 opende echter nieuwe deuren. Elke vorm van
autonomie was onder Soeharto onbespreekbaar, maar zowel Habibie als Wahid
gingen de discussie aan met gebieden die van oudsher al problemen hadden met
hun ondergeschikte positie binnen de eenheidsstaat Indonesië.
Onderhandelingen werden heropend met Atjeh, de Zuid-Molukken en ook Papoea kwam
weer op de agenda te staan. Na het referendum in Oost-Timor in 1999 en de
belofte van onafhankelijkheid in 2002 wilden ook Atjeh, de Molukken en Papoea hun
onafhankelijkheid bespreekbaar zien. Het blijvende verzet van de
Papoea-bevolking en de OPM (Papoea-vrijheidsorganisatie) werd in oktober 2001
na een lange strijd beloond door aanname van de Speciale Autonomiewet door de
regering-Megawati. Deze wet werd in maart 2003 echter weer aan banden gelegd
doordat de toenmalige president Megawati Soekarnoputri besloot het gebied op te
delen in drie kleinere provincies. Dit stuitte wederom op massaal verzet van de
Papoea’s. Dit verzet wordt tot op de dag van vandaag gevoerd, mede omdat
uit de praktijk blijkt dat de Speciale Autonomie tot op heden nooit volledig is
uitgevoerd.
De
roep van de Papoea’s om onafhankelijkheid begon ook in Nederland steeds
duidelijker te klinken. De Nederlandse regering kon de morele medeplichtigheid
niet blijven ontkennen. Tweede Kamerlid Van Middelkoop diende een voorstel in
om de gebeurtenissen die geleid hebben tot de inlijving van Nieuw-Guinea tot de
Indonesische Republiek te onderzoeken. Na wikken en wegen besloot minister van
Buitenlandse Zaken destijds, Van Aartsen, positief te reageren op deze oproep.
Besloten werd het onderzoek uit te laten voeren door het Instituut voor
Nederlandse Geschiedenis onder leiding van professor Drooglever. Volgens de
huidige minister van Buitenlandse Zaken, Bot, was Indonesië van meet af
aan ongelukkig geweest met het onderzoek en zagen de Indonesische autoriteiten
het als een obstakel in de bilaterale relatie. Dit was reden voor Bot om zich
bij voorbaat al te distantiëren van een door Buitenlandse Zaken gefinancierd
onderzoek. Tevens was het reden voor Bot om niet aanwezig te zijn bij de
openbaarmaking van het Drooglever-onderzoek. Het moge duidelijk zijn dat Bot
geen politieke consequenties wilde verbinden aan het Drooglever-rapport om de
wederzijdse betrekkingen met Indonesië veilig te stellen. Bot verklaarde
dan ook geen enkele verplichting te voelen, moreel of anders, ten aanzien van
Papoea. Het Nederlandse kabinetsstandpunt blijft vooralsnog dan ook alleen iets
voor de Papoea’s te kunnen betekenen middels een goede relatie met
Indonesië. Het veilig stellen van de bilaterale betrekkingen met
Indonesië stond (en staat), kortom, voorop. Dit bleek tevens uit het
bezoek van minister-president Balkenende aan Jakarta in april 2006. Balkenende
wist Indonesië nogmaals gerust te stellen door het respect voor de eenheid
en territoriale integriteit van de archipel voorop te stellen in de
besprekingen. Daarmee werden de oneffenheden in de relatie weer hersteld.
Volgens
Van Aartsen ‘was het goed dat in deze laatste periode het verleden nog
een keer was vastgesteld door Bot en Balkenende.’ Tevens meldde hij na de
publicatie van het Drooglever-onderzoek weinig meer gehoord te hebben over de
politieke betekenis van het rapport, zelfs
niet meer in Papoea kringen in Nederland. ‘Het verleden is nu
klaar, het is vergeten, dat hebben we gehad, dat is gebeurd. De bilaterale
betrekkingen met Indonesië waren goed, zijn goed en zullen ongetwijfeld
goed blijven. Ik denk dat in die lijn de relatie met Indonesië zal worden
voortgezet’, aldus de oud-minister van Buitenlandse Zaken.[31]
De nieuwe Indonesische ambassadeur in Nederland, Junus Habibie, deelt deze
mening en liet tijdens een interview met Netwerk
weten door Yudhoyono naar Den Haag te zijn gestuurd met een speciale missie;
namelijk het herintensiveren van de betrekkingen met Nederland.[32]
Aldus Habibie is het verleden nu voorbij en is alleen de toekomst van belang.
‘De Indonesische generatie van nu weet niet eens wat er in het verleden
gebeurd is en de eerste generatie van na de soevereiniteitsoverdracht gaat net
als ik over een paar jaar dood en dan hebben we een nieuw
Indonesië.’ ‘We moeten niet verder meer zaniken over het
verleden, maar moeten samen naar voren. Blik naar voren en niet achterom
kijken. Hand in hand gaan wij de toekomt tegemoet.’
Slotsom
Resumerend
toont de kwestie-Nieuw-Guinea dat in de periode 1949-1962 psychologische
motieven zwaarder wogen dan rationele motieven. Nieuw-Guinea bleek economisch
en politiek gezien meer te kosten dan het opbracht. Het Nederlandse behoud van
het gebied valt rationeel gezien dan ook moeilijk te verklaren. Voor Nederland
diende het gedwongen verlies van Nederlands-Indië verzacht te worden met
het behoud van Nieuw-Guinea. Zo bleef Nederland nog een imperiale mogendheid en
bleef het gezichtsverlies beperkt. Uiteindelijk werd in het Akkoord van New
York echter bepaald dat Nederland Nieuw-Guinea diende af te staan aan
Indonesië. Psychologisch gezien was het afstaan van Nieuw-Guinea voor
Nederland een emotionele amputatie. Toch bleek van een trauma, zoals na het
verlies van Indië in 1949, geen sprake. Integendeel. Bijna onmiddellijk na
de overdracht in 1962 verdween de Nieuw-Guinea-kwestie uit de Nederlandse
politiek en het welzijn van de Papoea’s, dat voor 1962 zo’n grote rol
had gespeeld, werd weinig meer gehoord. Nederland leek aanvankelijk nog zeer
begaan met de Papoea’s, maar toen het op het internationale toneel met
het Akkoord van New York opnieuw fors zijn neus pijnlijk had gestoten, was de
animo deze Rijksgenoten ‘op te voeden’ snel weg. Vernederd en
beschaamd wilde Nederland de kwestie zo snel mogelijk vergeten. De aandacht
werd verlegd naar een herstel van de vriendschappelijke relatie met
Indonesië. De rationele keuze van
Nederland om een goede verhouding met Indonesië boven het wel en wee van
de Papoea’s te verkiezen lijkt tot op heden dan ook een prominente plaats
lijkt in te nemen in het Nederlandse buitenlands beleid, en fungeert als rode
draad door de gehele bilaterale relatie sinds 1962.
Slotbeschouwing
De postkoloniale
betrekkingen tussen Nederland en oud-kolonie Indonesië van 1949 tot op
heden zijn uiteengezet om te onderzoeken of de hypothese, dat het verleden
alsmede de daarmee verbonden emoties doorgaans een prominente rol speelt in de
wederzijdse betrekkingen tussen statelijke actoren, op gaat. Centraal staat de
vraag in hoeverre het koloniale verleden nog een rol speelt in de
Nederlands-Indonesische betrekkingen en in welke mate de specifieke
kwestie-Papoea deze wederzijdse betrekkingen nog belast. Gekozen is het
(Neo)-Realisme als leidende theorie in de Internationale Betrekkingen als
theoretisch kader hierbij te hanteren. De belangrijkste aanname van deze
theorie is dat de mens - en daarmee de staat - als unitaire actor op het toneel der
internationale politiek eigenbelang als belangrijkste leidraad hanteert. Deze
aanname is gebaseerd op de Rationele Keuze Theorie, een kernparadigma van het
Realisme, waarin wordt verondersteld dat de staat een rationele actor is. In de
RKT is kortom geen plaats voor emoties, tenzij deze emoties
‘doel-rationeel’ zijn en worden gebruikt als psychologisch
‘instrument’ om het eigenbelang te behartigen. De RKT is in die zin
als leidend concept gebruikt om te toetsen of emoties omtrent het koloniale
verleden gebruikt zijn als psychologisch wapen om nationale eigenbelangen te
verwezenlijken in de postkoloniale betrekkingen tussen Nederland en
Indonesië, of dat ze juist verstorend gewerkt hebben in het voeren van een
‘rationeel’ beleid jegens elkaar. De algemene Nederlands-Indonesische
postkoloniale betrekkingen zijn daartoe uiteengezet in de hoofdstukken twee tot
en met vier, die respectievelijk de perioden 1949 tot 1962, 1962 tot 1992 en
1992 tot op heden beslaan. Allereerst is getracht de vraag te beantwoorden of
het koloniale verleden de algemene Nederlands-Indonesische betrekkingen tot op
heden inderdaad belast. De kwestie- Papoea is vervolgens apart behandeld in
hoofdstuk vijf als specifieke casestudie.
Algemene
Nederlands-Indonesische betrekkingen 1949 tot op heden
De algemene
wederzijdse betrekkingen in de periode 1949 tot 1962 kunnen worden gezien als
de gedeeltelijke voortzetting van het koloniale verleden en de nasleep van de
dramatische periode 1945-1949. Nederland kon maar moeilijk afstand doen van
Nederlands-Indië. Tijdens de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949
hield Nederland dan ook op overwegend irrationele gronden vast aan
Nieuw-Guinea. Het merendeel van de Nederlandse bevolking kon haar koloniale
mentaliteit maar moeilijk loslaten en bleef Indonesië zien als het kind
wiens opvoeding nog niet was voltooid. Gefrustreerd nationalisme en
egocentrisch altruïsme overheersten aan Nederlandse zijde. De Nederlandse
opvatting dat Indonesië nog altijd niet op eigen benen kon staan en
Nederlandse hulp behoefde stond echter lijnrecht tegenover de Indonesische
opvatting. De ex-kolonie wilde geheel vrij zijn van elke vorm van ongewenste
Nederlandse bemoeienis. Het eerste struikelblok vormde de federale opzet van
Indonesië. Deze constructie stond haaks op de altijd zo gekoesterde
Indonesische eenheidsgedachte en werd als een instrument gezien waarmee de
Nederlandse invloed werd gecontinueerd. Nieuw-Guinea nam in dit
eenheidsverlangen een centrale plaats in. Soekarno wenste dit gebied om
principiële redenen in de schoot der Republiek terug te voeren. In
augustus 1950 werd door hem dan ook de eenheidsstaat geproclameerd. Zijn
hoofddoel was het smeden van de eenheid middels het versterken van het
nationalisme. De behoefte aan het nemen van eigen beslissingen was voor de
Indonesische regering zo groot, dat absolute onafhankelijkheid de hoogste
prioriteit kreeg. Nederland weigerde Soekarno echter nogmaals zijn zin te geven
en klampte zich vast aan het behoud van Nieuw-Guinea. Zowel in Nederland als
Indonesië was het niet langer een zakelijke afweging van belangen die het
beleid jegens elkander en de Nieuw-Guinea-politiek bepaalden, maar vooral hoog
oplopende emoties, morele verontwaardiging en de overtuiging dat men gelijk
had. Aan Nederlandse zijde ontbrak het vermogen het verlies van
Nederlands-Indië te verwerken; als troost werd aan Nieuw-Guinea
vastgehouden. Van een rationele kosten-batenanalyse was geen sprake, omdat
Nieuw-Guinea Nederland zowel financieel als politiek veel meer kostte dan het
opleverde. Aan Indonesische zijde speelden emoties eveneens een belangrijke
rol. Indonesië vertoonde een vorm van minderwaardigheidsgevoel, wat
resulteerde in een overgevoeligheid voor alles wat naar Nederlandse bemoeienis
rook en de eenheidsgedachte en het nation-building proces in de weg
stond. De patstelling na het mislukken van de Nieuw-Guinea conferentie eind
1950 resulteerde dan ook in een mislukking van de conferentie van Genève
in februari 1956. Getracht werd alle lopende geschillen op te lossen.
Indonesië zegde hierop de Nederlands-Indonesische Unie op en verklaarde de
RTC afspraken ongeldig. De overname van alle Nederlandse bedrijven eind
De
enige concessie van Indonesische kant was een volksraadpleging onder de
Papoea’s in 1969, de zogenaamde ‘Daad van Vrije Keuze’. De
Nederlandse regering onderstreepte bovendien diep begaan te blijven met het
welzijn van de Papoea’s en nauwlettend toe te zien op de uitvoering van
het verdrag van New York en daarmee het referendum. Voor Jakarta daarentegen
was de instemming met de volksraadpleging slechts onder de zwaarst mogelijke
Amerikaanse druk tot stand gekomen. Vanaf de start poogde de Indonesische
regering het werk en de autoriteit van UNTEA (1 oktober 1962 - 1 mei 1963) te
ondermijnen en daarmee de VN als toezichthouder. Ondanks de mooie beloftes
verdween de Nieuw-Guinea- kwestie van de agenda van de Nederlandse politiek.
Naar het welzijn van de Papoea’s werd weinig meer geïnformeerd.
Nederland had zijn neus flink gestoten op het internationale toneel en dat was
mede een belangrijke reden om de kwestie snel te vergeten. Alles afwegende werd
gekozen voor het pragmatisch scheppen van een vriendschappelijke verhouding met
Indonesië, ten koste van de Papoea’s. Economisch gezien viel er
immers veel te verdienen aan Indonesië. Bovendien dacht Nederland door een
goede verhouding met Indonesië meer voor de Papoea’s te kunnen
betekenen. Dit was een gelegenheidsargument, want Nederland deed in
werkelijkheid niets. In de relatie met Indonesië kreeg het eigenbelang
prioriteit boven morele overwegingen. Vooral na het aantreden van Soeharto en
zijn prowesterse bewind halverwege de jaren ’60 richtte Nederland zich
steeds meer op een goede relatie met Indonesië. Hoe meer de voor 1969
voorziene Daad van Vrije Keuze naderde, hoe meer Nederland zijn
verantwoordelijkheid probeerde af te wentelen op de VN om de Papoea’s een
eerlijk referendum te gunnen. Nederland verzekerde Indonesië zelfs in een
geheime afspraak in mei 1969 over het verloop van het plebisciet zich
terughoudend op te stellen, zolang de volksraadpleging voor het oog van de
buitenwereld maar op legitieme wijze werd uitgevoerd. Nadat de VN van
Australië en de VS dezelfde verzekering had gekregen, kreeg Indonesië
vrij baan. Door omkoping en onder bedreiging van de Papoea-kiezers werd de
volksraadpleging in de zomer van 1969 door Soeharto geregisseerd en werd er
unaniem voor aansluiting bij Indonesië gekozen. Dit alles was onder
‘toeziend oog’ van de VN gebeurd en zo werd de VN een belangrijke
partij in het in de steek laten van de Papoea’s. De Papoea’s hadden
niet vrijelijk hun recht op zelfbeschikking kunnen uitoefenen. De
internationale gemeenschap, inclusief Nederland, deed omwille van grote
politieke belangen (Koude Oorlog) alsof haar neus bloedde. Den Haag liet zelfs
niets van zich horen toen de uitslag door de VN werd aangenomen. Wat het
Nederlandse kabinet betrof, was er een dikke streep gezet onder deze netelige
kwestie. Indonesië werd zo de zegevierende partij, temeer omdat het tevens
het belangrijkste donorland werd van de Nederlandse ontwikkelingshulp. De Papoea’s
werden daarentegen genegeerd en zo het kind van de rekening.
In
tegenstelling tot de periode 1949-1962, waarin Soekarno de emoties gebruikte
voor het proces van nation-building
en Nederland kampte met onverwerkte trauma’s van het verlies van
Nederlands-Indië, stond de periode 1962-
Ook
Indonesië gedroeg zich rationeel. Het had alle belang bij een goede
relatie met Nederland in verband met het economisch herstel van het land. De desastreuze
politiek van Soekarno had het land immers op de rand op de afgrond had
gebracht. Ondanks de inmiddels goede verstandhouding met Nederland duldde
Soeharto geen bemoeienis inzake interne soevereiniteitsaangelegenheden. Dit
bleek het meest duidelijk begin 1992 tijdens de zogeheten ‘affaire
Pronk’. Kritiek door minister van Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk,
tevens voorzitter van de IGGI, op de mensenrechtensituatie in Atjeh en
Oost-Timor resulteerde in het besluit van Soeharto in maart 1992 om de ontwikkelingsrelatie
abrupt en bewust eenzijdig op te zeggen. Daarbij werden emoties omtrent het
koloniale verleden door Soeharto, die zich met het oog op de
presidentsverkiezingen als sterke man wilde profileren, gebruikt voor het
creëren van een collectieve vijand ter versterking van de zwakker wordende
eenheidsstaat, het afleiden van de aandacht van binnenlandse problemen en het
behartigen van politieke belangen. Oud-kolonisator Nederland en Pronk werden de
bliksemafleider en Kop van Jut. Kortom, aan Indonesische zijde werden emoties
omtrent het koloniale verleden in deze periode aldus opnieuw aangewend als
instrument om het eigenbelang te dienen.
Nu de hulprelatie was verbroken, was het volgens Soeharto pas echt
mogelijk om als twee gelijkwaardige landen normale bilaterale betrekkingen aan
te gaan en geacht werd dat de neokoloniale relatie was verdwenen. Deze
officiële betrekkingen op nieuwe leest werden echter overschaduwd door met
name de emoties aan Nederlandse zijde omtrent de moeilijke dekolonisatieperiode
1945-1949. Indonesië vierde al sinds 1945 zijn onafhankelijkheid op 17
augustus. Nederland bleef echter stellig vasthouden aan de datum van 27
december 1949 waarop de formele soevereiniteitsoverdracht plaats vond. Tijdens
het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië in augustus 1995 werd
duidelijk hoezeer dit verschil in opvatting de bilaterale relatie
beïnvloedde. Om de Indië-veteranen niet voor het hoofd te stoten werd
door het Nederlandse kabinet besloten de koningin niet op 17 augustus, maar
vier dagen na de bewuste dag naar Indonesië af te laten reizen. Ondanks
alle moeilijkheden werd het staatsbezoek economisch gezien zeer succesvol.
De
val van Soeharto in mei 1998 markeerde evenwel een nieuw begin in de
betrekkingen, hoewel Nederland zich in eerste instantie afwachtend bleef
opstellen. Het verdwijnen van Pronk van het Nederlandse toneel als bewindsman
en politicus in 1998, de komst van Evelien Herfkens als zijn opvolger als
minister van Ontwikkelingssamenwerking en het aantreden van de Indonesische
president Wahid in 1999 luidde ook op het persoonlijke vlak een nieuwe episode
in. De ontwikkelingsrelatie werd weer hervat na zeven jaar te hebben stil
gelegen. Ditmaal werd voor een geheel andere opzet gekozen. Om aloude
gevoeligheden en aanvaringen te vermijden maakte bilaterale
ontwikkelingssamenwerking plaats voor een multilaterale aanpak.
Continuïteit werd het nieuwe credo en de vorm werd het Partnerschap voor
Goed Bestuur. Nederland prefereerde daarmee de veilige weg door samen met andere
donoren de discussie over goed bestuur met Indonesië aan te gaan. Het geld
werd toebedeeld aan door Indonesië aangedragen sectoren. Op die manier
bevond Nederland zich niet meer in een kwetsbare positie met betrekking tot
neokoloniale verwijten en kon het geen paternalistische houding meer verweten
worden. Gekozen werd voor een goede relatie met Indonesië, waarin
Indonesië niet meer het gevoel had in zijn soevereiniteit te worden
aangetast.
De periode 1992-2005 toont aan dat rationele keuzes
niet zuiver geënt hoeven zijn op objectieve motieven, maar dat ook emoties
hiermee in verband kunnen worden gebracht. Deze emoties omtrent het koloniale
verleden werden door Soeharto in 1992 nog gebruikt als psychologisch wapen om
binnenlands aanzien te verwerven en het Indonesische eigenbelang te dienen.
Nederland ging zich hierdoor voorzichtiger opstellen, wilde elk verwijt van
neokolonialisme voorkomen en kroop als het ware in zijn schulp. Het deed er
alles aan om niet langer van koloniale bemoeizucht te worden beschuldigt. Dit
bleek onder meer uit het verkiezen van een multilaterale aanpak boven een
bilaterale aanpak aangaande de ontwikkelingssamenwerkingsrelatie. Tevens werd
duidelijk dat deze opstelling verband hield met de nog altijd aanwezige
Nederlandse gevoelens omtrent het koloniale verleden. Nederland bleek in staat
deze gevoelens een plaats te geven door 17 augustus openlijk als de
Indonesische onafhankelijkheidsdatum te accepteren en spijt te betuigen voor
het leed dat de ex-kolonie tussen 1945 en 1949 was aangedaan. Minister Bot van
Buitenlandse Zaken nam hiertoe het initiatief in augustus 2005. Hij wenste zo
een punt te zetten achter de unfinished
business van het koloniale verleden en de daarmee gepaard gaande emoties en
erkenning en verwerking van de bladzijden uit dit verleden tussen 1945 en
Resumé
algemene Nederlands-Indonesische betrekkingen 1949 tot op heden
Indien we
de Nederlands-Indonesische betrekkingen van 1949 tot op heden op zich
beschouwen en de kwestie-Papoea hier los van zien, kan geconcludeerd worden dat
Nederland zich in 2005 officieel heeft ontdaan van koloniale trauma’s.
Nederland maakte bij monde van minister Bot de weg vrij voor een werkelijke
emotionele normalisatie van de betrekkingen. Hoewel vaak is gesuggereerd dat de
affaire Pronk in 1992 de definitieve normalisatie van de betrekkingen betekende
bleek dit een voorbarige conclusie. Dit was alleen politiek het geval. De
commotie rondom het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Indonesië in
1995 illustreerde immers goed dat de emoties omtrent het koloniale verleden aan
zowel Nederlandse als Indonesische zijde nog altijd diep waren geworteld.
Resumerend kan dan ook worden gesteld dat de periode 1949-
Ook
in de periode 1962-1992 speelden gevoelens een blijvende rol in de wederzijdse
betrekkingen. Aan Nederlandse zijde werden de emoties gecalculeerd omgezet in
de rationele belangenafweging om de hervonden vriendschap met Indonesië
boven het wel en wee van de Papoea’s te verkiezen. De kwestie-
Nieuw-Guinea werd sinds de overdracht van het gebied aan Indonesië in 1963
daarom in de doofpot gestopt. Pijnlijke ervaringen opgedaan in de periode
1950-1962 bracht Nederland er toe zich vast te bijten in de opbouw van een
vriendschapsrelatie met Indonesië. Het succes bleek duidelijk uit de
betrekkingen eind jaren ’60 en jaren ’70 die beter waren als ooit
tevoren. Illustratief hiervoor was het staatsbezoek van Soeharto aan Nederland
in 1970 en het staatsbezoek van koningin Juliana aan Indonesië in 1971.
Toch bleek Nederland nog steeds niet in staat de emoties omtrent het koloniale
verleden goed te verwerken. Ook het politieke klimaat in Indonesië, onder
het regime-Soeharto, was niet rijp voor een echte Indonesische verwerking van
dat verleden. Jakarta bleef zich overgevoelig tonen ten opzichte van
Nederlandse kritiek op het mensenrechtenbeleid dat met de komst van Pronk als
minister van Ontwikkelingssamenwerking in 1973 steeds meer centraal kwam te
staan in het Nederlandse buitenlands beleid, onder andere ten opzichte van
Indonesië. Deze Indonesische overgevoeligheid uitte zich in 1992 toen door
Soeharto de rationele afweging werd gemaakt de hulprelatie met oud-kolonisator
Nederland te verbreken. De periode 1992-heden kan dan ook gezien worden als de
periode waarin de emotionele c.q. psychologische dekolonisatie pas echt zijn
intrede doet, maar waarin onverwerkte gevoelens uit de periode 1962-1992 bleven
doorklinken.
De
kwestie-Papoea tot op heden
Als men de
Nederlands-Indonesische betrekkingen los van de kwestie-Papoea beschouwd, kan
geconcludeerd worden dat Nederland pas in 2005 gevoelsmatig heeft
gedekoloniseerd. Door 17 augustus officieel als onafhankelijkheidsdatum te
accepteren en spijt te betuigen over het leed dat Indonesië tussen 1945 en
1949 is aangedaan, werd de weg psychologisch vrijgemaakt voor de
‘definitieve’ normalisatie van de betrekkingen. Er was echter
sprake van nog een unfinished business:
de kwestie Papoea en de daarmee verbonden emoties. Dit gevoelige vraagstuk vond
zijn oorsprong in de periode 1950-1969 met als ijkpunten het Akkoord van New
York (1962) en de Daad van Vrije Keuze (1969). De historicus Drooglever deed
onderzoek naar deze (zwarte) bladzijden uit de Nederlandse koloniale
geschiedenis en zijn voorzichtig geformuleerde conclusie luidde dat Nederland
moreel medeverantwoordelijk was voor het huidige lot van de Papoea’s. Een
mening die door de Papoea’s, medehistorici en andere Papoea-deskundigen
al veel eerder werd verkondigd. Het Akkoord van New York bood door de vaagheid
van formulering, aldus Drooglever, alle ruimte voor Nederland om er stil
zwijgend aan voorbij te gaan. Na ondertekening van het Akkoord was van
Nederlandse kant wel de intentie van een toekomstige betrokkenheid. Dit
voornemen kwam tot uiting in een toezegging tot samenwerking met Indonesië
op het gebied van de ontwikkeling van Nieuw-Guinea. Toen, en ook later, stelde
de Nederlandse regering zich op het standpunt dat Nederland alleen in goede
samenwerking met Indonesië iets voor zijn vroegere onderdanen kon doen.
Zoals beschreven, werd de kwestie-Papoea sinds de overdracht van het gebied aan
Indonesië in 1963 echter in de doofpot gestopt om het aangaan van goede
betrekkingen met Indonesië niet te verstoren. De val van Soeharto in 1998
en het aantreden van president Wahid in 1999 brachten echter hoop voor de
Papoea’s op een vrij Papoea. Wahid ging in overleg met de door
afscheiding geteisterde gebieden zoals Atjeh, de Zuid-Molukken en ook Papoea
kwam weer op de agenda te staan. Dit voedde het zelfvertrouwen van de
Papoea’s en de eis om onafhankelijkheid begon steeds duidelijker te
klinken. Zij deden een beroep op Nederland als ex-moederland.
De
Nederlandse regering ontkende elke morele medeplichtigheid, maar Tweede
Kamerlid Van Middelkoop diende een voorstel in om de inlijving van voormalig
Nederlands-Nieuw-Guinea bij Indonesië in 1969 toch te laten onderzoeken.
Minister van Buitenlandse Zaken destijds, Van Aartsen, stemde verrassend met
dit voorstel in. Deze toezegging hield verband met de dialoog die Wahid met de
door afscheiding geteisterde volkeren in Indonesië was aangegaan. Dit zou
betekenen dat Indonesië niet meteen zou protesteren als in Nederland een
dergelijk historisch onderzoek zou worden ingesteld, dit in tegenstelling tot
de periode-Soeharto. Besloten werd het onderzoek door het Instituut voor de
Nederlandse Geschiedenis te laten uitvoeren, onder leiding van Drooglever. De Nederlandse regering hield zich, in de persoon van minister Bot vanaf
zijn tussentijds aantreden in december 2003, echter angstvallig afzijdig. Het
kabinet vreesde opnieuw problemen met Indonesië en weigerde politieke
consequenties aan het Drooglever-rapport te verbinden. Jakarta beschouwde het onderzoek immers als een obstakel in
de bilaterale relatie. Grote zorg bestond bij de Indonesische regering dat het
Drooglever-onderzoek voor politieke doelen door de voorstanders van de
onafhankelijkheid van Papoea zou worden gebruikt en tot veel onrust in andere
provincies zou leiden. Sinds het wegvallen van Oost-Timor stond de eenheid van
het land meer dan centraal. Een duidelijke waarschuwing vanuit Indonesische
zijde werd afgekondigd richting Nederland de handen af te houden van Papoea
door een nieuw visumbeleid in te stellen voor Nederlanders. De signalen kwamen
duidelijk door in Den Haag. Het Indonesische standpunt dat geen bemoeienis werd
geduld aangaande Papoea, en dat het rapport-Drooglever een zuiver historisch
onderzoek diende te zijn zonder enige politieke betekenis, werd exact het
standpunt dat na afloop van de openbaarmaking van het onderzoek van Drooglever
in november 2005 verwoord werd door B.R. Bot, de huidige minister van
Buitenlandse Zaken. De openbaarmaking van dit zogenaamde ‘Drooglever-rapport’
deed de emoties onder de Papoea-bevolking wederom hoog oplaaien. De conclusies
uit het onderzoek werden beschouwd als de bevestiging van het feit dat de
Papoea’s nooit vrijelijk hun recht op zelfbeschikking hadden kunnen
uitoefenen.
De kwestie-Papoea heeft niet geleid tot een
officieel Kamerdebat in de Nederlandse politiek, omdat men er vanaf wilde. Wel
zijn er meerdere Kamervragen gesteld. Eveneens werd Indonesië in het
algemeen en specifiek de situatie in Papoea tijdens de begrotingsbehandeling Buitenlandse
Zaken en Ontwikkelingssamenwerking 2005-2006 door bijna elke politieke partij
gememoreerd. Bot bleef daarbij benadrukken dat een goede relatie met
Indonesië prioriteit behield, dit om zodoende de Papoea’s een goede
behandeling te verschaffen. De Speciale Autonomiewet voor Papoea, die in 2001
werd ingesteld, diende daarom in letter en geest te worden uitgevoerd, aldus de
bewindsman. ‘Voortdurende druk vanuit Nederland en in groter verband de
EU en de VN is daarom nodig. Van
onafhankelijkheid voor Papoea kan echter geen sprake zijn.’ Een
parlementaire meerderheid deelde deze visie en besloot het daarbij te laten.
Conclusie
De
rationele keuze van Nederland om een vriendschappelijke verhouding met
Indonesië te verkiezen boven het lot van de Papoea’s neemt sinds
1962 reeds een prominente plaats in in het Nederlandse buitenlands beleid. De
publicatie van het Drooglever-onderzoek en de emoties die het teweeg bracht
heeft aan deze Nederlandse optiek niets doen veranderen. De kwestie-Papoea
lijkt daarmee een stille dood te zijn gestorven. Voor zowel de Nederlandse als
Indonesische regering is het verleden nu voorbij en is alleen de toekomst van
belang.
Resumerend
kan gesteld worden dat de historische uiteenzetting van de feiten naar mijn
mening voldoende bewijs levert voor de hypothese dat emoties omtrent het
koloniale verleden nog altijd een prominente rol spelen in de contemporaine
Internationale Betrekkingen, zij het wel steeds in mindere mate naarmate de
tijd voortschrijdt. De eerste generatie die de koloniale tijd nog heeft
meegemaakt verdwijnt geleidelijk en daarmee zullen de neokoloniale
gevoeligheden een steeds minder belangrijke rol innemen in de
Nederlands-Indonesische betrekkingen.
Het
is al met al onmogelijk de geschiedenis der Nederlands-Indonesische
betrekkingen na 1945
puur rationeel te benaderen. Aangetoond is dat emoties gemaskeerd als
rationele keuzes de geschiedenis der Nederlands-Indonesische betrekkingen na de
soevereiniteitsoverdracht in sterke mate hebben bepaald. De veronderstelling
van de Rationele Keuze Theorie, en daarmee het Realisme, dat emoties geen rol
spelen in de belangenafweging van individuen of staten kan middels dit
onderzoek dan ook worden weersproken. Aangetoond is dat emoties omtrent het
koloniale verleden juist een zeer belangrijke rol hebben gespeeld in de
gemaakte keuzes. Deze emoties zijn met name door Indonesië bewust als
psychologisch wapen gebruikt om het eigenbelang te verwezenlijken. Nederland
ging zich hierdoor voorzichtig opstellen en heeft zijn beleid jegens
Indonesië hier sterk door laten beïnvloeden. Het voeren van een
‘rationeel’ beleid in de postkoloniale betrekkingen tussen
Nederland en Indonesië heeft voor de Papoea’s tot op heden echter
weinig gelukkige consequenties tot gevolg gehad. Geconcludeerd kan worden dat
dit onderzoeksrapport heeft laten zien dat ook emoties in het rationeel
veronderstelde proces van decision-making een belangrijke rol kunnen
spelen, wat maakt dat de (Neo)-Realistische opvattingen over het tot stand
komen van beleid en het uitvoeren daarvan sterk genuanceerd dienen te
worden.
LITERATUURLIJST
Boeken
Allison,
T.G., Essence of Decision: Explaining the
Cuban Missile Crisis (Bosten 1971)
Ardenne, van A.M.A, Aan Elkaar Verplicht / concentratie op landen en sectoren in de
bilaterale ontwikkelingssamenwerking / goed bestuur in de partnerlanden
(Den Haag 2004)
Barkman, C.D., Bestemming
Jakarta: Het herstel der Nederlands-Indonesische betrekkingen (Amsterdam
1993)
Beurs de J.G., Morgen
bij het aanbreken van de dag: Nederland
driemaal aan de vooravond van oorlog, (Rotterdam 1978)
Brandsma, M. en P. Klein., Jan Pronk: Rebel met een missie (Amsterdam 1996)
Burchill,
S., R. Devetak en A. Linklater, (e.d.), Theories
of International Relations (New York 2001)
Collins, R., Sociological Insight: An introduction to
Nonobvious Sociology (
Dijk, van
C.,
A country in Despair:
Doel, van den H.W., Afscheid van Indië: De val van het
Nederlands imperium in Azië (Amsterdam 2000)
Drooglever, P.J., Een
daad van vrije keuze: De Papoea’s van Westelijk Nieuw-Guinea en de
grenzen van het zelfbeschikkingsrecht (Den Haag 2005)
Eijgelshoven, P.J., A. Nentjes en B.C.J. van Velthoven,
Markten en overheid (Groningen 2000)
Fasseur, C., De
leeuw en de Cheshire kat: Engeland, Nederland en de dekolonisatie van
Indonesië 1945-1949 (Amsterdam 1999)
Jong, de J.J.P., Diplomatie
of strijd: Het Nederlands beleid tegenover de Indonesische Revolutie 1945-1947
(Amsterdam 1988)
Idem en D.M.E. Lessing-Sutherland, To forget the past in favour of a promise
for the future: Nederland, Indonesië en de financiële overeenkomst
van 196: Onderhandelingen, regeling, uitvoering (Den Haag 2004)
Kaan, F.R., Oranje
en Indonesië: officieel herdenkingsalbum van het staatsbezoek van H.M.
Koningin Juliana en Z.K.H. Prins Bernard aan Indonesië in de zomer van
1971 (Den Haag 1971)
King, P., West Papua and
Lagerberg, K., Schuldig
zwijgen: De Papua in zijn bestaan bedreigd (Utrecht 2005)
Lijphart,
A., The Trauma of Decolonization: The
Dutch and
Meijer, H., Den
Haag-Djakarta: De Nederlands-Indonesische betrekkingen 1950-1962 (Utrecht
1994)
Meijer, R., Oostindisch
doof: Het Nederlandse debat over de dekolonisatie van Indonesië
(Amsterdam 1995)
Mook, van H.J., Indonesië,
Nederland en de wereld (Amsterdam 1949)
Morrien, J., Indonesië
los van Holland: De CPN en de PKI in hun strijd tegen het Nederlandse
kolonialisme (Amsterdam 1982)
Morrow, D.J., Game Theory for Political Scientists (
Posthumus,
G.A., The Inter Governmental Group on
Rescher,
N., Sensible Decisions: Issues of Rational Decision in Personal
Choice and Public Policy (Oxford 2003)
Saltford, J., The anatomy of betrayal: The United Nations
and the Indonesian takeover of
Sawor, Z., Ik
bèn een Papoea (Groningen 1969)
Schiff, E.L.C., Van
plein tot apenrots: ambtenaar van de
Buitenlandse Dienst (Amsterdam 2005)
Sengers, E., Al
zijn wij katholiek, wij zijn Nederlanders. Opkomst en verval van de katholieke
kerk in Nederland sinds 1975 vanuit rationele keuze perspectief (Delft 2003)
Steans, J.,
en L. Pettiford, International Relations:
Perspectives and Themes (Essex
2001)
‘The restoration of Irian Jaya into the
Tromp, B., De
wetenschap der politiek: Verkenningen (Amsterdam 2002)
Verstraten, J., Het gestolen huis: De stille
oorlog tegen de Papoea’s (Utrecht
2005)
Vlasblom, D., Papoea:
Een geschiedenis (Amsterdam 2004)
Vos, M.L., Cooperation between Politics and Practice: How
Dutch Indonesian Cooperation changed Remarkably Little after a Diplomatic
Rupture (Amsterdam 2001)
Weber, M., Wirtschaft und Gesellschaft: Grundriss der verstehende Soziologie
(Tübingen 1921)
West Papua:
een natie, Stichting
Werkgroep Nieuw Guinea (Deventer 1984)
Wing, J.,
P. King, Genocide in West Papua,
Centre for Peace and Conflict Studies & ELSHAM, (Sydney / Jayapura 2005)
Wetenschappelijke
artikelen
Baudet, H., Nederland
en de rang van Denemarken, Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis
der Nederlanden, 90 (1975), 430-444
Breman, J., ‘Het gelijk van Jan Pronk’, Vrij Nederland (4 december 1999), 23-24
Docter, H.,
P. van Tuijl, ‘Indonesië: een zware test voor Nederlandse
ontwikkelingshulp’, Internationale
Spectator, 2 (2002), 125-129
Doel, den van H.W., en P.C. Emmer, ‘De
dekolonisatie van Nederland’, Internationale
Spectator, 54 (juli-augustus 2000), 339-346
Doorn, van J.A.A., ‘De inspecteur-generaal der
Indische bezittingen’, HP / De tijd,
14 (Amsterdam 1992), 17-19
Hellema, D., en L.M. Vos, ‘De herontdekking van
Oost-Azië: Nederlands buitenlands beleid herijkt?’, International Spectator, 52 (1998),
32-40
Hulten, van M., ‘De 19 van Herfkens’, International Spectator, 53 (1999),
430-435
Jager, de K.J., ‘November 2005: Papua-maand?’
West Papua Courier, 26 (2005), 2-32
Jansen, van G.J., ‘Tussen
koloniale rancune en vermomd idealisme: Het Nederlandse beleid inzake het
conflict rond Nieuw-Guinea’, in: Martin Elands (red.), Afscheid van Nieuw-Guinea: Het
Nederlands-Indonesische conflict 1950-1962 (Bussum 2003), 8-35
Jong, de J.J.P., ‘Postkoloniale depressies en
speciale banden: De Nederlands-Indonesische relatie 1949-
Kadt, de J., ‘De nieuwe situatie:
Indonesië, Zuidoost-Azië en Nederland’, Socialisme en Democratie, 7 (1950), 88-89
Kamsteeg, A., ‘Volksraadpleging nu officieel
volksverraadpleging’, Zelfbeschikking,
25 (april 2006), 1-8
Kirksey, E., ‘The Anatomy of Betrayal’,
in: Newsletter The International Institute for Asian Studies
(IIAS) (November 2003), 1-56
Lijphart, A., ‘The Indonesian Image of West Irian’, Asian Survey, 1, (juli 1961), 9-16
Meijer, H., ‘Handel over en weer’, Jochum
Haakma, ‘diplomaat in zaken' in: Nederland-Indonesië
1945-1995: Een culturele vervlechting (Eindhoven 1995), 200-211
Idem, ‘De tweede kwestie-Nieuw-Guinea: de
Nederlandse politiek en de Daad van ‘Vrije’ Keuze’, Jaarboek
Parlementaire Geschiedenis (Den Haag 2001), 42-56
Idem, ‘De daad van (geen) Vrije Keuze: Nederland
en de volksraadpleging op Nieuw-Guinea’, in: Martin Elands (red.), Afscheid van Nieuw Guinea: het
Nederlands-Indonesische conflict 1950-1962 (Bussum 2003), 94-107
Meiracker, den van K., ‘Nederlands-Nieuw-Guinea
na de overdracht’, Spiegel
Historiael, 33 (1998), 333-337
Noordholt, Schulte H., ‘De tweede dekolonisatie
van Indonesië’, Socialisme en
Democratie, (2000), 65-73
‘Politiek
en Pro Papua: November 2005: Drooglever en de begrotingsbehandeling’,
Nieuwsbrief Stichting Pro Papua, 6 (mei 2006), 1-6
Röling, B.V.A., ‘Beschouwingen over de
huidige stand der Nieuw-Guinea kwestie’, Socialisme en Democratie, 15 (1958), 2-18
Saltford, J., The
United Nations, West Papua and the Act of Free Choice: De-colonisation in
action?, Paper geschreven ter ere van de Seminar ‘Daad van Vrije
Keuze’, Instituut voor de Nederlandse Geschiedenis, 15 november 2005, 1-8
Verhoeven, Reinier, ‘Iedereen is hier
ontevreden, behalve de Soeharto-kliek’, Tribune, 4 (17 april
1998), 27-30
Krantenartikelen
‘Akihito betuigt spijt over veroorzaakt
leed’, Het Reformatorisch Dagblad, 9 mei 2000
‘Balkenende betuigt nogmaals spijt aan
Indonesië’, De Gelderlander, 8 september 2005
Beijen, A.,‘Geest uit de fles op Irian
Jaya’, Het Algemeen Dagblad, 11
november 1999
Idem, en J. Jansen, ‘Overdracht N-Guinea
onderzocht’, Ibidem, 10
december 1999
‘Bernard had plan met Nieuw-Guinea’, NRC
Handelsblad, 16 maart 2002
‘Bezoek Indonesië emotioneel voor
Bot’, Het Algemeen Dagblad, 17 augustus 2005
Boer, de G., ‘Papoea’s roepen
onafhankelijkheid uit’, De Volkskrant, 5 juni 2000
Idem, ‘Onafhankelijkheid ver weg voor
Papoea’s’, Ibidem, 4
december 2000
Idem, ‘Papoea’s hopen op Nederlandse
steun’, Ibidem, 12 mei 2000
Boogaard, F., ‘Kooijmans: Machtsstrijd; Breuk
met Nederland door hardliners’, Het
Algemeen Dagblad, 27 maart 1992
Boogaard, F., en P. Pierre, ‘Pronk: Breuk raakt
mij hard’, Ibidem, 28 maart
1992
Boogaard, den van R., ‘Bot moet Papoea-rapport
aannemen’, NRC Handelsblad, 16 november 2005
‘Bot betreurt lijden Indonesische volk’, Het Algemeen
Dagblad, 16 augustus 2005
‘Bot betuigt zijn spijt over geweld tegen
Indonesië’, De Volkskrant, 16 augustus 2005
Brendel,
C., ‘De cultuur van het loze gebaar ; Historicus Von der Dunk:
Excuses horen thuis in de
hemel’, Het Algemeen Dagblad, 6 maart 2000
Brummelman, W., ‘Een zaak van jullie eigen
geweten’, NRC Handelsblad, 27
mei 1999
‘De relatie met Jakarta gaat voor de
Papoea’s’, Trouw, 16 november 2005
Elt, den van G., ‘Een inlander vergeet nooit:
Respect voor waardigheid weegt heel zwaar in Indonesië’, Het Algemeen
dagblad, 4 april 1992
‘Geen nieuw debat over Nieuw-Guinea: Discussie
geeft Papoea’s valse hoop’, De
Leeuwarder Courant, 16 november 2005
Haerkens, T., ‘Omstreden Daad van Vrije
Keuze’, Ibidem, 15 november
2005
Hooven, ten M., ‘Aanval op Pronk stuwt De Hoop
Scheffer omhoog’, Trouw, 7
april 1992
‘Indonesië beledigd: Ontwikkelinghulp van
Nederland niet gewenst’, Het
Algemeen Dagblad, 26 maart 1992
‘Indonesië wil eind aan hulp: spoedberaad;
Nederland gebruikt ontwikkelingsgeld als een instrument van intimidatie’,
Algemeen Dagblad, 26 maart 1992
‘Indonesië wilde en wil Papoea’s
vernietigen, De Volkskrant, 11
december 2003.
‘Indonesische president vraagt niet om
excuses’, Het Algemeen Dagblad,
17 augustus 2005
‘Internationaal, maar binnen de grenzen’, De Volkskrant, 11 mei 2005
‘Jakarta blokkeert autonomie van Papoea’, NRC-Handelsblad, 4 februari 2003
Jakarta wuift rapport over lot Papoea’s weg:
alleen academische waarde’, Het
Nederlands Dagblad, 19 november 2005
Jansen, P., ‘Papoea’s halen gelijk in
koloniale zaak, De Telegraaf, 15
november 2005
Kieskamp, W., ‘Gemangeld door de machten’
, Trouw, 6 april 2001
‘Kok: Excuses aan Indonesië’, Het Algemeen
Dagblad, 26 februari 2000
‘Kok feliciteert Indonesië’, Ibidem, 18 augustus 1995
‘Kok hield excuus Beatrix tegen’, De Volkskrant,
23 april 2005
Laan, der van C., ‘Ben Bot: Over het verleden
heenkijken’, Trouw, 19 augustus 2005
Lagas. T.,
‘Den Haag negeerde 60 jaar een datum’, Ibidem, 27 juli 2005.
Lagerberg, K., ‘Meer macht voor Papoea’s
pas het begin’, Het Algemeen Dagblad, 9 november 2001
Lassche, G., ‘Interview met nieuwe Indonesische
ambassadeur’, Netwerk, 7
september 2006
Maas, M., ‘verscheidenheid zonder
eenheid’, De Volkskrant, 26 juli 2003
Idem, ‘Misstanden Papoea worden eindelijk
onderzocht’, Ibidem, 20
februari 2004
Idem, ‘Bot schrijft geen historie in
Jakarta’, Ibidem, 17 augustus
2005
Idem, ‘Bot wil een hoofdstuk afsluiten’, Ibidem, 18 augustus 2005
Idem, ‘Bot wil zaak van Papoea niet
oprakelen’, Ibidem, 27 augustus
2004
Marlet, G., ‘Nederlands Nieuw-Guinea’, Trouw, 4 oktober 2002
Metzemaekers, L., ‘Zonder Nederland had
Indonesië geen kans gehad’, Het
Financieele Dagblad, 12 augustus 1995
‘Nooit om excuses gevraagd’, De Telegraaf,
14 augustus 2005
Olst, van P.C., ‘Bedrog jegens Papoea’s
moet nodig geboekstaafd’, Het
Algemeen Dagblad, 6 maart 2000
‘Ons Indië’, NRC Handelsblad, 17 augustus 2005
‘Papoea leider gewurgd door militairen’, De Volkskrant,
6 februari 2003
‘Papoea krijgt inheemse volksvergadering’,
Het Algemeen Dagblad, 10 september 2005
‘Papoea’s en geschiedenis’, NRC
Handelsblad, 16 november 2005
‘Pronk: Nederland moet Indonesië volledig
accepteren’, Het Algemeen Dagblad,
27 december 1994
Schuppen, van H., ‘De vlag uit voor de
Papoea’s’, Tubantia, 16
november 2005
Schutten, Henk, ‘Papoea’s koesteren hun verboden
vlag’, Het Parool, 30 november
2000
Steun aan Indonesië’, NRC-Handelsblad,
10 april 2006
‘Strijders voor Vrij Papoea weer actief’, Ibidem, 21 juni 2001
’Studie naar lot Papoea’s is nu niet
relevant’, De Volkskrant, 15 november 2005
‘Studie Papoea’s inzet van
conflict’, NRC Handelsblad, 15 november 2005
‘Tot nu toe’, Het Algemeen Dagblad, 31 maart 2006
Vermeulen, Frank, ‘Kwestie Nieuw-Guinea
springlevend’, NRC Handelsblad,
7 juni 2000
Vlasblom, D., ‘Irian Jaya heet van nu af aan
gewoon Papoea’, Ibidem, 3
januari 2000
Idem, ‘Verre Oosten van
Indonesië wacht onheil’, Ibidem,
20 september 2000
‘Volksraadpleging
doorgestoken kaart’, NOS-Journaal,
15 november 2005
Vree, de H., ‘Altijd bloemen,
ook na zestig jaar’, De Volkskrant, 16 augustus 2005
‘Vrijheid voor Papoea’s
alleen op papier dichterbij’, Ibidem,
22 februari 2006
Yudhoyono wil nu ook conflict
Papoea oplossen’, Trouw, 16
augustus 2005.
Interviews
Interview met de heer Gerard Thijssen, Den Haag, d.d.
15 november 2005. Gerard Thijssen is een Indië-veteraan en tevens
redacteur van de website: West Papua: Het
vergeten volk :
www.westpapuahetvergetenvolk.nl
Informeel gesprek met Paul Barber, Tapol: Indonesia
Human Rights Campaign, Hampshire (GB), Richard Samuelson, Free West
Papua Campaign, Oxford (GB), Maury D. Ruben, Organisasi Papua Merdeka,
Tyreso (Zweden) en Hendrick C. Ajamiseba, West Papua Action Network, New
York (VS), Seminar Daad van Vrije Keuze, Den Haag, 15 november 2005
E-mail correspondentie met de heer E. van Middelkoop,
3 juli 2006
Interview met de heer J.J. van Aartsen, Den Haag, 22
september 2006
Handelingen
der Tweede Kamer
Ardenne, van A.M.A., ‘Brief aan de Tweede Kamer’,
Handelingen der Tweede Kamer,
2003-2004, 29 juni 2004
‘Begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken en
Ontwikkelingssamenwerking’, Ibidem,
2005-2006, 23 november 2005
´Begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken en
Ontwikkelingssamenwerking´, Ibidem,
2005- 2006, 24 november 2005
‘Behandeling begroting Buitenlandse
Zaken’, Ibidem, 1999-2000, 8
december 1999
‘Behandeling begroting Buitenlandse Zaken’,
Ibidem, 1999-2000, 9 december 1999
B.R. Bot, ‘Beantwoording verzoek in zake de
recente ontwikkelingen in Indonesië’, Ibidem, 2003-2004, 10 februari 2004
Idem en A.M.A. van Ardenne-van der Hoeven,
‘Beantwoording Kamervragen inzake het Drooglever onderzoek’, Ibidem, 2004-2005, 5 oktober 2004
Idem, ‘Beantwoording Kamervragen Nawijn over de
toespraak van de minister van Buitenlandse Zaken van 15 augustus 2005 over de
onafhankelijkheid van Indonesië’, Ibidem, 5 september 2005
Idem, ‘Beantwoording Kamervragen Van der Staaij,
Huizinga-Heringa en Herben over het geweld in Papoea’, Ibidem, 20 januari 2006
Idem, ‘Beantwoording vragen van het lid
Haverkamp en leden Van der Staaij, Herben, Wilders, Van Bommel, Bakker en
Huizinga-Heringa over Papoea’, Ibidem,
17 maart 2006
Idem, ‘Beantwoording Kamervragen Van der Staaij,
Koenders, Haverkamp, Van Velzen over de situatie in West-Papoea, Ibidem, 11 oktober 2005
Idem, ‘Kamerbrief inzake het bezoek van minister
van Buitenlandse Zaken aan Indonesië’, Ibidem, 2005-2006, 30 augustus 2005
Idem en A.M.A. van Aardenne-van der Hoeven,
‘Kamerbrief beleidsnotitie Indonesië’, Ibidem, 2005-2006, 13 juni 2006
‘Een wereld van verschil: Nieuwe kaders voor
Ontwikkelingssamenwerking in de jaren negentig’, Ibidem, 1990-1991
‘Een wereld in geschil: De grenzen van
Ontwikkelingssamenwerking verkend’, Ibidem,
1993-1994
Herfkens, E., ‘Brief aan de Tweede kamer’,
Ibidem, 1998-1999, 17 mei 1999
Idem, ‘Brief aan de Tweede Kamer’, Ibidem, 1999-2000, 7 juni 2000
Internet
Abelen, M., ‘Krassen op een rots: ontkenning als
psychologisch en politiek motief in de relatie
tussen Nederland en Indonesië’, <http://www.tripod.lycos.nl/>
‘De Europese consensus inzake het ontwikkelingsbeleid: De uitdaging op het gebied van
ontwikkeling’, Gemeenschappelijke
verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der
lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie
betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie, 1-19
<http://eurlex.europa.eu/LexUriServ/site/nl/oj/2006/c_046/c_04620060224nl00010019.pdf#search=%22%E2%80%98goed%20bestuur%E2%80%99%20bestaande%20internationale%20consensus%20over%20het%20begrip%202000%22>
Doppert, M., en M. Hermans,
‘Koningin van alle Nederlanders: Onderscheid hoort tot de rijkdom van
het mens zijn’, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling, 1-45, <http://www.doppert.nl/documents/essayBeainpdf.pdf#search=%22waarom%20Indie%20veteranen%20weerstand%20erkennen%20datum%20van%20onafhankelijkheid%20indonesie%201945%22>
‘Dossier
Oost-Timor: Geschiedenis’, NRC Handelsblad, 6 oktober 1999,
<http://www.nrc.nl/W2/Lab/Oost-Timor/geschiedenis.html>
Henzen, E., ‘Van Nederlands-Indië tot Indonesië: Een onverwerkt
verleden’,
<http://www.geschiedenis.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=184&Itemid=149>
Keesings
Historisch Archief (1947) 7234, 7235,
<http://www.kha.nl/index2.html>
Krebbers, E., ‘Thema-avond Oost-Timor’, De Fabel
van de Illegaal,
<http://www.gebladerte.nl/00466p27.htm>
Maas, M., ‘Autonomie
heeft Papoea’s bitter weinig opgeleverd’, Radio Nederland Wereldomroep, 23
februari 2006, (5-10-2006), <http://www.wereldomroep.nl/actua/regio/verreoosten/act20060223_papoea>
Middelkoop
van E., ‘Een daad van vrije
keuze’, Papua Lobby, All-inclusive dialogue with all stakeholders: Contributions to the debate on
historical myths and conflict resolution
<http://www.nieuwsbank.nl/papua-lobby/contrib6NL.htm>
‘
‘Staatsbezoeken’,
NOS-Journaal, <http://www.nos.nl/nosjournaal/dossiers/25jaarbeatrix/historie/staatsbezoeken.html>
Stirner, P., ‘Wij
Papoea’s huilden de hele dag: De fabel van de overdracht van West Papoea
door Nederland aan Indonesie ’, Eurodusnie, 16 september 2005, <http://eurodusnie.nl/index.php?option=com_content&task=view&id=508&Itemid=36>
9
‘Vertegenwoordiging
in Nederland: ABC van de Europese Unie’, Europese Commissie <http://ec.europa.eu/netherlands/almdeel2abc/abc_s/schengen.htm>
William H. en F.R.L. Worden, ’
[1] Ibidem.
[2] Drooglever, Een daad van vrije keuze, 111.
[3] H.J. van Mook, Indonesië, Nederland en de wereld
(Amsterdam 1949), 170.
[4] Van den Doel, ‘De
dekolonisatie van Nederland’, 339.
[5] King, West Papua, 20.
[6] Ibidem.
[7] Lijphart, The Trauma of
Decolonization, 131.
[8] Ibidem, 23.
[9] Ibidem, 2.
[10] Posthumus, The Inter Governmental
Group on
[11] ‘De Europese
consensus inzake het
ontwikkelingsbeleid: De uitdaging op het gebied van ontwikkeling’, Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de
vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad,
het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van
de Europese Unie, (18-8-2006) 1-19, aldaar 8-10 <http://eur-
lex.europa.eu/LexUriServ/site/nl/oj/2006/c_046/c_04620060224nl00010019.pdf#search=%22%E2%80%98goed
%20bestuur%E2%80%99%20bestaande%20internationale%20consensus%20over%20het%20begrip%202000%22>.
[12] Docter,
‘Indonesië: een zware test voor Nederlandse
ontwikkelingshulp’, 128.
[13] ‘Kok: Excuses aan
Indonesië’, Het Algemeen Dagblad, 26 februari 2000.
[14] Lijphart, The Trauma of
Decolonization’, 128.
[15] Jansen van Galen,
‘Tussen koloniale rancune en vermomd idealisme’, 32-33
[16] Meijer, ‘De tweede
kwestie-Nieuw-Guinea’, 82.
[17] Meijer, ‘De tweede
kwestie-Nieuw-Guinea’, 82.
[18] Saltford, The anatomy of betrayal,
45.
[19] Ibidem.
[20] ‘
[21] Lagerberg, Schuldig zwijgen, 295.