|
Nieuw Guinea
De Kerstdagen 2002 brachten wij door bij de familie Lenior in Den
Helder. Tijdens dit bezoek zag ik een grote stapel,door de vader van Peter,
keurig ingebonden Katholieke Illustraties.
In de bundel 1949, ontdekte ik een mooi reisverslag van een
Nederlandse missionaris, pater C. Meuwese, geïllustreerd met prachtige
foto's. Onderstaand vindt U dit verhaal, welke ik precies zo wil overnemen.
Pionierswerk
Een Nederlandse missionaris ontdekt
in Zuid-Nieuw Guinea een nieuwe rivier en enige nog volkomen onbekende
volksstammen. (1948)
Het was koud en winderig, toen de Oranje Zondag 20 Februari met een
dag vertraging eindelijk aan de Javakade te Amsterdam meerde. Er ging een
zucht van verlichting door de rijen van wachtenden in de aankomstloods,
toen de eerste passagiers aan wal stapten.
Temidden van die rij sjouwende mensen verscheen in de lichte
deuropening van de loods de donkere figuur van een missionaris, die een
stel enorme koffers torste, pater C. Meuwese M.S.C., de man die 15 jaar op
Zuid-Nieuw Guinea leefde onder koppensnellers en menseneters en daar in
December j.l., op plaatsen waar een blanke nimmer de voet gezet had, nieuwe
volksstammen van een dertien a veertienduizend man ontdekte, waarvan men
het bestaan niet eens vermoedde. Enige maanden daarvoor, op de dag van de
inhuldiging van koningin Juliana, vond hij een nog niet in kaart gebrachte
rivier, welke hij de Koningin Juliana rivier doopte.
Het jarenlange verblijf in de rimboe heeft zijn sporen gedrukt op
heel het wezen van deze missionaris.
Hij is robuust van gestalte, met grote handen, die gewend zijn aan
te pakken. Er lopen grijze draden door zijn zwarte baard, die hier en daar
door de zon bruin gebleekt is. Achter de ijzeren bril kijken een paar
heldere, donkere ogen u aan.
Een week later troffen wij pater Meuwese in het missiehuis aan de
Bredase weg te Tilburg. In korte trekken--- hij hoopt een uitgebreid
verslag van zijn tochten te publiceren in het Mei-nummer van de
"Annalen van O.L.Vrouw van het H.Hart" te Tilburg---- vertelde hij
ons het relaas van zijn ervaringen, een verhaal even spannend als macaber,
dat een indruk geeft van het pionierswerk, hetwelk een missionaris moet
verrichten, om het geloof bekend te maken aan de minst ontwikkelde volkeren
der aarde.
In een dode hoek van het wereldverkeer, achter het bruine
modderwater van de Alfoerenzee, ligt Zuid-Nieuw Guinea, een onbekend deel
van het enorme eiland, waarvan men de geheimen nog niet heeft kunnen
doorvorsen. De Mangrovenbossen aan de kust geven het geen aantrekkelijk
voorkomen.
Daarachter beginnen de eindeloze moerassen, die aan ondergelopen
weilanden doen denken.
Geen blanke zal het wagen deze velden te betreden; de verraderlijke
grond zou hem doen verdwijnen, het vochtige klimaat zou zijn gezondheid
aantasten, miljarden insecten zouden het leven onmogelijk maken. In de
bossen en moerassen, die achter de horizont schuilgaan, wonen de
Papoeastammen, in Zuid-Nieuw-Guinea Kajakaja's genoemd. Slechts over de
rivieren en de ontelbare kreken kan men hun kampongs benaderen. Daar was
het werkterrein van pater Meuwese. De tochten der koppensnellers op
Brits-Nieuw-Guinea waren in het begin van de twintigste eeuw aanleiding
voor het Nederlands-Indisch gouvernement om uit Merauke exploratie-tochten
naar het binnenland te organiseren.
Hiermede gingen uiteraard vele jaren heen, doch hoewel deze tochten
zeker tastbare resultaten opleverden, is men er n ooit in geslaagd het
gebied geheel te ontsluiten. Vijftien jaar geleden trok pater Meuwese
alleen deze rimboe in. Een half jaar te voren hadden twee paters de streek
bezocht, om te zien of het mogelijk was hier een missiepost te
openen. Toen de mogelijkheid aanwezig bleek, vestigde pater Meuwese zich te
Kepi, een Papoeadorp nabij de Mappi-rivier, waar een driehonderdtal
Papoea's op een met palmen bedekte heuvel, omgeven door moerassen, woonden.
Het was niet bepaald een veilig oord, dat hij zich als
verblijfplaats gekozen had. In 1936 nog vestigde een militair detachement
zich in deze streek om de sneltochten van de Papoea's te verhinderen.
De eerste vijf jaren verliepen zonder veel resultaat. Pater Meuwese
kon praktisch weinig anders uitrichten dan de gewoonten en zeden van deze
mensen te onderzoeken en hun talen bestuderen om zo heel langzaam
vertrouwen te winnen en enige contacten te leggen. Hier maakte hij reeds
kennis met het koppensnellen. Het gebeurde nog al eens dat rondzwervende
benden eenzame Papoea's overvielen en hun hoofd als tropee met zich
voerden. Als de droge tijd begon(van Juli tot December), in welke maanden
deze rimboe nog enigszins begaanbaar is en de sneltochten een aanvang
namen, maakte een ware angstpsychose zich van het dorp meester. Dan deden
de wildste geruchten de ronde en meermalen kwam men ook pater Meuwese
waarschuwen, dat hij de volgende nacht gesneld zou worden. Het snellen is
een afschuwelijke gewoonte van de Papoea's, die diep in het godsdienstige
en sociale leven van deze wilde stammen is ingevreten. Als een jongeling
wil trouwen moet hij zijn meisje minstens twee gesnelde koppen kunnen
aanbieden, welke zij bij de huwelijksplechtigheid aan de armen heeft
hangen, opdat zij vruchtbaar moge worden. Ook worden er koppen gesneld bij
de geboorte van een kind om het een naam te kunnen geven, voorts als er
iemand begraven wordt of als de vrouw de rouw om haar man aflegt. Zo worden
er voor iedere man tijdens zijn leven minstens vijf koppen gesneld.
Van Kepi uit ondernam pater Meuwese zijn tochten langs kreken en
rivieren in een uitgeholde boomstam. Zo trok hij door vele streken, waar
nog nooit een blanke geweest was.
Op een van deze tochten voer hij op een kleine rivier (nabij de
Wildeman rivier), die aan beide kanten met dicht geboomte begroeid was,
zodat het groen als het ware een tunnel vormde boven het water.
Het was er stil. Slechts de geluiden van het oerwoud weerklonken
, met nu en dan de schreeuw van een loerie en het ritselen van een
wegvliegende paradijsvogel. Het regelmatig plonzen van de pagaaien in het
snelstromende water leek de stilte intenser te maken.
Toen hij de lovertunnel meer van nabij kon beschouwen, maakte zijn
aanvankelijke, vredige bewondering plaats voor verbazing, waarna hij zich
plotseling met schrik realiseerde, dat de bomen vol hingen met duizenden
mensenbeenderen en varkenskoppen, die langzaam, als in een spookverhaal, op
de wind een "danse macabre" heen en weer wiegden. Pater Meuwese
was in het land van de menseneters terechtgekomen. Op een open plek zag hij
nu een zestigtal mannen, die hem schreeuwend en stampend poogden te
weerhouden verder te gaan. Zij richtten hun pijlen op hem en wierpen met
veel misbaar hun speren in de grond. Het was een netelige positie,
waarin de priester zich bevond.
Wel had hij een twintigtal dragers bij zich, maar deze mensen waren
weinig krijgshaftig. Hij bezat wel een jachtgeweer om wild te schieten,
maar dat wilde hij niet gebruiken. Hij zou liever zonder wapen van huis
zijn gegaan, maar dan zou hij voor deze tocht geen dragers hebben gevonden.
Terugkeren zou nu onvermijdelijk zijn ondergang betekenen, de
wildemannen zouden hem van achteren aanvallen en er zou niets van hun
groepje overblijven. Hij stuurde dus naar de kant en ging met opgeheven
handen, zonder wapens, naar de mannen toe. Toen hij enige schreden naar
voren gekomen was, namen allen overhaast de vlucht, om even later
behoedzaam en voorzichtig terug te keren. Nu probeerde pater Meuwese hen te
lokken met kralen en spiegeltjes. Het werd een spel van komen en gaan, dat
anderhalve dag duurde. Daarna hing hij de kralen aan een boomtak en trok
zich terug. De wilden stormden er op af en gingen er met de kralen vandoor.
Tenslotte kwam het toch zover, dat hij tot de begroeting kon overgaan. Deze
begroeting bestond uit het hard tegen elkaar wrijven van de kinnen, een
zeer onaangename bezigheid, daar de wilden niet bepaald proper waren.
Toen werd hem van alle kanten vriendschap aangeboden, geheel
volgens een oude ceremonie.
Men offreerde hem een staaf halfgebakken sago, waarin de wormen
zomaar meegebakken waren.
Eerst beet de wildeman er een stuk af; daarna moest pater Meuwese
zonder de staaf met de handen aan te raken op zijn beurt een hap nemen.
Toen hij dit zestigmaal gedaan had, kon hij letterlijk niet meer!.
Het dorp van deze Papoea's bleek te bestaan uit een paar mannenhuizen,
gebouwd op honderden dunne paaltjes. Deze huizen zijn vaak wel een honderd
meter lang, bij een breedte van ongeveer vijf meter. Deze stam leeft nog in
het stenen tijdperk, kent geen messen of bijlen en kan daarom zijn huizen
alleen maar op dunne paaltjes bouwen. Het gevolg was, dat toen pater
Meuwese er met zijn dragers inging, het huis in het midden gewoon een eind
in de moerassige bodem wegzakte, doch dit was blijkbaar een gewoon
verschijnsel. Op de grond langs de wand waren klei-platen neergelegd,
waarop vuren brandden. Iedere twee mannen hadden hun eigen vuur. Men moest
enige tijd wennen aan de atmosfeer in dit wankele gebouw, waar de rook
slechts door de deuropening verdwijnen kon. Er hing een ondraaglijke lucht.
De wanden waren behangen met afgekloven mensenbeenderen, waar de spieren
soms nog aan zaten. Het was er om te stikken.
Later bleek dat de pater te doen had met een van de nog totaal
onbekende stammen, te samen bestaande uit dertien a veertienduizend mensen,
die zich diep in het binnenland hadden teruggetrokken. En dorp bestaat uit
vijf tot tien huizen. De mannen verblijven in speciale mannenhuizen,
terwijl de vrouwen met het oog op het gevaar van koppensnellen, hun woning
hebben hoog in de bomen, tot zelfs vijfentwintig meter boven de begane
grond; langs lianen klimmen zij er naar toe. Nooit mag een man een
vrouwenverblijf betreden; alleen in het bos kan hij zijn vrouw ontmoeten.
Wel koken de vrouwen, maar het eten wordt dan onder aan de boom gezet,
zodat de mannen het daar op bepaalde tijden kunnen weghalen.
Pater Meuwese heeft ook nog vreedzamer ontdekkingen gedaan. Met pater
J.Verschueren, die hem is komen aflossen, wilde hij een tocht ondernemen
van het binnenland uit naar de zee.
Hij ging daarom met zijn prauw een rivier op, die hij aanvankelijk
voor de Cook-rivier hield, omdat er op zijn kaart niets anders stond aangegeven.
Spoedig echter bleek, dat de rivier niet naar het westen, doch naar het
zuiden afboog. Met kompas en horloge namen zij de richting en de tijd op.
De volgende morgen, 6 September 1948, bleek overduidelijk, dat dit niet de
Cook rivier was, doch een stroom die nog op geen enkele kaart te
vinden was. Hun tocht ging door dichte bossen, waar de lianen bloeiden
tussen het donkere groen. De kleinere rivieren op Zuid-Nieuw-Guinea zijn
dikwijls moeilijk te bevaren; onder het water zijn vaak versperringen gevormd
door oude woudreuzen die in de rivier gevallen zijn. Alleen in de droge
tijd zijn deze bomen zichtbaar. Loopt een prauw op een stam, dan kan het
gemakkelijk gebeuren, dat ze stuk slaat. Het kostte de beide missionarissen
dan ook heel wat moeite om hun tocht ongedeerd te volbrengen. De volgende
dag kwamen zij een zeshonderd man tegen, die juist van een sneltocht
terugkeerden. Het enige wat hun te doen stond was er recht op af varen.
Gelukkig schenen deze wilden hun bloeddorst gestild te hebben; zij bleken
nogal spoedig tot vriendschapsbetuigingen over te halen. In de prauwen
begon reeds het kinnenwrijven en het ging zo krachtig, dat velen in de
rivier rolden! Gezamenlijk werd aan de oever een bivak opgeslagen.
Bij het kampvuur haalde pater Verschueren zijn harmonica te
voorschijn en poogde enige lieflijke melodieen aan zijn instrument te
ontlokken. Bij de eerste tonen waren de wilden van schrik verdwenen, doch
toen zij beseften, dat het geen moordtuig was, kwamen zij al gauw terug.
Pater Meuwese danste de hele avond voor de mannen en te oordelen
naar de bijval, die hij kreeg, werden zij door de sprongen van de
missionaris sterk geboeid. De grootste belangstelling van deze mensen, die
nog nooit een blanke gezien hadden, ging echter uit naar de schoenen van
pater Meuwese. Een der dragers, die hun taal ongeveer verstond, vertelde
aan de missionaris, dat zij er verbaasd over waren, dat er mensen bestonden
met zulke rare voeten! Om het ontstaan van een eventuele mythe te
voorkomen, maakte pater Meuwese daarop zijn schoenen los en overtuigde de
wilden, dat hij hele normale voeten had. Het berouwde hem haast, dat hij
aan deze vertoning begonnen was, want de Papoea's , die over het algemeen
een zeer dikke eeltlaag onder hun voeten hebben, kwamen hem ieder om de beurt
onder de voeten kietelen, om te voelen hoe zacht deze waren.
Het was bijna niet uit te houden en onderwijl speelde pater
Verschueren lachend op zijn harmonica!

Thuis gekomen bracht men de assistent-resident van Merauke op de
hoogte van de ontdekking van de nieuwe rivier, welke pater Verschueren
nauwkeurig in kaart gebracht had. Het was echter moeilijk te geloven, dat
twee eenvoudige paters zulk een ontdekking gedaan hadden; daarom verzocht
hij de Amerikanen, die bezig zijn met de kartering van heel Nieuw-Guinea,
om deze zaak eens nader te onderzoeken. Zij maakten toen een tocht met een
vliegtuig boven de rivier, bevestigden de juistheid van de ontdekking en
kwamen tot de conclusie, dat de ligging van de rivier zeer nauwkeurig was
opgegeven. Zij bleek een honderd kilometer lang en bij de monding
tweeenhalve kilometer breed te zijn. Pater Verschueren stelde voor de
nieuwe rivier de Meuwese rivier te noemen, mar daar de ontdekking samenviel
met de inhuldiging van de Koningin, werd ten laatste besloten, aan de
assisten-resident voor te stellen de stroom de naam van Koningin
Juliana-rivier te geven. Enige tijd later kreeg Pater Meuwese een
felicitatie-telegram van de resident uit Hollandia met de belofte, dat van
de ontdekking officieel proces-verbaal zou worden opgemaakt.
Op de Oranje vernam hij eerst uit de scheepskrant, dat het verzoek
inzake de benaming van de rivier was ingewilligd.
Thans is pater Meuwese in Nederland om na vijftien jaren arbeid
enige tijd van welverdiende rust in het vaderland door te brengen. Zijn
arbeid is opnieuw een bewijs, dat er onder de Nederlanders nog steeds
pioniers zijn, die naast een krachtig geloof voldoende zwerversbloed in
zich hebben om het leven in de rimboe aan te durven. In de toekomst zal
Nieuw-Guinea ongetwijfeld een grotere betekenis voor Nederland en Indonesie
verwerven, dan het tot nu toe gehad heeft.
Het is aan mannen als pater Meuwese te danken, dat dit
uitgestrekte, donkere eiland zich te zijner tijd langzaam meer zal openen
voor de christelijke beschaving.
Naschrift: De kop Pioniers geeft precies weer, hoe men dit
belangrijke en niet ongevaarlijke werk van missie en zending in
de toenmalige tijd moet zien. Het is dan ook eigenlijk een hommage aan deze
mensen, die vaak in barre omstandigheden hun idealistisch werk verrichtten
en zeker in voormalig Nieuw Guinea de spits afbeten voor wat betreft de
aanvang van enige ontwikkeling. Het is daarom, dat ik dit verhaal graag gebruik
als onderdeel van een stuk geschieds-schrijving en de inleiding vormt van
mijn verhaal over Papua.
Geissler
Pioniers 2
Via Renata Ouwersloot, zuster de Reus, die zelf jarenlang in
voormalig Nederlands Nieuw Guinea heeft gewerkt, kwam ik in het bezit van
het boek “Dit wonderlijke werk” van dr. F.C. Kamma.
In 1963 werd aan dr. F.C. Kamma, oud zendingspredikant en socioloog, de
opdracht gegeven om vanuit beschikbare bronnen en zijn eigen grote kennis
en ervaring over land en volk, zending en kerk op West Papua, een
uitvoerige studie te schrijven over de ontmoeting van het Evangelie en de
Papoea samenleving. Met uitzondering van een periode van ziekte en
studieverlof werkte hij daar van 1931 tot 1962.
Het boek verhaalt over de immense problemen, waarmee de eerste
zendelingen, die werden uitgezonden naar Nieuw Guinea, zoal te maken
kregen.
Men krijgt inzage in brieven en rapporten, persoonlijke meningen en beetje
bij beetje krijgt men ook een indruk aan welke grote gevaren en ziekten men
heeft blootgestaan.
De bedoeling van het werkstuk was om de waarheid en de realiteit zo dicht
mogelijk te benaderen.
Sinds lange tijd lag daar het grote eiland Nieuw-Guinea, als een
intrigerend, uitdagend probleem, totaal geïsoleerd. De bevolking,
Papoea’s, stond bekend als een woest,heidens volk met een eigen
cultuur en rituelen, die men maar beter met rust moest laten.
De zending en missie zagen hier echter een taak om die heidenen deel te
laten nemen aan de historische ontwikkeling van de mensheid en dat kon het
beste via het Christendom.
In het jaar 1850 maakte het schip Circe een reis naar Nieuw Guinea, waarbij
G.F. de Bruin Kops uitvoerige aantekeningen maakte over land en volk. De
Nederlandse dominee Heldring en de Duitse ds. Gossner werkten uit deze
gegevens hun plannen uit voor de zending naar Nieuw Guinea.
Men werd dusdanig beïnvloed, dat men Doreh als standplaats voor de
pioniers Ottow en Geissler uitkoos. De plaats leek bijzonder geschikt voor
een vestiging wegens de voordelige ligging aan een veilige baai, de aanwezigheid
van goed drinkwater en de nabijheid van veel eilanden.
Ottow en Geissler waren Duitsers en kregen onderricht van Gossner en via
Holland, ds. Heldring werd men uitgezonden naar Batavia voor eindbestemming
Nieuw Guinea.
Een vrouwenorganisatie in Amsterdam zorgde voor hun uitrusting en
kleding etc.
Voor men hun eindbestemming bereikte, begon Geissler school te houden in
Batavia en Ottow ging naar kampong Makassar, waar hij een school opende
voor Chinese en Soendanese kinderen.
Ottow en Geissler bleven 18 maanden op hun eerste standplaats en bekwaamden
zich ook in de Nederlandse en Maleise taal.
Binnen korte tijd kon Geissler in het Nederlands bijbellezingen houden.
Eigenlijk waren Ottow en Geissler zendeling werklieden. Men had een geringe
opleiding; Ottow was zeilmaker en Geissler had geleerd voor meubelmaker.
In Makassar was Michaelis, de theologisch kandidaat, die zich voor Nieuw
Guinea had aangemeld.
Hij ging echter niet mee en achteraf werd dat betreurd, want hierdoor
strandde het idee van Heldring en Gossner “dat zendelingen werklieden
toegevoegd zouden worden aan de zendelingen of predikanten”.
|

|
Graf van
Geissler en Ottow op eiland Mansinam.
Op de morgen van 5 Februari 1855 liet de schoener de Ternate het anker
vallen op de rede van Mansinam en worden de twee Duitse zendelingen
werklieden per sloep aan land gebracht.
Vreemd genoeg kwamen er geen Papoea’s tevoorschijn. De stuurman was
nu ook aan wal en wees de beide mannen de bouwvallige loods en waarmee
onmiddellijk werd begonnen deze bewoonbaar te maken.
Men deed geen pogingen met de bevolking in contact te komen, hoewel dit
namelijk wel voorschrift is van de “adat” van de zogenaamde
primitieve volken.
Ottow en Geissler wisten dit ook niet.
Pas bij het uitladen van de goederen kwamen er Papoea’s opdagen en
zij moeten toch wel onder indruk zijn geweest van al dat vee en al die
kisten met goederen, die aan land werden gebracht.
In de ogen van de Papoea’s waren dit de rijkste mensen, die ooit voet
aan wal in Mansinam hadden gezet.
Er werd wel een brief van de Sultan van Tidore voorgelezen, waarin de
bevolking werd medegedeeld, dat hij nu deze twee mannen
“Wohltäter”zond, maar dit kon men moeilijk geloven , daar
de Sultan nog nooit iets voor de bevolking had gedaan. Men was gewend, dat
dorpen werden geplunderd en mensen in slavernij werden weggesleept.
De Papoea’s beschouwden de twee mannen als opgestane doden en waren
heel achterdochtig, wantrouwend en heel nieuwsgierig. Zij zaten daar maar
te wachten en te kijken en waren erg gefixeerd op hun materiële
goederen.
Van werkelijk contact, zelfs op het normale menselijke vlak was nog geen
sprake en de eerste communicatie verliep op een aarzelende, wantrouwige
benadering.
Ruim 80 jaar na deze eerste ontmoeting wisten de nakomelingen van de
toekijkende Papoea’s nog aan dr. F.C. Kamma te vertellen, welke
indruk de beide mannen op hun voorouders hadden gemaakt.
De Papoea’s hadden geen andere verklaring voor de huidskleur en het
gedrag van de beide mannen, dan dat het opgestane doden waren.
Men vond het een groot risico met hen in contact te komen of iets aan te
nemen om te eten. Zij zouden dan kunnen worden besmet, vandaar dan ook die
achterdocht.
Men zag ook allerlei vreemde voorwerpen die de blanken meebrachten, terwijl
men zelf alleen maar messen en bijlen kenden.
De aanvangsfase was dus zeer gecompliceerd.
Ottow en Geissler kenden ook de taal nog niet en stortten zich meteen volop
in hun werk, een onderkomen creëren en waren bezig met de nodige
voorbereidingen om in hun onderhoud te voorzien. In een vroeg stadium begon
men al wel met ruilhandel.
Men werkte hard en om beurten kreeg men te maken met ziekten.
In 1856 kreeg men 5 timmerlieden om hun loods op te knappen, maar een week
na aankomst waren er al 3 ziek.
Toch wist men de bouwvallige en tochtige loods bewoonbaar te maken, nadat
men daar al 1 ½ jaar had gewoond. Men kon nu in een der kamers kerk
en school houden.
Voor wat overheidssteun betreft ontvingen Ottow en Geissler een
maandelijkse toelage van f. 50,- per maand.

Na 2 jaar hadden Ottow en Geissler een woordenlijst van honderden woorden
samengesteld.
De eerste godsdienst oefeningen waren in het Maleis, want alleen in die
taal konden de zendelingen op dat moment hun boodschap overbrengen, maar
slechts enkele Papoea’s konden dat verstaan.
Erg hoopvol zag het er dus niet uit, de mensen kwamen eigenlijk meer uit
nieuwsgierigheid en omdat men was uitgenodigd.
De Papoea’s leefden toen der tijd onder veel spanningen en de
boodschap van de zendelingen veroorzaakte eerder een flinke pas terug op de
weg naar elkaar.
De prediking van het eeuwig wel of eeuwig wee, veroorzaakte een kloof, men
zag dat als een bedreiging voor hun eigen adat.
Geissler ondernam vele tochten, het ontbrak hem niet aan moed en
verschillende keren was hij in groot levensgevaar.
Op een van die tochten redde hij het leven van schipbreukelingen en
voorkwam hij dat deze werden gedood en opgepeuzeld.
De zendelingen raakten bekend bij de kustbevolking en werden om de een of
andere reden,(motieven) ontzien.
Door het optreden van Geissler wist men dat het niet doden van
schipbreukelingen werd beloond, men ontving dan een beloning.
Begin Januari 1858 trouwde Ottow met Auguste Letz. Dit speelde zich af in
Ternate en men vestigde zich op het eiland Mansinam.
Zodra zij wat Maleis kon spreken, begon zij school te houden voor meisjes.
Ottow zelf begon met kerkdiensten in de Noemfoorse taal en er komen zelfs
meer bezoekers.
Beide zendelingen hebben veel aan taalstudie gedaan, maar hun verwachtingen
bleken erg overtrokken.
Men was ook niet goed voorbereid om de communicatie door de ogen van de
Papoea’s te leren zien. De nadruk lag teveel op morele problemen:
alles wat zij vreemd vonden bij de bevolking werd al snel als zondig
bestempeld en wat de bevolking aan vreemds bij de zendelingen zag, was
goed.
Men kan stellen dat men zwakke pogingen ondernam om goede menselijke
contacten op te bouwen, anders had men er geen 3 jaar over gedaan om de
taal onder de knie te krijgen.
Uit de rapporten naar de UZV (Utrechtse Zendings Vereniging) opgezet door
een particuliere actie in de stad Utrecht, bleek dat men goed kon
observeren en ook hard werkte en presteerde.
Ottow ontdekte b.v. dat de levenden samen met de doden een gemeenschap
vormden en zo schreef hij ook over de levenscyclus en de voorouderverering
en deed hij mededelingen waarover hij predikte.
Met het doel kinderen op te leiden kocht men slavenkinderen vrij.
Volwassenen kocht men niet vrij, omdat zij moeilijk waren te
beïnvloeden en zij al waren gevormd en het was ook een voordeel, dat
Arfakkers , die geen slaven maakten, de levens van kleine kinderen zouden
sparen omwille van het losgeld.
In 1857 had men al 13 kinderen op school, waarvan er later 5 wegbleven.
Uit rapporten over en weer bleek ook hoe lang het duurde voor betreffende
berichten aankwamen.
In 1861 vestigde de familie Ottow zich op Doreh, het vaste land; men wilde
toch een meer uitgebreid arbeidsveld. Op Mansinam waren destijds een 14-tal
huizen, elk met een groot aantal gezinnen.
Op Doreh woonde men in een gevaarlijke zone, die werd bedreigd door
Arfakkers. Op zich is het een wonder, dat men niet is vermoord.
De zendelingen grepen wel degelijk in de dagelijkse gang van zaken bij
vete’s en strijd tussen Papoea’s, wat volgens hun adatrecht
moest gebeuren. Grootste ergernis van de zendelingen was de indirecte
wraakmethode en de collectieve straf. Geen enkele rooftocht kon zonder
bloedvergieten huiswaarts keren, daar dit tot prestigeverlies aanleiding
zou geven.
Men stelde zich principieel op tegenover de “heidense”
gebruiken van de bevolking en soms moest men zich met het geweer in de hand
verdedigen. Bij voedselgebrek deelde men alles wat men had.
Dit was dan ook de reden dat andere kampongs later ook om zendelingen,
goeroe’s vroegen. Men voelde zich dan beter beschermd.
In de periode van Ottow en Geissler waren er ook nog geen vestigingen van
het Gouvernement en kon men geen einde maken aan de roversvloten, die langs
de kusten trokken.
Op 9 November 1862 stierf Ottow; hij was pas 35 jaar oud en 7 ½ jaar
in Nieuw Guinea. Dit was een ontzettende slag, niet alleen voor zijn vrouw,
maar ook voor Geissler.
Geissler timmerde zelf de kist en bracht die naar Doreh, waar Ottow op 10
November werd begraven. Geissler was te ontroerd om ook maar een woord te
kunnen spreken. Broeder Jaesrich leidde de dienst en hield een preek
in het Nederlands.
De eerste 3 echte zendelingen van de UZV, waaronder J.L. van Hasselt,
kwamen in 1863 op Nieuw Guinea aan. Vanaf het begin werkten zij samen met
Geissler en Jaesrich, mannen van Gossner. Geissler bleef de echter
onbetwistbaar de leider tot aan zijn dood in 1870, al waren ze het niet
altijd eens met de methoden van Geissler.
De moed zonk hun wel eens in de schoenen: men kan opmerkingen lezen,
zoals:”Het is de verwilderdste, ondankbaarste, schijnbaar meest
hopeloze bodem van de ganse aarde, die onze Vereniging heeft
uitgekozen. “De Papoea staat op de laagste trap van de ladder
der mensheid, dit ras is al te verdierlijkt, zodat er niets is te
planten”
De UZV was het hiermee natuurlijk niet eens. Men nam selectief waar en
negatief en schreef ook veel over ergernissen. Het duurde ook heel lang
voor er vorderingen werden gemaakt.
Op Mansinam woonden 300 mensen en 30-35 mensen bezochten de Zondagse
kerkdienst. Zij kregen een handvol tabak, anders kwam er helemaal niemand.
De zendelingen hadden veel aandacht van de door Ottow en Geissler geleide
scholen en men wist ook het gouvernement hiervoor te interesseren.
In de nacht van 22 op 23 Mei 1864 kwam er een heftige aardbeving, die naar
schatting van Geissler 3 à 4 minuten aanhield. Het zendingshuis
stortte in en de hoogzwangere mevr. Geissler werd getroffen door 2 planken,
maar allen wisten het huis te verlaten. Buiten hoorde men een hevig geruis
van de bomen en het gebulder van de zee, die een vloedgolf het strand
opjoeg, die alle huizen van de bevolking op Mansinam en Doreh meetrok. Uit
de richting van het Arfak gebergte was er een heftig gerommel en er braken
branden uit. Geweldige aardbevingen hadden daar plaats, waarvan men nu nog
de sporen kan zien.
Dezelfde dag bracht mevr. Geissler een kind ter wereld, Johan Gotlob
Ernst.( Ernst i.v.m. ernstige omstandigheden),(Gotlob, als dank voor de
overleving). Helaas stierf dit kind binnen een week.
Het eerste wat de Papoea’s deden, was informeren hoe het met de
zendeling families was afgelopen en men hielp met het opzetten van een
voorlopig onderdak.
Nu brak een periode aan van optredende koortsen en Jaesrich was zo ziek dat
hij naar Ternate werd vervoerd en hij besloot niet meer terug te keren.
Hij schreef een zeer negatief rapport aan het hoofdbestuur van de UZV met
als voorstel het zendingswerk onder de Papoea’s maar op te heffen.
Deze grote aardbeving was voor de bevolking een aansporing om zich te
bezinnen en men probeerde hun afgodsbeelden te redden uit deze verwoesting.
In eerste instantie gaf men de zendelingen de schuld en men trok zelfs weg.
In de loop van 1864 kwam er echter een opmerkelijke toenadering en keerde
men weer terug en konden Geissler en Van Hasselt hun werk hervatten.
Op 1 Januari 1865 vond de eerste doopplechtigheid plaats. Geissler doopte 2
van zijn bedienden en noemde deze dag de gelukkigste dag van zijn verblijf
daar. Hij was toen ca. 10 jaar in Nieuw Guinea.
10 Maanden na de aardbeving kwam er een verlate reactie in Nederland en
Duitsland op gang. Men tendeerde naar opheffing. Mevr. Ottow reageerde
echter scherp en zij verhaalt over de vele belemmeringen, die de eerste 2
zendelingen moesten overwinnen:
1)de taal moest worden geleerd en het vertrouwen gewonnen
2)men moest zich vestigen, het bos vellen, zware arbeid verrichten
3)vele malen moest de arbeid wegens ziekte worden onderbroken
Zij haalt de stelling van haar overleden man aan, dat eerst na 25 jaar
werken resultaat is te verwachten.
Ook Geissler laat zich niet onbetuigd en hij somt wat positieve ervaringen
van de laatste tijd op.
Hij schrijft ook naar Duitsland en vraagt om meer zendingsarbeiders.
Op een gegeven ogenblik was hij alleen en volkomen geïsoleerd, want
Van Hasselt was om gezondheidsredenen naar Ternate.
Geissler was een echte volhouder en stelt: ik neem aan dat de Heer ons
geduld wil beproeven.
Heeft men bezwaar tegen de slechte gezondheidstoestand? Ik ben nu hier 10
jaar en ik leef nog!
Geissler werkt door en heeft zelfs 40 schoolkinderen in zijn klas.
Op 1 Februari 1866 kwam er een melding dat er een schoener in zicht was,
die opkruiste naar Mansinam en Geissler roeide met een prauw het schip
tegemoet. Hij zag aan dek geen enkele blanke en hij dacht dat dit niets
anders kon betekenen dan het einde van het zendingswerk.
Het tegendeel bleek echter, Geissler’s smekende brieven werden
positief beantwoord.
De gebroeders R. en C. Beyer, J.D. Kamps en een onderwijzer Cornelis Wijzer
waren aan boord. C. Beyer en Kamps waren getrouwd, zodat er een versterking
was van 6 personen.
Geissler was met stomheid geslagen en hoorde ook dat van Ternate, F. Mosche
met zijn vrouw en de Van Hasselts klaarstonden om te komen.
Men kon nu het werk uitbreiden. Men organiseerde kennismakingstochten om
nieuwe contacten te leggen en van verschillende kanten kwamen verzoeken om
een zendeling.
In December 1866 vestigde Mosche zich op Meoswar en R. Beyer zou zich op
Jaur vestigen.
Door lessen van Van Hasselt was Mosche in staat in 6 maanden de taal te
leren gebruiken. In September hield hij al een kerkdienst in de landstaal,
een record. Mosche was een man met initiatief en was met hart en ziel
bezig. Hij had direct al een schooltje en het aantal kerkgangers nam
toe, 40-70.
Hij was zeer geliefd en toen hij na een ziektebed op 21 April 1868 stierf,
stonden vele Papoea’s huilend aan zijn bed. Tot het laatst toe was
hij bij bewustzijn en hij nam rustig afscheid.
Mevr. Mosche vertrok naar Mansinam. In korte tijd was er een innige band
ontstaan en meermalen zochten Meoswaarders hun vroegere zendelingsvrouw op.
Er kwamen via het UZV 2 nieuwe zendelingen, Woelders en Rinnooy. Woelders
ging naar Andai en Rinnooy werd te werk gesteld in Meoswar en werkte er tot
1874.
4 Jaar waren er verstreken voor de eerste dopelingen, 2 vrouwen waren
gedoopt en nu in 1869 was de kerk afgeladen vol, die getuige wilden zijn
van de tweede doopdienst. Er waren 4 kandidaten, 3 uit Mansinam en de oude
Soeroehan Rumfábe uit Doreh, die ca 70 jaar moet zijn geweest.
Woelders was overgekomen van Anday en bespeelde het harmonium..
In 1870 gaat Geissler terug en verblijft enige dagen in Utrecht, alvorens
hij doorreist naar Siegen in Westfalen. Hij was toen al ziek en overleed op
11 Juni 1870, 40 jaar oud en op één dagreis van zijn
geboortedorp.
Zijn contact met de bevolking was vriendelijk, maar met toch beperkte
grenzen om het prestige niet te verliezen. Toch was hij buitengewoon op
land en volk gesteld en hij was onuitgesproken de grote leider.
Hij had problemen met een nauw contact met de bevolking en de UZV zendelingen
wilden eigenlijk de toegepaste methode van communicatie toch wel herzien,
ook Papoea’s vonden hem autoritair.
Het is dan ook niet voor niets dat Mosche in zijn korte periode zo geliefd
was.
Als zendeling heeft Geissler veel gepresteerd: elke morgen van 8-11 hield
hij school, ’s avonds leerde hij de kinderen de Maleise taal. Elke
Zondag hield hij 2 godsdienstoefeningen en na Mosches initiatief bovendien
elke morgen en avond een korte wijdingsdienst, hij gaf catechisaties, was
consulent bij afwezigheid van een collega op Doreh, hetgeen vaak gebeurde
en vaak was hij bezig met vertaalwerk, een grote catechismus, een
liederenbundel en een woordenboek. Bovendien was hij vaak ziek, kortom hij
was een man, bij wie de titel “pionier” niet misstaat.
Na een afwezigheid van ruim 2 jaar, arriveerde de familie Van Hasselt op 4
Maart 1871 op Mansinam.
Aanvankelijk verliep alles wat moeizaam, hij was niet ingewerkt door
Geissler en de post was zo lang vacant geweest. Hij werd echter de opvolger
van Geissler.
Voor de zending kwam er een nieuw tijdperk, een andere benadering.
De Evangelisatie reizen waren niet erg succesvol geweest en men zag nu meer
heil in het gestadig uitbreiden van de eigen post.
Werken op de eigen post betekende nu de volle nadruk op de vrijkoop van
slaven, vooral kinderen en jongeren, het houden van een school en dit
laatste betekende een sterke binding met de eigen post.
In die tijd was er een levendige slavenhandel, men dacht in termen van
eigendom. Het was een ruilobject. De bruidsprijs van een vrouw was b.v.
8-10 slaven.
De zendelingen kochten kinderen vrij om ze van een zekere dood te redden,
met de bedoeling ze op te voeden en te scholen, zodat ze tevens de kern van
een kleine huisgemeente gingen vormen.
Als vast regel gold, dat men de vrijgekochten niet mocht doorverkopen.
Dat de school de opvoeding, de sociale controle ondermijnde, hebben de
Papoea’s pas veel later ontdekt. Nog veel later, toen men oog kreeg
voor de waarde van ontwikkeling en kennis, bepleitte men de leerplicht
(1961).
Aanvankelijk moesten alle UZV zendelingen de acte voor onderwijzer halen en
het was dus zeker de bedoeling, dat men voor de klas ging staan.
Men zag de school nu als een hulpmiddel voor de zendingsarbeid.
Adaptatie, geen imitatie:
Rinnooy breekt een lans voor het Papoea –eigene en ziet een groot
gevaar in het vormen van Papoea’s naar Europese maatstaven, omdat de
Papoea zijn identiteit dan verliest.
Hij wil de mensen zichzelf laten blijven, hij heeft diep respect voor hun
identiteit en men moet slechts dat wegnemen, hetgeen strijdig is met het
Christendom.
Helaas werd hij medisch afgekeurd en zijn zienswijze vond geen navolging.
Hij keerde niet meer terug naar Nieuw Guinea.
De naam van Woelders is sterk verbonden met zijn werkwijze, zeer
emotioneel, maar soms ook koelbloedig wist hij de lezers in Nederland mee
te slepen. Soms waren zijn overwegingen bijzonder nuchter en dat gaf aan
zijn zienswijze een geloofwaardige basis.
Hij en zijn vrouw kwamen van Harlingen in Friesland. Zijn vrouw droeg af en
toe de Friese kap en naar buiten hield Woelders een zekere waardigheid op,
zodat hij later ook in toga werd begraven.
Van de superioriteit van de Europese cultuur waren de meeste zendelingen en
zeer zeker Woelders, overtuigd.
Overal en altijd kwam hij voor zijn mening uit en was hij consequent in
zijn opdracht.
Hij werkte op Anday, aan de voet van het Arfak gebergte.
Hoewel de contacten van Woelders met de bevolking meestal volledig werden
gedomineerd door de Papoea’s, vond er toch een geleidelijke
integratie plaats van “hun mijnheer” en kreeg Woelders telkens
de gelegenheid zijn boodschap aan de man te brengen.
De barriëres waren zeer gecompliceerd, maar Woelders was vrijer in
zijn bewegingen en dit beïnvloedde toch het leven van de bevolking.
Hij raakte geïntegreerd in het levenspatroon van de Andayers en door
zijn spontaniteit raakte hij in menig dilemma verzeild.
Hij nam economisch en sociaal een belangrijke functie in: Hij gaf de aanzet
voor de aanleg van rijstverbouw en om Woelders gunstig te stemmen en zijn
welwillendheid en vrijgevigheid aan te moedigen, spoorde men zelfs aan tot
kerkbezoek.
Bloedvergieten en wraaktochten waren echter aan de orde van de dag en
zendelingen konden wel medische hulp verschaffen, maar de doden niet keren.
Men had hierin maar een matige invloed.
Men keurde hun handelswijze wel af, omdat hier onschuldigen in plaats van
schuldigen werden gedood.
Bij onderlinge strijd kwam Woelders moedig tussenbeide en pakte pijlen en
speren af om de zaak via de hoofden in der minne te schikken.
Bink op Manokwari:
De zendeling-werkman G.L.Bink, toegevoegd aan de zendelingen en die nu al
een paar jaar daar werkte, hoorde veel meer commentaar dan de zendelingen
op de oudere posten. Het was alsof men veel meer geduld had met de jonge
zendingsarbeider. Bink toonde veel belangstelling en aan hem kon men meer
kwijt. Hij vernam, dat Hollanders de schuld kregen bij het uitbreken van
ziekten, epidemieën, want voordat zij er waren, kende men dat
niet. Bij die rampen greep men terug naar de eigen gebruiken, het
maken van korwars (beeldjes), voorbereiding voor het herbouwen van de
Roemsram(afgodenhuis) en het verzamelen van voedsel.
Bink ging net als Van Hasselt tegen deze plannen in.
Bink stelde, dat hij niet kon begrijpen, dat men in nood een stuk hout ging
aanbidden. Hij kreeg toen de volgende reactie: “Maar, mijnheer, dat
doen wij niet. Deze korwars zijn slechts afbeeldingen van onze voorouders
of dapperen en als wij die afbeeldingen zien, denken wij aan hen”.
Bink had toch zelf ook korwars in zijn huis?: de portretten van familie en
vrienden en bijbelse platen?
“Ik had korwars van papier, zoiets konden zij niet maken, daarom
deden zij het van hout”.
Nu, een jaar later, kreeg Bink een uitvoeriger antwoord.”Wij volgen
onze gewoonten. De Heer heeft de Hollanders gegeven: mooie huizen, kleren,
boeken en alle mooie dingen en gij dient den Manseren Nanggi ( de Heer) op
uw wijze, maar aan de Papoea’s heeft Manseren Nanggi geen mooie
huizen gegeven, geen kleren, een stukje boombast slechts en verder niets,
en wij dienen den Manseren Nanggi op onze wijze, en dat doen wij door een
Roemsram te maken en er afgoden in te zetten”.
Toen Bink daarna de opmerking maakte, dat wanneer zij toch niet wilden
veranderen, hij net zo goed weg kon gaan en niet alleen hij, maar ook de
andere zendelingen, was het antwoord: “Dat moet gij zelf weten. Het
schip, dat handel drijft, komt toch”, met andere woorden, men kon
zich redden ook zonder zendelingen.
Er trad echter geen verkoeling op, men bleef de kerkdiensten bezoeken.
Bink van zijn kant bleef de mensen opzoeken.
Na 10 jaar werken bepaalde de UZV, dat hij zendeling zou worden, maar pas
op 20 December 1881 werd hij ingezegend.
Sinds 5 April 1878 woonde de familie Jens bij Woelders in en op 13 en 14
April hield Woelders zijn tweede doopdienst, waarbij 4 Papoea’s
werden gedoopt. Op 12 Juli was zijn eerste doopdienst en doopte hij 2
Papoea’s.
Jens zou Woelders waarnemen, die met verlof naar Nederland ging.
In 1879 vestigde Jens zich op Doreh.
Volgens Jens waren het uitsluitend economische motieven, die het contact
met de bevolking bepaalden, want op het persoonlijke vlak liet men zich
nauwelijks beïnvloeden.
De bevolking hechtte zich wel aan Jens, want de opkomst in kerk en school
was goed en werd zelfs steeds beter.
Het leek wel alsof Jens was ingeschakeld voor de verdediging van Doreh. Zo
af en toe loste hij ’s avonds een schot om te laten weten dat er werd
gewaakt.
Bij de herdenking van het 25 jaar bestaan van de zending op Nieuw Guinea in
het voorjaar van 1880 was de situatie als volgt:
Van Hasselt werkte op het eiland Mansinam, Jens op Doreh(Kwawi), Bink op
Manokwari, terwijl Woelders met verlof in Nederland was.
Gedurende deze 25 jaar waren er 20 personen gedoopt, waarvan er nog 14 in leven waren.
16 zendelingen en 14 zendelingsvrouwen waren sinds 1855 werkzaam geweest op
de verschillende posten.
Tien volwassenen, zendelingen en hun vrouwen waren overleden op Nieuw
Guinea of elders en 7 kinderen vonden er hun graf.
Vier zendelingen en 7 zendelingsvrouwen hadden Nieuw Guinea wegens ziekte
of om andere oorzaken verlaten. ( F.J.F. Van Hasselt, 1930,15)
Het aantal graven overtrof dus het aantal gedoopte.
Bejaarde Papoea’s konden zich die dag van voor 25 jaar nog goed
herinneren. Zij waardeerden de komst van de zendelingen om het stoffelijke
voordeel, maar men wenste de zendelingen voor de komende 25 jaar veel
succes.
Na zijn terugkeer uit Nederland in 1881 ging Woelders een zekere
hardheid vertonen. Hij was 23 maanden weggeweest.
Er was van alles gebeurd, sneltochten, moordpartijen, oproer.
Van 1884-1892 is er in de rapporten van Woelders 11x sprake van een
sneltocht en 4x waren de Andayers daarbij betrokken.
Toen eens het hele dorp Anday met uitroeiing werd bedreigd, trad Woelders
uiterst koelbloedig op en wist de vijand te keren en het leek alsof de
Andayers toonden, dat ze de zin van het evangelie begonnen in te zien en
samen met Woelders deed men pogingen om rooftochten tegen te houden.
Op 24 Januari 1892 hield Woelders zijn laatste doopdienst, 4 bejaarden en 5
kinderen werden gedoopt.
Op 30 April was hij 25 jaar zendeling en dit werd groots gevierd. Hij was
toen 56 jaar.
Zelfs uit Holland kreeg hij geschenken.
Hij stelde zelf: hoe was het mogelijk om dit 25 jaar vol te houden met zo
weinig uitzicht op resultaat.
Woelders stond dicht bij zijn volk en hij voelde zich thuis op Anday.
Op 30 Juni stierf hij echter aan influenza en de bevolking reageerde zeer
emotioneel.
Zelfs zijn grootste vijanden hebben de eerste dagen na zijn begrafenis
geheel uit eigen beweging bij zijn graf geslapen. Een zo belangrijke dode
mocht men niet onbegeleid naar het zielenland laten gaan.
Men zag Woelders als een wonderdoende held, want hij was heel goedgeefs.
Als opvolger van Woelders kwam zendeling Metz, hij was niet ingewerkt en
moest zich opnieuw een plaats zien te veroveren.
Het levenseinde van Woelders benadrukte nogmaals hoe zwaar de jaren waren
van menselijk leed , van kruis en korwar. Het was een zware en moeilijke
periode, men vermoordde zelfs een Hollandse kapitein, waartegen niets werd
ondernomen.
Er waren allerlei schermutselingen, botsingen en Van Hasselt kreeg zelfs
een pijlschot in zijn knie en door hun felle kritiek op de Koreri-
verwachting (Papoea Messias beweging) raakten de zendelingen het contact
met de bevolking even grotendeels kwijt en mag het een wonder heten, dat
men het er levend vanaf bracht.
In 1883 arriveerde J.A. van Balen, de nieuwe zendeling en nu werden de
plannen voor nieuwe uitbreiding weer aan de orde gesteld. Hij werkte op
Roon, maar toen hij even weg was, waren de Rooners 4x op sneltocht geweest.
Na zijn terugkomst liet hij de mensen beloven geen rooftochten meer te
houden. Op Roon werkte hij lang samen met Bink.
Op 11 Augustus 1889 doopte Bink de eerste Rooner. Het hutje, als kerk in
gebruik, was afgeladen vol.
Door de Koreri- beweging waren het roerige tijden en in 1890 was er zelfs
een strafexpeditie en werd er weer vrede gesloten en was de rust voorlopig
teruggekeerd.
Bij dreigende gevechten was het de zendelingen toegestaan de vlag te hijsen
om daarmee de bevolking te herinneren aan hun belofte geen oorlog meer te
voeren en hun onderlinge strijd te staken.
Meerdere malen had dit ook succes.
Bij onlusten drongen de zendelingen voortduren aan op ingrijpen van de
overheid, niet om in te gaan tegen de cultuur van de gemeenschappen, maar
om op te treden tegen de misdaden. Er waren strafdelicten, maar er was geen
rechter.
Vanaf 1893 was Bink weer alleen, omdat van Balen naar Mansinam vertrok.
Bink deed zijn uiterste best de Papoea’s te begrijpen, maar na 8 jaar
werken, schrijft hij: “Als buurman, die hun koperdraad, tabak en
kleding geeft, ben ik wel goed, maar als prediker van Wet en Evangelie vang
ik bot. Land en goed heb ik als zendeling verlaten om jullie een beeld te
tonen van de liefde des Heiland’s. De mensen vinden dit dan wel goed,
maar zo vragen zij, wat kopen wij hiervoor?”
Men voelt de collectieve weerstand, die zich verzet tegen aantasting van
hun structuren, die de samenleving naar men meent, in stand houden.
Bink heeft echter veel geduld, hij constateert, maar klaagt niet. Hij
verloor 4 kinderen en zijn vrouw werd geestesziek en vertrok uiteindelijk
terug naar Nederland.
Op 13 Augustus 1893 kwamen J.Metz en J.L.D. van der Roest op Mansinam aan.
Zij waren de eerste zendelingen, die per stoomboot aankwamen en hiermee was
het tijdperk van het zwerven met op ongeregelde tijden komende
schoeners afgelopen.
Een KPM boot kwam nu eenmaal per 3 maanden en de opmars van de westerse
wereld, Indonesië, West Europa, zou haar invloed steeds meer doen
gelden.
De Papoea’s gingen gewoon door en het was alsof zij zich voor de
naderende kentering nog meer inspanden voor wat betreft roof- en
wraaktochten.
In korte tijd schrijft Metz 37x over roof- en wraaktochten,
slavenjachten etc.. Men probeerde zelfs ook de zendelingen hierbij te
betrekken. Metz werd ook meermalen bedreigd.
In zijn dagboek schrijft hij: “Wij hebben gedood, wij dooden en
zullen gaan dooden”.
Dit schreef hij omdat Wandammers bijna alle inlanders hadden gedood, zij
gaan maar steeds door.
Sneltochten maken of afwachten is de hoofdgedachte, waarom het volk zich
beweegt..
Hun remmingen worden overwonnen door collectieve rituelen, die kunnen
aansporen naar allerlei motieven. Dat kan zijn weerwraak, sterfgeval,
compensatie motief, uit droefheid over dood nabestaande, zelfs een baby,
het recht om een weduwe te huwen, belediging, prestige motief, realisering
van een bedreiging.
Economische noch territoriale voordelen waren vaak niet de inzet.
Al deze motieven waren rationalisaties, die in legitieme
“motieven”werden omgezet. Controversen en discriminaties werden
kunstmatig in leven gehouden.
Het gebod: “Gij zult niet doden” treffen wij bij bijna elk volk
aan, maar bij de Papoea’s was dit heel sterk gecamoufleerd en het was
voor de zendeling heel schokkend te ervaren, hoe de resident hierover
dacht. Hij kwam namelijk om de moorden te onderzoeken, maar besteedde er
weinig aandacht aan en concludeerde: “Deze dingen behoren bij de
sport van de Papoea’s. U moet er voortaan geen bericht meer over
zenden”.
De bevolking had deze houding snel door en de gruwelen gingen onverminderd
voort.
Het koppensnellen volgt steeds na een vast ritueel. Via wichelen wordt de
gewenste stam aangewezen en worden de hakmessen geslepen en alles in orde
gemaakt. Dan wordt de juiste dag bepaald.
Men brengt zich in extase en men bereidt zich collectief voor. De tocht
naar de stam is 2,4 of meer dagen lang. Wanneer men het huis heeft bereikt,
wordt het bij het aanbreken van de dag omsingeld.
De bewoners slapen dan nog. Het huis wordt in brand geschoten en de
bewoners proberen te ontvluchten. In de chaos die ontstaat, worden vaak ook
aanvallers geveld. Vrouwen en kinderen worden vaak het slachtoffer en
hoewel er aan het snellen van een kop van een man, meer prestige is
verbonden, vindt men het geen schande met de kop van een vrouw of kind
thuis te komen.
“Dit is de sport van dit volk” was heel naïef opgemerkt en
voor de betrokken zendelingen kon er geen sprake zijn van enig begrip
hiervoor. Aanpassing heeft haar grenzen.
Een sneltocht was werkelijk geen onschuldige, sportieve handeling,
naïef in opzet en uitvoering.
De zending en missie deden er alles aan om tenminste kinderen nog vrij te
kopen.
Belangrijk was echter, dat een van de beste leerlingen, Jonathan Ariks,
vertrouweling van Van Hasselt, naar Java ging en op het seminarie aldaar de
opleiding voor onderwijzer en voorganger volgde.
Het resultaat was zo gunstig, dat op grond van zijn rapport werd besloten,
het volgende jaar weer 2 leerlingen naar dat seminarie te sturen.
Hiermee begon de systematische opleiding van Papoese jongeren.
Jonathan Ariks werd de schoonvader van de later zo bekende goeroe Willem
Roemainoem, wiens zoon in 1956 de eerste voorzitter werd van de
zelfstandige Evangelisch Christelijke Kerk, die tot in Europa bekendheid
genoot.
Na 5 jaar te zijn opgeleid als onderwijzer en zendeling werd op 23 April 1894 F.J.F. Van Hasselt
jr. ingezegend om uitgezonden te worden naar Nieuw-Guinea om zijn vader
daar bij te staan.
Na 16 jaar zag hij zijn ouders terug.
Hoe was de maatschappelijke situatie?
Het zal duidelijk zijn dat het kolonialisme voor de zendelingen op
Nieuw-Guinea geen probleem was.
Men heeft het eiland nooit als een “wingewest”gezien.
40 Jaar lang had de Zending nu gewerkt in dit ongepacificeerde gebied,
waarbij het Gouvernement alleen nominaal toezicht had.
Bink, zendeling-timmerman, was de eerste, die “temidden van zijn
rovers en moordenaars” aan de bel trok.
Bijna alle zendelingen hebben over dit probleem geschreven en de teneur van
deze rapportage was: het Gouvernement draagt de verantwoording voor de
pacificatie, we hebben wel een wetgevende, maar geen uitvoerende macht, dit
kan en mag zo niet blijven.
Jens schreef hier ook over, hij pleitte voor rechtstreeks bestuur, want
zolang hier geen orde voor wanorde, recht voor willekeur in de plaats treedt,
zal de toestand zo blijven als ze is en dat betekent achteruitgang.
In Nederland was er een voorstel in de pers, om zendelingen met het bestuur
te belasten en dat wijst Jens ook van de hand. “De zendeling kan geen
rechtstreeks gezag uitoefenen, dan alleen als prediker”
In het verleden hebben zendelingen vaak op vestiging van het gouvernement
aangedrongen.
Zendelingen vonden hun arbeidsveld ontzettend zwaar, niet in de eerste
plaats door de geïsoleerde ligging, klimaat, Papoese koortsen, maar
door totale regeerloosheid.
Metz constateert, dat er niet alleen tussen de verschillende volksstammen
een sterke rivaliteit bestaat, maar dat er ook binnen de eigen
gemeenschappen grote spanningen voorkomen, veroorzaakt door klasse
justitie.
Blijft men in gebreke, dat moet bij voldoening van schulden de familie b.v.
bijpassen of anders moet zijn heil ergens anders zoeken. Verdwijnt de
schuldenaar, dan nog gaat de schuld over op kinderen of kleinkinderen.
Mensenlevens kwamen dikwijls in gevaar en de stem van de minderheid werd
niet gehoord.
Metz toont aan , dat het land economisch vooruit gebracht kan worden. In
1893 werd er voor Fl. 800.000,- aan handelsgoederen uitgevoerd. Wanneer er
een eind wordt gemaakt aan de slavernij, zal het volk zelf leren zijn
handen te gebruiken.
Zendelingen willen zich eigenlijk niet met politiek bemoeien.
Van de Roest pleitte ook voor rechtstreeks bestuur, om het volk te leiden
naar een menswaardig bestaan en waardoor aan willekeur paal en perk wordt
gesteld.
Voor van de Roest was het ook geen academische kwestie hoe het komt, dat er
een bevolkingsafname wordt geconstateerd. Men moordt elkaar uit.
Alles wat zij doen is in naam van hun adat en is eigenlijk niets anders dan
het uitvoeren van een plan, uitgedacht door de grootste boosdoeners. Het
wordt duidelijk, dat het initiatief van enkelen kan uitgaan.
Indertijd was er tussen bestuur en zending dikwijls een chronische
communicatiestoornis.
De houding van veel gouvernementsambtenaren was nu niet bepaald welwillend
tegenover de zending en missie.
De missionerende instanties hadden veel meer kennis in huis en veel meer
invloed op de bevolking dan de bestuursambtenaren.
De bestuursambtenaren hadden beroepsmatig veel meer belangstelling kunnen
tonen voor de scholen als “beschavingsfactor”.
De zending had graag gezien, dat de laagste hartstochten aan banden zouden
worden gelegd.
Het gouvernement werkte meer met vakambtenaren(posthouders), terwijl
zendelingen academisch gevormd waren.
In 1896 zijn er de eerste debatten over rechtstreeks bestuur in
Nieuw-Guinea.
In de verhandelingen sprak Dr. Abraham Kuyper wel zijn waardering uit over
het werk van Ottow, Geissler, Van Hasselt , Woelders en anderen.
In 1898 wordt het besluit genomen direct bestuur op Nieuw-Guinea te
vestigen.
Met de pacificatie wordt een begin gemaakt en de eerste controleur in
Manokwari wordt plechtig geïnstalleerd.
Zeer veel Papoea’s waren hiervan getuige en ook de prinsen van
Ternate en Tidore waren aanwezig.
Nieuw Guinea werd zelfbesturend gebied en met de macht van Tidore was het
gedaan.
In 1899 verliet Metz Anday en werd overgeplaatst naar Roon. Van Hasselt jr.
nam nu in Anday waar.
Op 29 April 1902 vierde van Hasselt Sr. zijn 40 jarig ambtsjubileum. Toen
hij zijn werk in Nieuw-Guinea begon, waren er 21 zendingsarbeiders werkzaam
geweest. “Er valt veel droefheid te melden, maar toch ook
blijdschap”, stelt hij, al is het resultaat bedroevend klein.
Enkele Papoea jongeren kregen echter oog voor het werk van UZV en schreven
een brief naar het hoofdbestuur. Men had ook geld, fl 11,- ingezameld met
het verzoek toch zendelingen te blijven uitzenden en dat Nederland de
Papoea’s toch vooral niet zou vergeten.
Onder de ondertekenaars waren Jonathan Ariks, Petrus Kafiar en Evangelist
Philippus. De organisatie noemt zich “Johannes van Hasselt”.
Van Hasselt jr. deed heel veel moeite kennis van het volk op te doen en
verdedigde de Papoea’s ook vaak. Zijn beschouwingen zorgden voor een
nieuw geluid.
Meoswar kwam na 35 jaar in beweging en ook Doreh roerde zich.
Het bestuur van de UZV kwam voor de eerste keer op bezoek in Nieuw
–Guinea en de leiding wist sindsdien waarover men sprak. Dit werd
echter pas merkbaar, toen van Hasselt jr. vanuit Nederland van verlof
terugkeerde naar Mansinam.
Eindelijk was de communicatie tussen zendelingen en de thuisbasis een punt
van bespreking geworden.
Bij de UZV zag men in Van Hasselt jr. de ideale opvolger voor Van Hasselt
sr. en men probeerde nu ook een nieuwe koers uit te zetten.
Van Hasselt sr. en van Balen achtte men te oud en bij Van Hasselt jr wordt
nu dan D.B. Starrenburg toegevoegd.
Er kwam een andere aanpak, men reisde veel en startte met nieuwe projecten.
Zo leidde men ook jonge Ambonezen op, zij fungeerden later als goeroe,
onderwijzer in de dorpen en oefenden ook tucht uit.
In het jaar 1907 stierf Mevr. Van Hasselt. Het jaar staat bekend als het
jaar van de ommekeer.
Door haar spontaniteit, meeleven met de bevolking, had zij een unieke
plaats veroverd in de harten van de bevolking. Zij leidde een enorm gezin
van vrijgekochten. Zij wordt de “moeder van Papoea”genoemd.
Toen Van Hasselt jr. tientallen jaren later het graf van zijn moeder
bezocht, bleek dat keurig onderhouden te zijn.
Bij het gedenkteken, waar de eerste pioniers, Geissler en Ottow zijn geland
op Mansinam, kan men nog lezen Snari-,- Papoea, moeder der Papoea’s.
Zij was ook een geweldige organisator en Van Hasselt sr maakte sindsdien
een verslagen indruk.
Eind 1907 bracht hij met zijn dochter enige weken door bij zijn zoon op
Sumatra, alvorens hij naar Nederland terugkeerde. Vanaf 1863 was hij in
Nieuw Guinea. Tijdens dit bezoek bereikte hem nog het bericht over de grote
ommekeer op Roon. Ook de zendelingen begonnen toen te geloven in de
Papoea’s.
Het was een “bekering”die niemand nog had verwacht. De
Papoea’s schonken nu hun vertrouwen, dat men eerder maar niet kon
winnen.
Een moeizaam proces was hier echter aan voorafgegaan.
In 1908 werden er op Mansinam, de oudste post, 69 mensen gedoopt, waaronder
13 kinderen.
In 1909 werd de eerste massale bijeenkomst gehouden, de later bekend geworden
zendingsfeesten.
Er waren 1000 aanwezigen, men kwam zelfs van Biak en Noemfoor.
Dit werkte heel positief, het was niet alleen informatief, maar het bracht
ook een emotionele binding.
De Papoea’s ervoeren het als een wonder, dat men nu broederlijk naast
elkaar zat, dezelfde liederen zong, samen at en men elkaar niet naar het
leven stond. De hoop van de zending begon realiteit te worden, ook al bleef
de verhouding tussen kust en binnenland bevolking nog lang gespannen.
De invloed van de door de zendelingen gepredikte Evangelie bleek toch
groter dan iemand maar durfde te vermoeden.
Het werken met goeroe’s(onderwijzers) was toen (in de pionierstijd)
onmogelijk. Alles lag nog onder de ban van de adat(habit, custom culture)
en die ban werd pas verbroken na de invoer van het bestuur. In het begin
probeerde men de adat nog te eerbiedigen, doch dit kon men niet handhaven,
omdat men de moordtochten niet kon tolereren. Het optreden hiertegen
verbrak de slagader van de adat.
Het Papoese animisme werd toen ervaren als minderwaardig en men kwam voor
de vraag, wat nu?
Hieruit volgde de grote ommekeer en deuren gingen open.
Toen de familie Van Balen in 1912 voorgoed repatrieerden lag de herinnering
aan een gruwelijk verleden nog vers in het geheugen.
In 1918 schreef hij;”Toen kwam ik tot de overtuiging, dat dit het
werk was van de Heilige Geest”.
Net na de ommekeer zegt Starrenburg: “We zijn er nog niet, we
beginnen nu feitelijk pas”.
Deze uitspraak zou van een jonge Papoea Christen kunnen zijn, want ook zij
beseften, dat de eerste stappen in de nieuwe richting pas waren gezet.
Voor de zendelingen was het een wonderlijke overgang, dat de bevolking nu
in groepen overging, dat zij het Evangelie als een bevrijding ervoer
tegenover hun sacrale natuur, medemensen, tegenover machten en krachten,
die men tot nu toe gevreesd had.
Men kende een stelsel van boetebetaling, niet van boetedoening. Zij wisten
niet wat zonde was, maar men kende wel degelijk zijn tekortkoming.
Dat het Evangelie op Nieuw Guinea door blanken werd gebracht, was al vanaf
het begin een schaduwzijde.
Na tientallen jaren waren het bepaalde gebeurtenissen, die de bevolking de
ogen openden.
Vooral toen volksgenoten als kwartiermakers optraden voordat de gevraagde
goeroe’s verschenen.
Onder de Papoea’s was er een wijdvertakt netwerk van onderlinge
relaties, soms over de grenzen van drie verschillende volkjes heen en dat
maakte ook de communicatie van het Evangelie mogelijk.
Toen Starrenburg 2 ½ jaar op Roon had gewerkt, waren er reeds 20
goeroe’s tewerk gesteld in verschillende dorpen en werden de scholen
door 586 leerlingen bezocht.
Opeens was er belangstelling van de bevolking en zendingswerk breidde zich
uit.
Budgettaire obstakels en gebrek aan opgeleid personeel belemmerde toen de
vooruitgang.
Voor veel Papoea’s werden het moeilijke overwegingen. Sociaal
economische factoren, prestige overwegingen, vernieuwing van cultuur
speelden hierbij een rol en hoe stond het met de sancties, die men altijd
had gevreesd van de kant van de voorouders, demonen en machten. Hiermee
moest men in het reine komen en men nam die stap. Men werd gesterkt door
gebeurtenissen en eigen controles of iets werkelijk waar is en hieruit
stamt het Papoea gezegde: wat onze oren horen, kan gelogen zijn, maar wat
onze ogen hebben gezien, moet wel juist zijn.
De vrees voor de geesten en geestenhuizen zat er vooral bij de vrouwen diep
in.
Dit was ook geen wonder omdat bepaalde geheime rituelen aan geesten werden
toegeschreven.
Verraad van deze geheimen werd met de dood bestraft. Dit moet het maatschappelijk
leven ook hebben ontwricht en de begonnen afbraak van geesten tempels zal
het leven van vrouwen aanmerkelijk hebben veraangenaamd.
Met name van Hasselt jr. heeft veel anekdotes opgeschreven en veel
gepubliceerd over rituelen en gebruiken.
Men stelt vast hoe de cultuur overdracht plaatsvindt en hoe men 80 jaar na
radicale ingrepen nog precies weet te vertellen hoe een en ander
functioneerde.
Het zendingswerk breidde zich nu steeds verder uit: naar het westen tot aan
de Radja Empat(Sorong) eilanden en de binnenlanden van de Vogelkop; Fak fak
en Biak kregen eigen zendelingen.
In het jaar 1915 werd er in het Wakdé gebied, tegenwoordig Sarmi, de
laatste tempel afgebroken.
In Juni 1916 vestigde zendeling J. Bijkerk zich aan de Humboldtbaai en toen
waren er al 22 dorpen van een schoolkerk voorzien en werkten er 24
goeroe’s.
Het gouvernement, gezaghebber N.Halie, stond hier positief tegenover,
alhoewel hij geen voorstander van de zending was, evenmin als velen na hem.
Hij stond wel op de bres voor de ontwikkeling van de bevolking en de
emancipatie van de vrouwen zonder zich te verdiepen in de culturele
achtergronden.
Van Hasselt jr. werd voorzitter van de conferentie van zendelingen en was
de leider.
Sinds 1930 kwam de invloed naar voren, die de door hem opgeleide landszonen
zouden gaan uitoefenen, ook die van I.S. Kijne.
In de periode na 1927 werden de eerstelingen van de opleidingsschool voor
onderwijzers afgeleverd en ds. Kijne heeft zijn stempel hierop gedrukt.
Van Hasselt was al in 1917/18 op Mansinam een opleiding voor inheemse
krachten begonnen.
Er werden echter Ambonese en Sangirese en slechts enkele Papoea leerlingen
opgeleid.
Kijne slaagde erin deze opleiding om te vormen tot een normaalschool voor
alleen inheemse leerlingen. In 1925 verhuisde de school naar
Miei(Wardammenbaai), waar de grond vruchtbaarder was en de leerlingen
tuintjes konden houden, hetgeen nog wat opbracht.
Bovendien werd er in de naaste omgeving een groot aantal dorpsscholen
geopend, die van belang waren als oefenscholen voor de aanstaande
onderwijzers.
Dit alles vond plaats onder Kijne, hij werd directeur van de
opleidingsschool. Hij was een begaafd man en verdiepte zich ook in de
problemen. “De zendingsmethode van de zendelingen was die der
goeroes”(Kijne). Bedoeld werden hier de Indonesische goeroes van
Ambon en Sangir, zonder hen had de zending zich niet zo kunnen uitbreiden.
Hun theologische opleiding was echter summier en ze stonden nogal agressief
tegenover de cultuur van de Papoea’s, waarvan ze alles kwalificeerden
als “heidendom”, dat zij moesten uitroeien.
Het was moeilijk om van deze heterogene groep een homogene te maken, die
samen met de zendelingen en de bevolking het acculturatieprobleem op een
verantwoorde wijze moest zien op te lossen.
De leerlingen kregen b.v. het probleem te verwerken van de toenemende kloof
tussen de oudere en jongere generatie.
Kijne brengt hun echter het nodige zelfbewustzijn bij, ook als volk. Hij
heeft ze leren denken, werken en zingen.
Hij leerde hen hoe hun voorouders een gesloten, zelfgenoegzame wereld
poogden op te bouwen, Het “heil”vast te houden en te binden in
hun sacrale centra, zoals dat is verwoord in de mythen. Over de mythen
wordt in de boeken uitvoerig over geschreven.
Er ontstonden democratische explosies, jongeren zoals Laurens Mano deden
van zich spreken.
Hij verzocht de aanwezigen op een grote bijeenkomst hun ijver besteed aan
afgoden nu eens te besteden aan God en hij vertelde het scheppingsverhaal
nu in de landstaal. De discussie kwam goed op gang en vooral jongeren
werden de oude adat met al zijn eindeloze rituelen beu en de jongere
generatie voelde zich ook gemanipuleerd. Bovendien vond men dat de doden
blijkbaar meer invloed en macht hadden dan de levenden.
De interne strubbelingen duurden ca. 2 jaar en in 1932 verdwenen de geheime
mannenbonden, het tempelwezen en de zonneverering en boden zich
alternatieven aan.
Het gezag van de ceremoniële hoofden werd steeds meer ondermijnd.
De 2e wereldoorlog, waarbij de geallieerden de Humboldtbaai in April 1944
als invalsbasis kozen, bracht een totale verandering teweeg.
De Japanners hadden daar hun hoofdkwartier, vliegveld en voorraden en met
de bevolking was geen rekening gehouden.
Na de geallieerde aanval lag de baai vol met schepen en honderden
quonsethutten werden opgezet en Generaal Mac Arthur koos Ifar Gunung
aan de noordkust van het Sentani meer als zijn hoofdkwartier.
Bij de komst van de Amerikanen werd Hollandia(Jayapura) een stad en werden
vele kilometers wegen aangelegd en verschenen er ook ca 100 openlucht
bioscopen. Door deze grote drukte beleefde de bevolking de oorlog als een
uitbarstende vulkaan en niemand kon bevatten wat er allemaal gebeurde en er
was zelf geen mythische verklaring voor te vinden.
Toen de strijd voorbij was, bleken er enorme complexen grond van de bewoners
bebouwd met huizen, wegen, werven, dokken etc.
Toen het Nederlands Gouvernement in 1946 terugkwam, waren er enorme dumps
op te ruimen.
Het aantal huizen en gebouwen was zo groot dat men besloot Hollandia in
plaats van Manokwari als hoofdplaats van Nieuw Guinea te maken.
Dit impliceerde een vloedgolf van mogelijkheden, welke echter grotendeels
voor de jongeren toekomstbepalend zou zijn.
Het gouvernement met zijn diensten en centra, scholen, vestigde zich in
Hollandia. Er kwamen allerlei voorzieningen en ook de theologische school
van de E.C.K. verhuisde van Seroei naar Hollandia.
De wederopbouw van het zendingswerk kwam na de oorlog maar moeizaam weer op
gang.
Biakkers b.v. wilden de Amberi goeroe’s vanwege hun gedrag
tijdens de Japanse bezetting niet meer terug als hoofd van hun gemeenten en
scholen.
Op Biak is er hevig gevochten om de Jappen aldaar te verdrijven en heden te
dagen zijn er nog sporen van dit geweld te vinden.
In 1945 kwamen de zendelingen Grondel en Ten Haaft terug na 3,5 jaar gevangenschap
en vestigden zich op Biak. De ouderlingen hadden heel wat te verduren
gehad, maar de meerderheid was de gemeente trouw gebleven. Er werden
tientallen jongeren opgeleid en trokken overal heen.
In 1946 kwam Mr. Ds. R.G. ten Kate, ds. Ten Haaft vervangen, die een
conferentie in Batavia bezocht, vanwaar hij met nieuwe plannen terugkeerde.
Deze plannen werden goed ontvangen en er werd een afgevaardigde benoemd
voor de conferentie van Kerken en Zending te Makassar, die in Maart 1947
zou worden gehouden. Het werd F.J.S. Rumainum.
Na het vertrek van Ten Haaft werd Rumainum waarnemend predikant en hij
volgde een vierjarige opleiding op de Theologische School in Makassar. In
1951 kwam hij terug en hij werd aangesteld als ressortsleider voor geheel
Biak. Hij was de eerste Papoese predikant die met de leiding werd belast.
Door luchtverkenning in de dertiger jaren en exploitatie na 1946
ontwikkelde Sorong zich als centrum van de Nederlansche Nieuw Guinea
Petroleummaatschappij(NNGPM).
Honderden arbeiders kwamen hierop af, maar het bleek dat de oliebronnen een
te geringe capaciteit hadden om exploitatie rendabel te maken.
Toen kwam ook de R.K. missie, die via een subsidie van de NNGPM in staat
werd gesteld een jongensschool op te zetten. In Sorong was er toen de missie
en de zending.
Na de oorlog waren resp. Ds. A.M.Middag, T. Houtsma, L. Beck, G. Clay en H.
Woldendorp ressortleider, terwijl bij de verzelfstandiging van de E.C.K.
Pendeta E. Osok voorzitter werd.
Dat de traditionele cultuur en ritueel toch nog werden doorgegeven van
generatie op generatie bleek telkens bij opleving van wat men reeds als
overwonnen had beschouwd. Dit geldt voor de Koreri bewegingen en ook voor
de geheime mannenbonden. Naarmate echter de economische alternatieven
toenemen, neemt de traditionele communicatie af.
Manokwari lag tijdens de oorlog in de frontlinie en kreeg bombardementen te
verduren zowel van de Japanners als later van de Amerikanen.
Door de R.K. Missie vestiging in de kolonistentijd en na de oorlog door de
The Evangelical Alliance Mission ontstond hier ook dubbele zending. Toen 2
van hun eerste zendelingen de Vogelkop introkken(1952) werden zij vermoord
tussen Ajamaru en de Kebar vlakte. Dit waren de eerste zendelingen, die op
deze manier om het leven kwamen.
E. Ewoldt opende ca 1951 het Kebar gebied, dun bevolkt, maar toch bezet,
later ook door de R.K. Missie.
Het ressort Manokwari kende toen slechts weinig bewoners. In 1956 bedroeg
het aantal Christenen slechts 5436 in 56 gemeenten en er waren nog 29
gemeenten in wording.
Op Ransiki werd in 1957 een evangelistenschool gebouwd, waar de leerlingen
uit het hele gebied van de E.C.K. hun opleiding, ook in de landbouw
ontvingen.
Veel bewoners waren weggetrokken en Anday is wel een van de meest
mistroostige plaatsen uit die tijd. Waar Woelders en Jens eens werkten,
vindt men met moeite nog enige restanten terug, van de graven niets.
Gouvernement en zending:
Deze instanties, hiërarchisch opgebouwd, voerden een georganiseerde
acculturatie uit, dat wil zeggen, dat beide meenden te weten, wat de
objectieve behoeften van de Papoea bevolking waren. Men noemde dit later
ook wel politiek en geestelijk imperialisme.
Beide instanties uitten verwijten naar elkaar en communicatie stoornissen
kwamen vaak voor.
De zending was door de langdurige werkzaamheid op een bepaalde plaats vaak
veel beter op de hoogte van de lokale cultuur.
De zending had evenwel niet de middelen om de bevolking in welke richting
dan ook te sturen en te dwingen, maar na een lange reeks van
jaren(1855-1908) nam de bevolking zelf de stap naar het Evangelie in
gemeenschappelijk overleg met de meerderheid en trokken zij vrijwillig de
consequenties hieruit.
Zij zelf bepaalden wat wel en niet in strijd was met het Evangelie. Zij
vernietigden zelfs sacrale voorwerpen, die de zendelingen soms graag zouden
willen behouden en voortzetten.
Sommige zendelingen waren wel heel rechtlijnig en het omgekeerde kwam dan
ook voor.
Wel bleef de sociale structuur, huwelijksvorm en relaties, bruidsprijs,
grondrechten, strafrecht etc. bestaan, wanneer de bevolking deze niet in
strijd vond met het Evangelie.
De jongere generatie bleek later veel radicaler, men accepteerde de door
ouderen geregelde huwelijken en de hoge bruidsprijs niet meer.
Was men eenmaal gedoopt, dan trad automatisch de sociale controle via de
kerkenraadsleden in werking en viel men onder de kerkelijke tucht.
Sommige zaken, strafdelicten kwamen op het terrein van de overheid.
Het gouvernement had gewapende politie achter de hand en kon dus wel
dwingend optreden.
De overheid en enkele honderden kolonisten en kleine landbouwers kon men
buiten beschouwing laten, omdat men nooit economisch is geslaagd. Nieuw
Guinea was geen wingewest en de term koloniale overheersing, door
Indonesië vaak gebruikt, is hier niet van toepassing.
Het heeft een bijklank van onderdrukking, maar hiervan was in de
Nederlandse tijd geen sprake.
Wel werden er excessen zoals koppensnellen, slavenjachten bestraft en in
het kader van handhaving van rust en orde werd de Koreri beweging en andere
heilstaat bewegingen onderdrukt.
Het verwijt van “verwaarlozing”met betrekking tot de
ontwikkeling van Nieuw Guinea is wel terecht gemaakt, behalve dan de
medische sector.
Voor 1898 was het gouvernement niet eens vertegenwoordigd!
Na vestiging kwam men met de impopulaire maatregel om belasting te heffen.
Het begon met f. 1,- per man, per jaar. Dit werd geleidelijk verhoogd naar
f. 4,-.
Ter vergelijking: het dagloon van een ongeschoolde arbeider bedroeg toen f.
0,25.
Geld was schaars en de bevolking voerde onderling een goederenhuishouding.
Ook niet populair waren de “heerendiensten”. Maximaal 30 dagen
per man per jaar kon er worden gevorderd. De afkoopsom bedroeg f. 6,- per
jaar.
In 1936 kwam er een besluit dat herendienstplichtigen niet te ver van hun
woonplaats te werk gesteld mochten worden.
Men probeerde de bevolking aan regelmatige arbeid te laten gewennen.
De algemene indruk is echter, dat het gouvernement te laat actief is
geworden en aan de ontwikkeling weinig heeft bijgedragen. Men heeft
Nieuw-Guinea te lang links laten liggen.
Dit in tegenstelling met missie en zending, wiens werk een enorme impact op
de bevolking heeft gehad.
Over de politieke controverses wordt in het boek heel voorzichtig over
geschreven, omdat de schrijver Dr. F.C. Kamma, niet over alle feiten beschikte,
die overigens ook nog niet waren vrijgegeven.
Hij schrijft hierover: De eens gediscrimineerde, daarna verwaarloosde
bevolking was ten hoogste verbaasd over de belangstelling, waardoor de naam
van haar omstreden gebied voorpagina-nieuws werd, waarbij de uitslag van de
strijd tenslotte in de Verenigde Naties zou vallen.
17.8.1945: De proclamatie van de Indonesische zelfstandigheid.
Rondom deze dagen werd het hele gebied van het voormalig Nederlandsch
Oost-Indië, dat wil zeggen van Sabang tot Merauke, genoemd, als doel
van de vrijheidsstrijd.
1949: Op 27 December werd Indonesië onafhankelijk. Nieuw-Guinea werd
hier voorlopig buitengesloten op voorwaarde dat binnen een jaar dit
gebiedsdeel alsnog aan de orde zou komen.
De onderhandelingen in 1950 leverden echter geen resultaat op en Nederland
ging door met verdere en versnelde ontwikkeling. Wel moest men jaarlijks
verslag uitbrengen aan de V.N.
In 1956 kwam er een Oproep van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde
Kerk tot bezinning op de verantwoordelijkheid van het Nederlandse volk
inzake de vraagstukken rondom Nieuw-Guinea.
Deze Oproep bestaat uit 4 paragrafen en men wil aansturen op hervatting van
de onderhandelingen en men stelt, dat Nederland bereid zou moeten zijn,
zijn aanspraken om alleen op eigen gezag Nieuw-Guinea te besturen, te laten
vallen en toe te stemmen in een regeling van dit bestuur in een zodanige
overeenstemming met de volkerengemeenschap, dat zowel de beste
volksbelangen als de grootst mogelijke staatkundige stabiliteit redelijkerwijs
gewaarborgd is.
Na de eerste berichten in een perscommuniqué, dat verminkt overkwam
en waarin de cursieve woorden waren weggevallen, brak er een protest uit
van bijna alle instanties op het eiland.
Men meende, dat de Hervormde Kerk, cq de zending ter wille van haar
betrekkingen met de Indonesische kerken, Nieuw-Guinea, wilde
“uitleveren”, zo was de visie.
Toen men later de hele tekst van de Oproep in handen kreeg, bleef het
misverstand echter toch bestaan, ondanks het feit dat het gouvernement en
zending een uitvoerige radio-uitzending aan de Oproep wijdde.
Er waren zelfs groeperingen uit de bevolking, die eisten, dat het beheer
van de scholen aan de zending ontnomen moest worden. De Oproep werd
beschouwd als een door kerk en zending gepleegd verraad.
In 1961 werd als vertegenwoordigend lichaam van de bevolking de
Nieuw-Guinea-Raad opgericht.
Van de 28 leden waren er 5 Nederlanders, van wie 3 gekozen en 2 benoemd
voor het Oostelijk en Westelijk Centrale Bergland.
Het belang van deze raad was, dat hij van de Nederlandse Regering de
verzekering kreeg, dat op een tijdstip door hemzelf te bepalen over zijn
toekomst te mogen beslissen.
Op 1 December 1961 werd de Papoese vlag en volkslied officieel ingevoerd.
Intussen waren er verschillende militaire conflicten en tenslotte werd de
zaak aan de Verenigde Naties voorgelegd.
In 1962 lanceerde de diplomaat E.Bunker een compromis, dat op 15 Augustus
door de beide partners, Nederland en Indonesië werd aanvaard.
Dit hield in, dat de V.N. tijdelijk(minstens een, hoogstens 2 jaar) het
bestuur over West Nieuw-Guinea zou uitoefenen. Daarna zou deze instantie,
de zogenaamde UNTEA(United Nations Temporary Executive Administration) het
gebied in beheer overdragen aan Indonesië, evenwel met de clausule,
dat voor het eind van 1969 “the act of free choice” door alle
volwassenen moest worden geëffectueerd.
De keuze werd dus zo aan de Papoea’s overgelaten.
Nu ging alles overhaast in zijn werk, want al op 1 Oktober 1962 zou de
UNTEA het bestuur overnemen en zij op haar beurt zou op 1 Mei 1963 het
bestuur aan Indonesië overdragen. En zo geschiedde het, eerder dan was
afgesproken.
Tal van directe veranderingen vonden plaats: Hollandia werd Soekarnapura,
later Jayapura. De Nieuw Guinea raad werd vervangen door een Provinciale raad
en er werd een universiteit gesticht.
In 1969 gebruikte Indonesië voor de “free choice” getrapte
verkiezingen en de kiesmannen kozen allen voor instandhouding van de band
met Indonesië.
Het boek rept dus niet over de toedracht van de ware gebeurtenissen van het
gewraakte referendum, want in feite was het “the act of no
choice”.
Personen, die over deze affaire hebben geschreven, zijn met de vingers aan
een hand te tellen.
Een van die mensen was Dr. John Saltford en over hem is op de website een
artikel gewijd.
Er loopt ook een historisch onderzoek onder leiding van Prof. Drooglever en
wanneer dit rapport naar buiten treedt zal ook de
“buitenwacht”vernemen hoe een en ander door Indonesië is
afgehandeld.
Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig , wanneer ik nu kan
vermelden , dat Henry Kissinger een grote naam is bij de directie van de
Freeport goud- en kopermijn in West Papua.
West Papua fungeert nu als een echte kolonie en Freeport is de grootste
belastingbetaler.
De Oproep in 1956 van de Ned. Hervormde Kerk, dat de beste
bevolkingsbelangen als de grootst mogelijke staatkundige stabiliteit
gewaarborgd moet zijn, strookt niet met het gegeven wat er de afgelopen
jaar in West Papua is gebeurd en nog gebeurt.
Onder Nederlands bestuur werd de bevolking niets in de weg gelegd. Hoe het
nu gaat, kunt U lezen op de website!
Op 5 Februari 1955 werd over het hele eiland op enthousiaste wijze het
honderdjarig bestaan van de zending herdacht en had tevens de laatste
conferentie van zendelingen op Kwawi(Manokwari) plaats, waar ook de
schrijver van het boek “Dit wonderlijke werk”, Dr. F.C. Kamma,
als praeses optrad.
Hiermee werd een bewogen stuk geschiedenis afgesloten.
Op 18 Oktober 1956 kwamen de gekozen leden, die de 1e synode van de ECK
zouden vormen in Hollandia bijeen.
De eerste dagen werden besteed aan bespreking van de resultaten van de
discussies over het ontwerp-kerkorde en vervolgens werd de kerkorde
vastgesteld. Toen volgde de verkiezing van de voorzitter van de synode. Dit
werd Ds. F.J.S. Rumainum, vice-voorzitter werd Ds. H. Mori-Muzendi en als
secretaris voor de duur van deze eerste synode Ds. A.M. Middag.
Verschillende brieven en telegrammen werden voorgelezen, waarbij de
Gouverneur van Nieuw-Guinea, Dr. J.Van Baal vaststelde, dat de zending de eerste
instantie was geweest, die zich intensief met Nieuw-Guinea had bemoeid en
nu ook als eerste haar eigen organisatie opgebouwd had onder inheemse
leiding.
Ook het breed Moderamen had slechts een blanke als lid. De namen van de
leden van het Breed Moderamen waren: Ds. F.J.S. Rumainum, H.Mori-Muzendi,
F.C. Kamma(secretaris), S.Loborang, E. Osok en de ouderling A.Krey van
Biak.
Als voorzitter van de ressortssynoden was er hier en daar een blanke, maar
de meeste waren Papoea’s.
Besloten werd dat, dat de algemene Synode eens in de drie jaar, de
ressortsynode en het Breed-Moderamen elk jaar, terwijl het
Moderamen(dagelijks bestuur) eens per week bijeen zouden komen.
Volgens een opgave van Ds. Rumainum waren er in 1956 ruim 130000
christenen, 580 gemeenten en 186 gemeenten in wording.
Van de 10 Nederlandse zendingspredikanten waren er 3 bij de opleiding(2 bij
Theologische School, 1 bij Evangelistenschool) betrokken.
Er waren 9 ressorten: Hollandia-Nimboran, Sarmi, Biak-Numfoor,
Jappen-Waropen, Manokwari, Miei, Sorong, Teminabuan, Inanwatan.
Uit gegevens 5 jaar later blijkt, dat er van de 720 onderwijzer-voorgangers
600 landszonen waren.
Het aantal inheemse predikanten werd in de jaren 1958(18) en 1959(10)
verdubbeld, zodat ook deze categorie volledig bevoegden in alle ressorten
de leiding hadden van de 48 classes.
Het aantal christenen nam daarna in 5 jaar toe tot 172000 en de jongste
gegevens noemen al een getal van 275000.
Horizon verruimend was de aansluiting van de E.C.K. bij de DGI(Raad van
Kerken in Indonesië), de EACC(East Asia Christian Conference) en de
W.C.C. (World Council of Churches. Men nam ook contacten op met de
ELCONG(Evangelican Lthern Church on New Guinea) en was deelnemer aan een
conferentie in Samoa, wat contact met christenen uit Melanesië en de
Pacific impliceerde.
Op 2 April 1962 werd het opleidingscentrum,P3S(centrum voor opleiding tot
sociale werksters) voor de arbeid onder vrouwen en meisjes, geopend. ( Mej.
L.Swaan, J. van der Lecq)
Ook nam de ECK het initiatief om voor moeder en kindzorg een centrum te
openen in 1971 op Joka voor Oost-Sentani.(Brechtje Folkerts)
In 1957 opende het Gouvernement Wamena in de Baliemvallei en het personeel
bestond grotendeels uit leden van de E.C.K. Van hieruit werd het
binnenland bewerkt.
In 1961 arriveerden hiervoor de zendelingen P.G. Aring en S. Zöllner.
Men legde contacten met de Mukwi bevolking, die regelmatig in aanraking
kwamen met de Jali’s. Bij Angguruk bleek dat dit geschikt was voor
een landingsstrip en begon men met de aanleg. Het team werd van voedsel
voorzien door de MAF(Missionary Aviation Fellowship) aanvankelijk de
organisatie va ex oorlogspiloten.
Toen de baan op 23 september 1961 gereedkwam en de gezinnen werden
ingevlogen, kwam aan het tent- en hutleven een eind. Huizen werden gebouwd
en er verscheen een “prefab”ziekenhuis,
“Effatha”genaamd. Mevr. Vriend werkte hierin en pas in 1969
kwam zr. Trijntje Huistra.
Zeer populair was ook Betty Hokujoku van Sentani, die het huishoudelijk
werk van het hospitaal voor haar rekening nam.
In 1963 kwam Ir. K.D. Peters, landbouwkundige. Hij liet visvijvers graven,
voerde schapen in en hield een proeftuin. Dit deed men voor preventieve
zorg, omdat Mevr. Vriend was gebleken, dat er veel ziektes voorkwamen als
gevolg van eenzijdige voeding.
Ook was er een project voor de verbetering van de huisvesting, want in het
hoge bergland leefde de bevolking in ronde, tochtige hutten en dat
veroorzaakte verkoudheid, pneumonie etc.
In dezelfde tijd kwamen nog 2 verpleegsters, Martha Diehl en Anna Kessler
naar Wamena voor medisch werk en arbeid voor vrouwen en meisjes.
Nog 2 RMG zendelingen, H Benz en A. Roth werden in 1965 ingezet voor het
oostelijker Apahapsili.
Op Wamena breidde het werk zich uit naar het oosten onder leiding van
evangelist M.Fossba, die zich in Kurima vestigde.
De Jali mensen bleken echter uiterst agressief en bij geruchten had men al
wel iets vernomen over kannibalisme.
In Juli 1963 werden elf mensen van de centrale zendingspost en omgeving
door de Prongkoli-bevolking gedood en geconsumeerd.
Ze waren bezig onder leiding van een evangelist een airstrip aan te leggen.
In 1968 werden nog 2 zendelingen, Stan Dale en Phil Masters, in de Sengi
vallei gedood.
Dit bleef nog enkele jaren een constante dreiging.
Na 10 jaar arbeid werden ook hier de eerste christenen gedoopt en bij een
conferentie in Angguruk bleek dat er vrede heerste en dat men wilde
samenwerken voor een betere toekomst.
Tot 1905 was alleen de UZV van de Hervormde Kerk op Nieuw Guinea werkzaam.
Vanaf dat jaar begon ook de R.K. Missie aan de zuidkust haar arbeid
en na 1928 in
de richting van de noordkust, toen de scheiding van Missie en
Zendingsterrein werd opgeheven.
Er zijn nu drie diocesen, met een bisschop te Merauke, waar de paters van
het Heilig Hart altijd gewerkt hebben, nu bijgestaan door de
F.C.K.(Amerikaanse Congregatie), een bisschop te Sukarnapura(Jayapura) en
een bisschop in Manokwari, waar de Augustijnen werken.
In het Zuid-Westen is sinds 1930 ook nog steeds de Molukse Protestantse
Kerk (Fakfak, Merauke en omgeving) werkzaam.
Dan zijn er verschillende kerken groeiende door de arbeid van Amerikaanse
en Australische zendingsverenigingen.
1)The Christian and Missionary Alliance(CAMA) 1938: Enarotali(Wisselmeren
en Baliemvallei
2)Unevangelized Fields Mission (UFM) 1950: Sengge;1956: Bokondini; 1958:
Mulia.
3)Regions Beyond Missionary Union(RBMU) 1954: Karubaga(Swartvallei).
4)The Australian Baptist Missionary Society(ABMS) 1956: Tiom.
5)The Evangelical Alliance Mission(TEAM) 1951: Manokwari(Anggimeren, Agats
a.d. Zuidkust, Merauke, Fakfak en Kepidistricten)
6)The Missionary Aviation Fellowship(MAF) 1955: Sentani.
De MAF is een zendings luchtvaartvereniging en vormt met de 5 bovengenoemde
een organisatie, The Missions Fellowship(TMF).
Eind 1975 heeft het 12 Cessna’s en een helikopter tot haar
beschikking, terwijl er ca. 120 vliegveldjes zijn aangelegd en een 200-tal
zendelingsarbeiders van haar diensten kunnen profiteren.
Als geassocieerde leden sloten ook de volgende demonaties zich aan:
Zending Gereformeerde Kerken Tanah Merah(ZGK) Dit zijn vrijgemaakte kerken
, die vanuit Nederland opereren.
Zending van de Gereformeerde Gemeenten(ZGG).
De Kemah Injil Gereja Masehi Indonesia(KINGMI)
De meeste van genoemde demonaties negeren de E.C.K.. Naast de MPK
was het alleen de R.K. Missie die de E.C. K. in een later stadium erkende,
terwijl alle Reformatorische kerken verstek lieten gaan.
De R.K. Missie en de E.C.K. hebben samen een Middelbare school in de
hoofdstad opgericht onder gemeenschappelijk beheer.
De explosie van honderden kerken zoals in Afrika is tot nu toe in
Indonesië uitgebleven.
Men kan concluderen, dat de missionerende kerken zeer veel hebben
bijgedragen tot de openlegging van het binnenland en dat hierbij de MAF (
The Missionary Fellowship) een wel hele grote rol heeft gespeeld .
In de laatste 30 jaar is er veel meer gebeurd dan in de 300 jaar daarvoor.
De periode na 1956 is eigenlijk de periode van F.J.S. Rumainum, hij moest
nu optreden als voorzitter van de Algemene Synode en samen met F.C. Kamma
moest hij een nieuwe weg inslaan.
Zijn ouders hebben de oude zendingstijd nog gekend en kregen hun opvoeding
op het oudste zendingserf van Nieuw- Guinea, Mansinam. Hij zelf werd
geboren in de tijd van de grote overgangen, in 1914.
Enkele dagen voor zijn plotseling overlijden(27 Januari 1968) heeft Ds.
Rumainum nog het boekje in handen gehad, wat hij zelf had geschreven, toen
de EC kerk 10 jaar bestond.
Hij geeft een overzicht van 1855 tot het jaar 1966 met tal van feiten en
namen en hij beschrijft de grote wisselingen, veranderingen en de
schokkende gebeurtenissen, hoe er gepredikt, gebouwd en gewerkt, de
opofferingen.
De kerk stelt hij echter heel
centraal en hij voelde zichzelf als een schakel tussen de oude zendingstijd
en de kerk van nu. Hij heeft het over die ene vast lijn, die loopt door de
geschiedenis van de kerk. Die is in stand gebleven.
Maar alles draait om lijfsbehoud en levensonderhoud kan er moeilijk sprake
zijn van levensverwerkelijking en opbouw. Hier ligt een geweldige opgave
voor de kerk.
Het volk zegt: nu zijn we christen geworden, wat nu? Daarbij komt de
politieke instabiliteit, voorgangers kunnen zich niet ontplooien, want vele
dorpjes zijn geïsoleerd en er is nu een drie eenheid van bestuur,
leger en kerk.
De opvolger van Ds. Rumainum namelijk Ds. J. Mamoribo begon eveneens te
schrijven en publiceerde reeds verschillende brochures.
Na Mamoribo (1971) kwam Ds. W.Malowali en I.K. Saujay.
Bij de overdracht in 1962 en de politieke omwenteling in 1963 kwam er een
echte exodus op gang door het vertrek van de Nederlanders.
Dat de onderwijzers, die Hollandse lessen gaven, de doktoren en
verpleegsters werden vervangen door Indonesiërs is begrijpelijk, maar
minder duidelijk was het vertrek van de zendingspredikanten, die in geen
enkel opzicht aan het gouvernement waren verbonden.
Dit is voor velen een raadsel geweest, daar R.K. missionarissen wel op hun
post bleven, al hadden er wel verschuivingen plaats.
De ECK stelt dat de ECK een zelfstandige kerk was geworden, die werd geleid
door inheemse krachten. De schrijver, F.C. Kamma fungeerde als secretaris.
Het was een zaak , die de Synode van de ECK regelde. Men stond niet in voor
de persoonlijke veiligheid van de zendelingen, verder waren er afspraken
gemaakt met de Raad van Kerken in Indonesië(DGI), die de vacatures die
zouden ontstaan zou opvullen.
In 1962 was het zo, dat slechts 3 van hen in de ressorten
werkten(Sarmi,Sorong, Teminabuan) terwijl de anderen een taak hadden als
docent(Theol.School,Opleidingsschool voor Evangelisten) en andere speciale
opdrachten. De docenten werden verzocht te blijven evenals de zendelingen
in het Jali gebied.
De anderen werd verzocht te repatriëren.
Het boek, “Dit wonderlijke werk”, geschreven door Dr. F.C.
Kamma bestaat uit 2 delen en is een uitgave van de Raad voor de Zending der
Nederlandse Hervormde Kerk.
Het boek geeft goed de geschiedenis weer en ook de schrijver zelf heeft
jarenlang in Nieuw Guinea gewerkt. Het is een wetenschappelijk boek met tal
van anekdotes en verschillende thema’s worden kritisch onder de loep
genomen.
Zoals U op de website hebt kunnen lezen was ik zelf in 1962 in Nieuw- Guinea
en indertijd verbaasde ik mij over het aantal kerkjes in de verschillende
kampongs.
Eind 2003 was ik voor de eerste keer weer terug en bezocht ik bij toeval
ook het eiland Mansinam, waar de zending dus begon in 1855.
Vlak bij het strand, dichtbij de aanlegsteiger stond een groot wit
gedenkteken van Ottow en Geissler en U begrijpt natuurlijk al, dat het boek
van F.C. Kamma mij uitermate boeide.
Ook was er een
gedenkteken van Mevr. v. Hasselt: "Snari- Papoea, moeder der Papoea's.
Om een zo breed mogelijk spectrum over West Papua te verkrijgen, heb ik
daarom veel aandacht aan dit boek besteed en natuurlijk was het al zo dat
ik enorm veel waardering had voor het werk van zending en missie.
Gerard Thijssen
Pioniers 3)
“Wings
over Shangri La”
Het boek in het
Engels met boven vermelde titel is geschreven door E. Janet Steiger en
vertelt over de grote droom van de geestelijke Robert Jaffray van The
Christian and Missionary Alliance, die in 1931 in een rapport aan
de leiding zijn wens uitte om Nieuw Guinea binnen te gaan en te
bewerken.
In die
tijd waren er geen goede mogelijkheden, verbindingen, om het
binnengebied te bereiken en hij ontwikkelde zijn visie om dat via
kleine vliegtuigen via missie en zending te bewerkstelligen.
Er volgenden
enige jaren van voorbereiding en in 1938 maakte hij een reis naar
Nederlands Nieuw Guinea.
Hij belandde in
een gebied bij Lake Paniai aan de Zuid kust en tot zijn verrassing was dit
nog niet in kaart gebracht.
De tweede
wereldoorlog en een Japans interneringskamp verstoorde zijn droom en 2
weken voor het einde van de oorlog in 1945 stierf hij.
Voor zijn dood
deelde hij zijn droom met Walter Post, Darlene Deibler en Einar Mickelson
en dit waren enige van de eersten, die deze droom alsnog waarmaakten.
In 1938
sponsorde het Amerikaanse Museum of Natural History, New York een expeditie
onder leiding van Richard Archbold.
Dit was een grote
expeditie met U.S.A. wetenschappers en in Hollandia voegden zich Hollandse
wetenschappers, legerofficieren en soldaten bij hen. Veroordeelden en Dyaks
uit Borneo fungeerden als dragers.
De groep was
goed toegerust en telde 195 mensen. Een grote vliegboot werd gebruikt voor
transport.
Deze groep
ontdekte de Baliem vallei, later ook wel Shangri La, genoemd
Rapporten over
deze tocht spraken veel mensen sterk aan tot de verbeelding.
Paul Gesswein,
een marineman, was gedurende de 2e wereldoorlog in de Zuid
Pacific en gestationeerd op Nieuw Guinea. Vanwege een zoektocht naar een
vermist militair vliegtuig, vloog hij veel boven geïsoleerde gebieden
en kon bewijs zien van een grote bevolking, dorpen en tuinen waren talrijk.
Het terrein,
gebied, gaf de totale isolement aan van dit volk en hij maakte zich zorgen
over dat onbereikbare volk.
Na de oorlog
maakte hij Mr. Vine van de RBMU( Regions Beyond Missionary Union) hierop
attent en vroeg of de RBMU die uitdaging niet wilde aannemen.
Vine reisde 3x
naar Nederland om toestemming voor het missiewerk te verkrijgen.
4 Jaren gingen
voorbij(1949-1953) voor het verzoek werd ingewilligd. 4 mensen van RBMU
gingen direct naar Nederland voor een talenstudie en Gesswein vloog naar
Nieuw Guinea om huisvesting en een basis voor RBMU te vinden.
De C&MA en
UFM(zending en missie organisaties) gebruikten locaties, achtergelaten
door de troepen van Generaal MacArthur vlak bij het Cycloop gebergte en ook
de RBMU vond hier onderdak.
Het waren
kleine organisaties en heel internationaal bemand met veel Amerikanen. In
de beginperiode maakten men gebruik van piloten uit de tweede wereldoorlog,
die vaak het gebied ook al kenden en veel ervaring hadden.
Mellis, ook een
oorlogsvlieger, was een van de oprichters van Mission Aviation Fellowship
(MAF) en opereerde vanuit Australië.
Richard
Archbold activeerde de Christelijke kerk om in hun grote behoefte en
uitdaging de onbereikbare te bereiken alsnog te voorzien.
Amerikanen
raakten geïnteresseerd en boden hulp aan, mits Australiërs de eerste
stappen zouden zetten
Afgezet tegen
het feit dat Nederland pas in 1829 de Westkant van het gebied claimde, het
Oosten was nog verdeeld tussen een Duits en een Australisch deel, is er
sindsdien heel weinig gebeurd.
Hollanders
ontdekten Australië in de vroege jaren van 1600, maar vonden dat land
teleurstellend: geen specerijen, geen goud en men liet het aan de
inboorlingen.
Zo verging het
ook met Nieuw Guinea.
In 1895 kwam er
een verdrag waarbij Nieuw Guinea werd verdeeld, een lijn van noord naar
zuid , de 141e Parallel. Het westelijke deel werd
Nederlands Nieuw Guinea. Het Oostelijke deel werd verdeeld in een
Noordelijk deel van Duitsland en het Zuidelijke deel kwam onder
Australië.
Na de 2e
wereldoorlog verloor Duitsland het bezit en het werd toegevoegd aan
Australië.
In 1975 werd
het Oostelijke deel onafhankelijk en wordt nu genoemd Papua New Guinea.
Het Nederlandse
gezag werd pas heel laat gevestigd, ca 1898 en de eerste controleur
vestigde zich in Manokwari.
De eerste 2
zendelingen, Ottow en Geissler, begonnen in 1855 op het eiland Mansinam en
van daaruit vestigden zich zendelingen in andere kuststreken.
Het binnenland
bleef dus lang onberoerd en was ook moeilijk bereikbaar.
Ook de C&MA
verrichte baanbrekend werk. In December 1938 voer Russell Deibler met 10
dragers in een regeringsboot de Oeta rivier aan de Zuid kust op. Walter
Post zou ook mee gaan, maar vond niet voldoende dragers en keerde terug
naar Ambon. Deibler ging verder met als doel de Wisselmeren.
Men bereikte
Lake Paniai en na een verschrikkelijke tocht van 19 dagen bereikte hij de
regeringspost Enarotali.
Na zijn
ontdekkingstocht keerde hij terug na Makassar om zijn rapport te schrijven.
Na 3 maanden
keerde hij met Post terug met dragers en voorraden om de eerste missiepost
op te zetten.
Nadat
huisvesting was geregeld kwamen hun vrouwen, Viola Post en Darlene Deibler
als eerste witte vrouwen in Februari 1940 naar Enarotali.
De
Papoea’s, Kapaukus jodelden en gilden!
Toen de oorlog
uitbrak en Japanners het gebied infiltreerden werd Enarotali gesloten en
verdwenen de boten die de verbindingen onderhielden.
In September
1940 keerden de Deiblers terug naar Makassar. Viola Post ging naar
Australië. Walter Post bleef.
2 dagen voor de
Japanse bezetting werden Post en Mickelson vanuit Enarotali
geëvacueerd. In een Catalina verliet men samen met 22 andere met
veel moeite de Wisselmeren.
Een man, een
Nederlander, bleef en wilde niet evacueren. Dat was Dr. Victor de Bruin,
een jongeman van 25 jaar die in 1939 naar Nieuw Guinea kwam, na in 1937 in Leiden te zijn
afgestudeerd en 2 dokter titels behaalde, een in filosofie.
Bij aankomst in
Nieuw Guinea wist de Bruin dat het Wisselmeren gebied onlangs was ontdekt
en dat het hem was toegewezen. Hij verbleef er gedurende de hele
oorlogsperiode.
Hij verschool
zich in de bergen en begon een tegenstand programma tegen de Japanners.
Hij informeerde
de geallieerde strijdkrachten over vijandelijke activiteiten en slaagde
erin buiten Japanse handen te blijven.
Hij heeft de
Papoea’s nooit verraden en hijzelf werd ook nooit aan de Japanners
verraden.
“Ik heb
50000 vrienden….” en hiermee bedoelde hij de Kapaukus
Papoea’s, die zeer loyaal voor hem waren.
Voor zijn moed
en verdiensten vanuit het Wisselmeren gebied kreeg hij verschillende
onderscheidingen van Nederlandse zijde , maar ook van de Amerikanen.
Door de jaren
heen had de Bruin ook grote verdiensten voor de missie en zending.
Na de komst van
de Japanners stopte ook het missie werk.
De C&MA piloot,
Jackson, was de eerste, die werd gedood, omdat hij hulp verleende aan
Nederlandse strijdkrachten in Borneo. 6 Andere missionarissen
stierven korte tijd later.
Andere werden
naar concentratie kampen gezonden met alle noodlottige gevolgen van dien.
Vele stierven aan malaria, dysenterie e.c.t. , Russel Deibler werd
slachtoffer en ook Dr. Jaffray.
Na de oorlog
pakte men de draad weer op en in 1945 maakte het C&MA hoofdkwartier in
New York al weer bekend, graag weer deel te nemen aan het voor de oorlog
begonnen project.
Voor Mickelson
werd goedkeuring gevraagd terug te keren naar de binnenlanden van Nieuw
Guinea.
Gedurende de
oorlog had hij goede contacten opgebouwd met de Nederlandse regering en
militairen en dit werkte in zijn voordeel.
Eind Oktober 1946
landde Mickelson, vergezeld door 4 jonge mannen van de Makassar bijbel
school weer in Enarotali.
Men werd echter
niet vriendelijk ontvangen omdat de Papoea’s een relatie legden met de
komst van witte mannen, gevolgd door de Japanse invasie. Men verwachtte nu
weer zoiets.
Met moeite wist
de groep te overleven en in Mei 1948 kwam er ook weer een regeringspost in
Enarotali.
In de daar op
volgende jaren kwam nieuwe mensen de verschillende organisaties versterken
en werden andere locaties opgezet, o.a. in de Baliem vallei.
De Nederlandse
regering verleende aanvankelijk niet veel medewerking omdat men niet de
verantwoording durfde te nemen voor eventuele problemen, zoals crashes.
Bepaalde gebieden
waren ook verboden gebied, zoals Grand Valley, er was ook geen uitweg. De
eventuele ontsnappingsroute nam 67 dagen in beslag.
Er was ook een
zekere competitie tussen de verschillende missie en zending organisaties
als het ging om het claimen van bepaalde werkgebieden.
Begin 1950
kwamen er verschillende trektochten, expedities en in 1952 maakte dat 2
slachtoffers.
Bij de Ainim
rivier in de Vogelkop werden Erikson en Tritt door dragers overvallen
en vermoord.
Beide waren
student geweest op het Columbia Bible College in South Carolina en de
studenten organisatie daar reageerden met een enorm geschenk.
Zij schonken de
MAF een vliegtuig “Pathfinder” voor gebruik in Nederlands Nieuw
Guinea.
Verschillende
crashes volgden, in 1951 verongelukte Hartwig en zowel de Australische en
V.S. MAF organisatie reageerden geschokt. De piloot kwam om en kon niet
direct worden vervangen.
Deze voorvallen
zorgden voor meer samenwerking en geregelde vluchten tussen de
verschillende verbindingen en het aanleggen van mogelijke nieuwe air
strips.
Een grote rol
was hier weggelegd voor Grady Parrot, hij deed veel onderzoek naar
uitbreiding.
In 1952 werd
besloten een air strip in Sentani bij Hollandia aan te leggen en Mickelson
werd met deze taak belast.
Op 31 Mei
1953 kreeg de C&MA toestemming van de Ned. Regering om in Lake
Habbema te landen, toegang tot de Baliem vallei.
Wegens ziekte
van deelnemers werd de expeditie uitgesteld naar 20 April 1954.
Mickelson werd
leider van deze expeditie groep.
In 1954
begon het geheel zich beter te ontwikkelen en konden ook vliegtuigen worden
geregistreerd voor de vereiste vergunningen.
De Zendings
Luchtvaart Vereniging (Mission Aviation Society) was opgericht.
Er waren
drijvers voor vliegtuigen voor landingen op het water. Die werden vanaf
Hollandia naar Sentani getrucked, een afstand van ca. 40 km.
Toen ook de
familie Steiger eind 1954
In Nieuw Guinea arriveerde was dit een welkome
versterking om het Nieuw Guinea programma verder te ontwikkelen.
Het hele
project ging met vallen en opstaan, maar dank zij deze moedige pioniers
heeft het project een zeer belangrijke bijdrage geleverd aan verdere
ontsluiting van voormalig Nederlands Nieuw Guinea.
Ook hun vrouwen
lieten zich niet onbetuigd en ook zij hebben hun steentje bijgedragen.
Het boek is
geschreven door E. Janet Steiger en is verkrijgbaar onder ISBN
0-9648127-0-3 en is geschreven in het Engels.
Het boek
verhaalt over verschillende gebeurtenissen en geeft een indruk onder welke
moeilijke omstandigheden deze mannen en vrouwen de droom van Robert Jaffray
hebben waargemaakt..
Het boek gaat
over de tijdsperiode van 1962 heen en ook nu nog vervult de organisatie, nu
TMF, The Missions Fellowship, een indrukwekkende rol.
De familie
Steiger heeft een grote en langdurige bijdrage geleverd aan dit project.
Op 22 Juni 1962
kreeg men een geweldig afscheidsfeest aangeboden, waarbij alle
vertegenwoordigers van de verschillende organisaties bij aanwezig waren.
Da familie
Steiger had zich 25 jaar voor de MAF ingezet.
Gerard
Thijssen

Van
Doetinchem naar Almelo: Viering 150 jaar zending – 1855-2005.
In de Grote
Kerk, Almelo, werd Zaterdag 5.2.2005, het feit herdacht, dat de eerste 2
zendelingen
Ottow en
Geisler, 150 jaar geleden voet aan wal zetten op het eiland Mansinam in
voormalig Nederlands Nieuw Guinea.
De Protestantse
Kerk Nederland, koepel van de meeste hervormde en gereformeerde gemeenten,
maakt zich nog steeds sterk voor de positie van Papoea’s.
De herdenking
werd goed bezocht en voor veel aanwezigen was dit een unieke gelegenheid
vele oud collega’s en bekenden uit hun werkzame periode in Nieuw
Guinea weer terug te zien.
Het
toegestroomde publiek werd verwelkomt met een welkoms dans door dansgroep
Mambesak, waarna de opening werd ingeleid door Jac. Hogeweg, voorzitter van
het comité 150 jaar zending.
B. Ottow jr.
hield een boekpresentatie en hij wist op een geestige manier zijn publiek
te boeien door te vertellen over zijn Duitse voorouders.
Het geheel werd
afgewisseld met gezang en optredens van dansgroep Mambesak.
Tegelijkertijd
was er ook een viering in Manokwari, waarvan ook beelden werden vertoond en
waarbij ds. H. Saud(GKI) zijn gehoor toesprak.
Op deze
herdenking waren duizenden Papoea’s aanwezig, waaruit blijkt hoezeer
de Kerk nog leeft!
Het is ook een
succes van de eerste orde dat deze Kerk in Papoea nu op eigen benen kan
staan.

Na de pauze
waren er verschillende workshops en moest men een keuze maken welke men zou
bezoeken.
Zelf koos ik de
workshop over mensenrechten, waarbij S. Zöllner van Papua Netzwerk op duidelijke
wijze de mensenrechten situatie in West Papua weergaf.
Hij ging in op
de verschillende aspecten en liet blijken goed op de hoogte te zijn van het
gehele gebeuren.
Hij is een
deskundige en deinsde er niet voor terug ook de genocide nog aan te roeren.
Wat mij
intrigeerde was zijn melding, dat de Papoea’s in het binnenland een
specifiek doelwit van het Indonesisch leger zijn (discriminatie, krulhaar)
en dat Indonesië allergisch reageert op brieven(aanvallen).
Ook had hij het
over de cirkel van “impunity” en daarin heeft hij helemaal
gelijk.
Het zal
duidelijk zijn, dat de uitgenodigde Indonesische ambassadeur
K.Yusuf al weer was vertrokken.
Al met al was
het een geslaagde bijeenkomst en ontmoette ik bij toeval Chris Padwa, die
ik bij mijn bezoek in 2003,
in Biak leerde kennen.
Hij zong met
zijn zus Lea in het Papoea koor.
Gerard Thijssen
Pioniers 4)
“ZAAIEN
IN ZOO BARREN GROND”
De titel van
het boek geeft al aan hoe zwaar de werkomstandigheden voor Willem Leendert
Jens
in Nieuw Guinea
moeten zijn geweest, zeer zeker in Doreh in de periode van 1877-1899.
Daarbij komt
dat zendelingen zich dienden te houden aan de autoritaire richtlijnen van
de U.Z.V.
Deze
“Utrechtsche Zendings Vereniging” kwam voort uit particulier
initiatief en het bestuur hield er zeer uitgesproken meningen op na, onder
meer over de verhouding tussen Nederland en haar koloniën in de Oost.
Enige
uitspraken: “Terwijl zij ons geven hunne geurige
handelsproducten, hunnen arbeid, hun zweet, zijn wij geroepen aan hen en
hun in de eerste plaats, den parel des Hemelschen Koninkrijk te brengen, in
ruil” ( BUZV)
“ Staan
zij in schoonheid en lichaamskracht bij den Europeaan ten achteren, nog
meer openbaart zich het verschil ten aanzien van de hoogere vermogens des
geestes, denk- en oordeelskracht”.
De
superioriteit werd niet alleen uitgedragen door de U.Z.V. , maar werd
algemeen aangehangen en verkondigd.
Op
zendingsdagen voerden voornamelijk bekende sprekers het woord, getuigenis
afleggend van hun eigen onkunde. Er was geen ruimte voor zendelingen uit
dat gebied die met verlof waren en die dus veel beter ingevoerd waren met
de zendelingen problematiek ter plekke.
Gerekend naar
onze huidige normen kent de geschiedenis zeer veel huiveringwekkends.
Het boek
getuigt er van, dat de zendelingen de gegeven voorlichting niet als
leidraad hebben aanvaard en het Papoesche volk hebben gediend en er van
zijn gaan houden.
De Nederlandse
predikant Heldring(1804-1876) kwam als eerste met de formulering van alle
ontwikkelingswerk en was daarmee zijn tijd vooruit. Zijn visie was:
“
Hen te leren zichzelf te helpen. Dat het bewustzijn bij de heidenen
kan worden opgewekt als door het Christenvolk orde en wet wordt ingevoerd,
armen en ongelukkigen verzorgd, belangen van wezen en weduwen
behartigd, onderwijs en opvoeding wordt bevorderd.
Betreffende
zienswijze vond helaas indertijd geen goede ontvangst en het tekent de
tijdsperiode dat Heldring in zijn visie alleen bleef staan.
Door de geringe
sporadische communicatie en de opstelling van de UVZ heeft het ook nog lang
geduurd voordat bepaalde inzichten ingang vonden.
In 1870 begon
W.L. Jens aan zijn opleiding bij de U.Z.V, welke werd afgerond in 1876. Hij
was nu zendeling-leraar. Gedurende zijn opleiding had hij als een van de
weinige ook geneeskundige lessen gevolgd. In 1876 trouwde hij Mej. L.F.
Knolle en in datzelfde jaar vertrok hij naar Nieuw Guinea.
Zijn eerste
huisvesting is op het eiland Mansinam en hij komt in contact met brs.
Woelders, Bink en Meeuwig. De familie van Hasselt was op dat moment met
verlof en met hen onderhield hij een zeer goede relatie.
Willem Leendert
Jens deed wat hij kon: hij hield kerkdiensten, hield school en een
belangrijke dienstverlening was het aanbod van medische hulp en
Papoea’s deden dan ook vaak een beroep op hem.
Bij bijzondere
gelegenheden vertoonde hij met de “ toverlantaarn” illustraties
bij de verhalen die hij vertelde en dit werd door de Papoea’s zeer
gewaardeerd.
Het is
bewonderenswaardig dat Jens ondanks zijn slechte lichamelijke conditie
omvangrijke bouwplannen tot een goed einde wist te brengen.
Samen met van
Hasselt vertaalde hij de vier Evangeliën en de Handelingen der
Apostelen in het Noefoors en hij ontwierp zelf een paar schoolboekjes.
Doordat
zendelingen langdurig in Papoea gemeenschappen woonden, kreeg hun
aanwezigheid een zekere vanzelfsprekendheid en de zendeling verschafte hun
een zekere bescherming tegen overvallen.
Jens wist
verschillende keren kordaat op te treden en wist zich geleidelijk een
erkend gezag te verwerven.
Hij trad ook op
als bemiddelaar en vredestichter bij onderlinge ruzies en vetes.
De
verschillende gebeurtenissen werden door Jens in zijn dagboek opgetekend en
over het ontstaan van dit boek: ZAAIEN IN ZOO BARREN GROND, wordt melding
gemaakt op deze website onder de rubriek: boeken.
Hier staan ook
verdere gegevens van dit boek gemeld.
Het boek is
bijzonder omdat het door zijn nazaten is geschreven en inzicht verschaft
over werkelijke gebeurtenissen in het leven van een zendeling.
Pionier Jan van Eechoud
Bij rubriek
boeken 4) zie hoofdpagina heb
ik het boek BAPA PAPOEA, van Jan Derix beschreven.
Het is een
biografie van Jan.P.K. van Eechoud. (1904-1958)
Dit boek had ik
zelf nog niet gelezen en bij het lezen kwam ik zeer onder de indruk van deze opmerkelijke, kundige man
met veel meer kwaliteiten dan zijn superieuren in Batavia hem hadden
toegedicht en die heel veel voor de Papoea's van Nieuw Guinea heeft gedaan
en door zijn visie en handelen dan ook terecht door de Papoea's BAPA PAPOEA werd genoemd.
Ik werd gegrepen
door zijn persoonlijke tragiek hetgeen tevens leidde tot de tragiek van het
land dat hij liefhad, Nederlands Nieuw Guinea....., het vergeten volk...... verdrongen
uit ons nationaal geweten, als een boze droom, die nu werkelijkheid dreigt
te worden.
Uit respect
geef ik hem extra aandacht bij het hoofdstuk Pioniers en hoop daarbij dat
vele het boek, BAPA PAPOEA, zullen gaan lezen.
Van 1929 t/m/
1949 verbleef hij in Nieuw Guinea. Hij begon bij de firma Hagemeyer als
handelsagent, maar na 2 jaar gaat hij over naar de rijksdienst en in 1936
wordt hij commissaris van politie, standplaats Manokwari.
Er was in
Batavia geen ambtenaar te vinden die stond te popelen om naar Nieuw Guinea
te worden gedetacheerd, het werd beschouwd als een strafoverplaatsing,
Jan van Echoud
neemt zijn werk serieus en de witte vlekken op zijn kaarten fascineren hem
onweerstaanbaar.
Hij ontwikkelt
zijn eigen visie en gaat voorvarend te werk met het opzetten van
expedities.
De resident
betuigt zijn bijzondere tevredenheid voor de kundige en beleidvolle wijze
waarop hij zich van zijn taak als leider van verkenningstochten door deels
onbekend gebied van Nieuw Guinea heeft gekweten.
In 1938 krijgt
hij de opdracht een expeditie naar de Wisselmeren op te zetten, omdat per
toeval is ontdekt dat daar een aanzienlijke bevolkingsconcentratie zou
huizen. Het vestigen van een bestuurspost kan een grote stimulans geven aan
de pacificatie. Het wordt de grootste expeditie tot dusver. Hij overwint
allerlei problemen van verschillende aard en brengt hele gebieden
gedetailleerd in kaart, het landschap en zijn flora worden beschreven, de
diepten en de visrijkdom worden beschreven en de hoogten en samenstelling
van de bergformaties worden ingetekend.
Hij legt zich ook
toe op het verzamelen van zoveel mogelijk ethnografica, dat uitblinkt door
zijn analytische aanpak en als zodanig fundamentele kennis verschaft over
de Papoea stammen aan de Wisselmeren. De samenstelling van een woordenlijst
en het afschieten en prepareren van vogels ten behoeve van het museum in
Buitenzorg.
Hij weet meer
dan 150 exemplaren te verzamelen, waaronder paradijsvogelvarianten.
Zijn manier van
werken blijft ook in de wetenschappelijke wereld niet onopgemerkt. Het
bevat ook een journaal met minutieuze beschrijvingen van de
tracé's, nuttig voor het
tot stand brengen van geregelde verbindingen.
Hij zit in de
meest ingrijpende fase van zijn leven en voor zijn inzet, werklust en
kordaat optreden wordt hij in 1939 op de leeftijd van 35 jaar benoemd tot
Ridder in de Orde van Oranje Nassau.
Door de
oprichting van bestuursposten aan de Wisselmeren krijgt de exploratie van
het binnenland van Nieuw Guinea zo'n geweldige impuls dat men hoge
prioriteit wil geven aan het uitzenden van nieuwe expedities.
Voor het leiden
van deze tochten acht men niemand beter geschikt dan Jan van Eechoud. Hij
gaat zich nu volledig concentreren op het exploratiewerk en de ene na de
andere expeditie volgt.
In 1940 ontmoet
hij Vic de Bruin, Indoloog en bestuursambtenaar en de Bruin geeft aan dat
hij een der meest ervaren en kundige explorateurs ontmoette die Nieuw
Guinea ooit heeft gekend.
Zij werden
vrienden, men ondervond dezelfde problemen en moeilijkheden.
Jan van Eechoud
wordt een beroemdheid en geeft veel lezingen.
In 1942 breken
voor ruim 200000 Nederlanders
in Indië jaren van verschrikking , honger en ellende aan en velen
belanden in Japanse interneringskampen en 13 % zal dit niet overleven.
Van Eechoud wijkt uit naar Brisbane
en hij ergert zich mateloos aan de leefstijl die de Nederlandse kolonie er
in Melbourne op na houdt.
Hij die
gedurende zijn expedities bijna de hongerdood stierf. De Dutch club is de
rijkst voorziene in de wijde omgeving en zelfs Australiërs storen zich
hieraan.
In die periode
zit Vic de Bruin bij de Wisselmeren en met behulp van Papoea's blijft hij
onvindbaar voor de Japanners ondanks de vele patrouilles die op hem worden
afgestuurd. Hij verwerft de bijnaam "Jungle Pimpernel" en
voorziet de inlichtingendienst van waardevolle inlichtingen.
In Oktober 1943
is Jan van Eechoud terug in Nieuw Guinea, in Merauke aan de niet door
Japanners bezette zuidkust. Hij krijgt de beschikking over een afgedankte
Mitchell-bommenwerper.
Van Eechoud
houdt landkaarten bij en doet waarnemingen en na de oorlog komt hij tot een
schatting dat Nieuw Guinea wordt bewoond door ongeveer 1.000.000 mensen.
Hij is de enige geweest die zijn schattingen kon onderbouwen met concrete
tellingen en indicaties.
Ook de Baliem
vallei en de Meervlakte wordt in kaart gebracht. Zijn werk, fotoverkenningen
en waarnemingen leveren meer en beter gedetailleerde gegevens op dan alle
expedities voordien.
Op 21 April
1944 begint de grote aanval van Amerikanen bij Hollandia en het grootste
deel van het Japanse garnizoen slaat op de vlucht en de Papoea's betonen
zich zeer bedreven en actief in het opsporen in de klopjacht op de
verslagen bezetter.
Van Eechoud
wordt opgehaald en komt in de militaire drukte van Hollandia terecht, waar
de Amerikanen de grootste geallieerde steunpost in de Pacific hebben gebouwd.
Eind 1944 is
dit een basis, die 140000 manschappen herbergt. Honderden jagers en
bommenwerpers vertrekken en landen er. "Het is ongelooflijk",
schrijft van Eechoud in zijn boek"Vergeten Aarde"
Hij is nu
Conica geworden, zijn eerste belangrijke bestuursfunctie, hoofd civiel
gezag.
Hij profileert
zich nu vanaf eind 1944 meer en meer als een bestuursfunctionaris die voor
Nieuw Guinea een zelfstandige koers voorstaat.
Als onderdeel
van het KNIL wordt een Papoea-bataljon opgericht om deel te nemen aan
zuiveringsacties. Commandant word Jan van Eechoud. In April 1945 heeft het
bataljon al een sterkte van 397 personen, waarvan een deel afkomstig is uit
het junglecommando van Vic de Bruin.
Er wordt ook
een politie school en een bestuursschool opgericht, hiertoe behoort ook
Nicolaas Jouwe.'
De school heeft
meer dan 150 cursisten gehad, waarvan de helft in het bestuur is
terechtgekomen.
Bij de opening
van de school heeft hij onvergetelijke dingen gezegd. Hij zei: "In
1828 kwamen wij hier en wij vertelden jullie sindsdien hoe het moest.
Vandaag zijn jullie geroepen om het bestuur van dit land in eigen hand te
nemen. Vandaag wordt de nieuwe Papoea geboren".
Toen stapte de
oudste cursist naar voren en antwoordde: "Wij geven U de eretitel Bapa
Papoea, vader van deze nieuwe Papoea". Die titel heeft Jan van Eechoud
als enige Nederlander sindsdien gehouden.
Jan van Eechoud
kon goed opschieten met generaal Van Mook, hij beschouwde hem als een zeer
bekwaam man, met een heldere blik, enorme werkkracht en wiens politiek gericht
was op geleidelijke verzelfstandiging en die aan de touwtjes trekkende,
Indië zou leiden naar een nieuwe toekomst en waarin Den Haag met zijn
onbekwame figuren niet veel meer te zeggen zou hebben.
Een andere
generaal, Van Oyen, zag hij als een volkomen, onbekwame operette-figuur met
een generale staf, die niets uitvoerde. Van Mook was wel een man met visie
en het feit dat er veel dingen helemaal verkeerd uitwerkten komt op conto
van het schutterige gedoe in Den Haag, waardoor belangrijke zaken werden
gedwarsboomd.
Jan van Echoud
verhaalt in zijn biografie over grootschalige roof met kennis vanuit
Batavia en er zijn verschillende affaires waar v. Echoud zich niet mee
moest bemoeien.
Konijnenburg
schat de schade, door diefstal, bederf en het 2 jaar
nodeloos rekken van de liquidatie op 30.000.000 gulden.
Jan van Eechoud
werd er gefrustreerd van en schreef aan Spoor: "Je weet dat ik van
huis uit allesbehalve anti-militarist ben, maar ik ben het hier aan het
worden. Het KNIL vertoont een vlegelachtige arrogantie, hebzucht en
vertoont een roofdierenmentaliteit, die alle perken te buiten gaat. Dit
gold voor heel Indië en een flink deel van de gruweldaden, die het
leger in de schoenen geschoven worden, is waar.
Door dit
gebeuren raakte het respect van de bevolking zoek en van Mook had veel
kunnen voorkomen door voor het niet politieke beleid een man aan te stellen
om de corruptie te beperken en voor meer coördinatie tussen de
departementen te zorgen, maar van Mook bemoeide zich hier niet mee. Er was
een volkomen degeneratie in de nadagen van het koloniaal bewind in
Nederlands Indië
In Nieuw Guinea
was de situatie totaal anders, hier was er de arbeidsvreugde, het
enthousiasme en Jan van Eechoud was een man met visie, daadkracht, hetgeen
blijk uit de vele notities die zijn verspreid en die bewaard zijn gebleven.
Zijn
denkbeelden over de politieke en economische toekomst van Nieuw Guinea
worden uitgewerkt in een groot aantal ambtelijke notities en zorgen
aanvankelijk in Batavia en Den Haag voor controversiële reacties, maar
worden uiteindelijk in grote lijnen overgenomen. Te laat , zoals het
verloop der gebeurtenissen zal aantonen.
In 1947 komt
van Eechoud in de South Pacific Commission. Hij ziet zich als
vertegenwoordiger van West Nieuw Guinea met een missie op weg naar een
zelfstandige toekomst voor de Papoea's in beide delen van Nieuw Guinea. Qua
karakter, uiterlijk, zeden en gewoonten zullen Papoea's zich van die
verwantschap bewust worden.
De doelbewuste
koers van Van Eechoud is in Nederland niet onopgemerkt gebleven en de
conservatieve geesten in Den Haag kunnen het tempo van Jan van Eechoud niet
bijhouden.
In Oktober 1947
krijgt van Eechoud een nieuwe secretaresse, Vera Schreuel, die tot de
laatste dag bij hem in dienst zal blijven. Zij krijgt te maken met een chef
die punctualiteit en inzet boven alles stelt,maar daarnaast uiterst
hoffelijk en coulant tegenover zijn medewerkster staat. "Hij werkte
veel s'nachts", herinnert zich mevrouw Akkerman-Schreuel. Al zijn
medewerkers zijn hem heel trouw gebleven.
De toekomst van
Nieuw Guinea, politiek en sociaal-economisch blijft van Eechoud
bezighouden.Hij brengt het vraagstuk voortdurend onder de aandacht van
Batavia, wetend dat men daar aan Nieuw Guinea de laagste prioriteit toekent
en alles wat hij vraagt, blijft maar " in behandeling".
Hij kampt ook
met een personeelstekort en hij heeft mensen nodig met een missie-instinct.
Meer en meer ontwikkelt van Eechoud een eigen koers in het mobiliseren en
informeren van mensen met invloed
in politiek, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties in
Nederland. Batavia is een gepasseerd station.
In 1948 krijgt
Nieuw Guinea een opleidingsschool voor bestuursambtenaren, voor
dorpsonderwijzers en een verpleegstersopleiding. Ook richt hij een dienst
bevolkingsvoorlichting op.
Op 16 Maart
1949 komt van Eechoud met zijn "Nota inzake de economische toestand
van Nieuw Guinea", waarin hij afstand neemt van de stelling van de
"Studie-Connissie Nieuw Guinea 1948", de fact-finding commissie
waarvan hij zelf deel heeft uitgemaakt. De commissie is naar zijn oordeel
te negatief geweest met haar opvatting dat Nieuw Guinea geen land is met
grote natuurlijke rijkdommen. Van Eechoud stelt dat men de mogelijkheden
van Nieuw Guinea in het perspectief van de komende 25 jaar moet zien. De
Papoea zal een groot aandeel kunnen hebben in de ontwikkeling van zijn
land. Hij is bepaald niet lui en dom, zoals hij wordt gedoodverfd door
lieden die hem niet of oppervlakkig kennen en die geen begrip hebben voor
acculturatieve problemen.
De Papoea is in
het algemeen eerzuchtig en wil vooruit.
In deze periode
had van Eechoud veel contact met Meyer Ranneft en uit correspondentie
blijkt dat hij geen hoge pet op had voor wat betreft de bekwaamheid van
sommige gezagsdragers. Meyer toonde veel respect voor Jan v. Eechoud en
waardeerde zijn visie en eerlijkheid.
Van Eechoud
ontwikkelde een eigen visie, die haaks stond op die van Indonesië,
maar in Nederland waren krachten bezig Nieuw Guinea op te geven in ruil
voor beloften van economische voordelen.
Eind Oktober
vertrekt van Eechoud naar Nederland, zijn eerste terugkeer sinds 1929. In
zijn gezelschap zijn ook 3 Papoea's, Johan Ariks, Nicolaas Jouwe en Marcus
Kasiepo, dit om het einde
van de Ronde Tafelconferentie bij te wonen. Bij deze conferentie
wordt besloten Nieuw Guinea buiten de soevereiniteitsoverdracht te houden.
Bij vertrek uit Hollandia heeft v. Eechoud erop gerekend over enige weken
als eerste gouverneur van het zelfbesturend rijksdeel Nederlands-Nieuw
-Guinea te zullen terugkeren. Voor dit ambt is niemand beter geschikt en
moreel kan niemand er meer aanspraak op maken. Van Eechoud heeft echter de
politieke werkelijkheid in Nederland verkeerd ingeschat.
Het gezelschap
wordt ontvangen door Dr.van Maarseveen, minister voor overzeese
gebiedsdelen en op de vraag: "Waarom willen de Papoea's geen
aansluiting bij Indonesië"? , zei Johan Ariks. "Als
Nederland zijn beschermende hand van Nieuw-Guinea terugtrekt, zijn wij
vanaf die dag ten dode opgeschreven." Dat waren profetische woorden,
die helaas helemaal zijn uitgekomen.
Op 15 November
wordt v. Eechoud gehoord door de Enquêtecommissie en zonder een blad
voor de mond te nemen doet hij verslag van de gebeurtenissen, zoals hij die
heeft meegemaakt.
Hij doet
onthullingen over wanbestuur in Batavia, onverantwoord besteden van gelden,
te royale salariëring, het in gevaar brengen van mensenlevens,
miljoenen goederen die zijn verdwenen bij de ontmanteling van Amerikaanse
bases en alles kan worden gestaafd.
In December
wordt van Waardenburg voorgedragen als gouverneur en diep teleurgesteld
keert Van Eechoud naar Hollandia terug en beseft dat hem groot onrecht is
aangedaan. Zeker is dat de zending hem heeft tegengewerkt en hij fungeert
nu als waarnemend gouverneur.
Feit is dat
direct de stemming verandert en de situatie verslechtert dusdanig dat v.
Eechoud zijn visie niet ten uitvoer kan brengen en hij besluit het
praktisch opgedrongen verlof te accepteren.
In Holland
uitte hij scherpe kritiek op v. Waardenburg en hij gaat weer studeren en
boeken schrijven.
Hij schrijft:
"Vergeten Aarde" en dit wordt meteen een bestseller. "Wij
hebben lange tijd de verantwoordelijkheid gedragen voor de Papoea. Wij
deden hem onrecht door hem te vergeten.
Wij meenden aan
zijn land niet te kunnen verdienen. Wij lieten Missie en Zending toe en
steunden die zelfs met subsidie. Wij brachten godsdienst en onderwijs, maar
godsdienst en onderwijs zijn van weinig waarde wanneer niet de
materiële omstandigheden de beleving van die godsdienst en de
toepassing van het onderwijs op het dagelijks leven mogelijk maken.
Als wij een
toekomst willen brengen aan dat land, dan zullen wij een streep moeten
zetten onder het halfslachtig verleden en opnieuw moeten beginnen, om ook
hier te geven een "grootse demonstratie van Nederlands vernuft en
energie. In Nieuw-Guinea ligt een taak.
De wijze,
waarop de Tweede Kamer eind 1951 de Nieuw Guinea begrotingen behandelt,
brengt hem in contact met Kamerlid Welter en in een brief van 23 november
veegt hij de vloer aan met het financiële beleid dat met betrekking
met Nieuw Guinea is en wordt gevoerd. Ook het bedrag van 35.500.000 voor de
landmacht NG is hem een doorn in het oog, wetende hoe waardeloos dat leger
daar is.
Welter onder de
indruk van Van Eechouds kennis van, benadert Dr. W. Drees. "ik deel Uw
mening",zegt deze. Wanneer in de loop van 1952 de commissie haar
rapport indient, blijkt zij de denkbeelden van Van Eechoud - zoals hij die
neerlegde in zijn Bestuursnota van 1947- op essentiële punten te hebben overgenomen.
Het rapport
bepleit uitbreiding en intensivering van het bestuur en de deelname van de
autochtone bevolking aan dat bestuur, ter voorbereiding en begeleiding
waarvan een gericht beleid van opvoeding en ontwikkeling de primaire
voorwaarde vormt. Het vertrouwen van de Papoea's moet worden vastgehouden.
Tot de dragende peilers onder dit beleid worden de missie en zending
gerekend, maar die ligt onverkort met elkaar overhoop.
Het oude
vuurtje van rivaliteit is opnieuw aangewakkerd door Ds.I.S. Kijne, die Van
Eechoud beschuldigde als resident de missie te hebben bevoordeeld. De
Katholieken onder leiding van Mgr. Cremers zouden de hand hebben in
"machinaties"die de positie van de (protestantse) gouverneur van
Nieuw Guinea, van Waardenburg, zou ondergraven.
Het aantal
Nederlandse missionarissen in Nieuw Guinea is echter vijfmaal groter dan
het aantal zendelingen, terwijl de zending royale financiële steun van
de overheid ontvangt en de missie zo goed als niet. In het korps van
hoofdambtenaren is geen enkele Katholiek benoemd en de verhoudingen zijn
dus helemaal scheef gegroeid.
Van Waardenburg
leunt veel meer op Batavia dan Van Eechoud ooit heeft gedaan en in begin
1953 krijgt van Waardenburg voor zijn geknoei in Nieuw Guinea zijn ontslag.
Na de periode van Van Eechoud ging er zoveel verkeerd dat Den Haag niet
anders kon en wordt Jan van Baal benoemd.
Jan Van Eechoud
wordt secretaris van het Nederlands Nieuw Guinea Instituut met als doel de
exploratie, openlegging en exploitatie van Nederlands Nieuw Guinea, ten
bate van het land zelf, van Nederland, in het kader van de Westerse
economie en zo mogelijk van de gehele wereld. Het is zijn eerste betaalde
functie sinds zijn terugkeer eind 1950.
Vanuit Nieuw
Guinea krijgt hij berichten en signalen dat het ambtenarenkorps zich niet
in die mate met de belangen van de Papoea's identificeert als hij en
sommige van zijn vroeger bestuurskader graag zouden zien. Het merendeel
heeft meer interesse in salaris, auto, positie en kwaliteit van het sociale
leven. Het heilige vuur is ver te zoeken en de zaak ontaardt in papieren
werk en sleur.
Door kontakten
met oude vrienden in Nieuw Guinea blijft hij goed op de hoogte en in een 16
pagina's tellend rapport geeft hij ongezouten commentaar op het gevoerde
beleid en dat hij veel klungels uit het bestuur had moeten wegsturen. Hierna
krijgt Van Eechoud ontslag aangezegd door het departement van Overzeese
Rijksdelen.
De gang van
zaken heeft de toekomst bepaald. De ingeslagen weg gaan wij tot het bittere
eind....De enigen die nu nog kunnen proberen een eigen weg te gaan , zijn
Missie en Zending, de ambtenaar kan het niet meer, zegt hij tegen zijn
vriend Vic de Bruin.
In 1955 houdt
hij een uitvoerig pleidooi voor nauwe samenwerking tussen blank en zwart in
de ontwikkeling van Nieuw Guinea, Hij benadrukt ook de goede samenwerking
met Australië, omdat hij voorziet dat Nieuw Guinea behalve strategisch
ook ideologisch strijdtoneel zal worden. Australië zal nooit toestaan
dat Nieuw Guinea in niet veilige handen (Indonesië) valt, want een
verdeeld Nieuw Guinea betekent het beeld van een vitaal defensiescherm.
Veel
belangrijker dan de economische ontwikkeling is uiteindelijk onze culturele
taak en de voornaamste taak is hier weggelegd voor Missie en Zending.
In September
1955 begint hij in opdracht van het Nieuw Guinea Instituut aan de samenstelling
van een vademecum over Nieuw Guinea. Het was de bedoeling dat het
ministerie van Overzeese Gebiedsdelen dit naslagwerk zou uitbrengen, maar
daar geen capabele ambtenaren met voldoende kennis over Nieuw Guinea. Men
wil hem nu zelfs als NG kenner in de Tweede Kamer, maar zijn vrouw wordt
ziek en hij ziet er vanaf.
In November
1956 is het vademecum klaar en wordt zeer positief ontvangen.
In 1957
verslechtert de situatie op Nieuw Guinea en allerlei zaken gaan verkeerd en
op 1 April 1958 treed van Baal af als tweede gouverneur van Nieuw Guinea en
Dr. P.J. Platteel volgt hem op.
Van Eechoud was
voor de zoveelste keer naar voren geschoven maar hij heeft zijn plan
getrokken en hij wil nog een boek schrijven "NG op drift", dat
zou een scherpe aanval worden op het gevoerde beleid.
Op 6 April 1958
begint Jan van Eechoud aan zijn laatste reis naar Nieuw Guina, terug naar
het land dat hij meer dan 7 jaar geleden verbitterd, teleurgesteld en
miskend moest verlaten. Hij zal Nederland niet meer terugzien. Hij was al ziek
en maakt nog een voettocht van Hollandia naar Sarmi.
Hij vliegt nog
naar Wamena in de Baliemvallei en Obano aan de Wisselmeren. Daar wordt hem
nog een uitbundig feest aangeboden
ter herinnering aan het feit dat hij 20 jaar geleden met vier man
veldpolitie en een handjevol dragers aan de oever van het Paniai-meer
aankwam en daar een bestuurspost oprichtte. "Van de energieke resident Van
Eechoud was niet veel meer over", schrijft Vic de Bruin in "Het
Verdwenen Volk" over deze gebeurtenis.
Zijn gezondheid
gaat snel achteruit en op 7
September is de man met een onmetelijk vertrouwen in de mogelijkheden van
het land en de capaciteiten van zijn geliefde Papoea's gestorven.
Ook Marcus
Kaisiepo stond bij zijn graf en zegt dat zijn land hem niet zal vergeten, want
nooit kwam het vertrouwen in de Papoea zo sterk tot uiting als bij Van
Eechoud. Zijn bestuur getuigde van visie op de toekomst van het Papoea volk
in een tijd dat nog maar weinigen geloofden in de mogelijkheid daarvan.
Op 27 mei 1961
wordt er in zijn geboorteplaats Horst een monument ter nagedachtenis
onthuld.
Een jaar later
sluit Nederland het hoofdstuk Nieuw-Guinea af.
.

.
|